Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2004:AP0202

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-05-2004
Datum publicatie
27-05-2004
Zaaknummer
03/652P
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is een verschil van mening gerezen ten aanzien van de vraag of hun rechtsverhouding met betrekking tot het perceel van [appellanten] was aan te merken als een pachtovereenkomst.

De vorderingen van [appellanten] strekken ertoe dat tussen partijen alsnog wordt afgerekend met betrekking tot het melk- respectievelijk het suikerbietenquotum. De pachtkamer in eerste aanleg heeft de vorderingen afgewezen. Daartegen richten zich de grieven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11 mei 2004

pachtkamer

rolnummer 2003/0652 P

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

1. [appellant sub 1],

2. [appellant sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

procureur: mr. G. Janssen,

tegen:

1. [geïntimeerde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [geïntimeerde sub 2],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

procureur: mr. J.C.N.B. Kaal.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van het vonnis van 25 april 2003, dat de pachtkamer te Middelburg tussen appellanten (hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten], en afzonderlijk: [appellant sub 2] en [appellant sub 1]) als eisers en geïntimeerden (hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden], en afzonderlijk: [geïntimeerde sub 1] respectievelijk [geïntimeerde sub 2]) als gedaagden heeft gewezen. Van genoemd vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellanten] hebben bij exploot van 22 mei 2003 aangezegd van genoemd vonnis in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerden] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven hebben [appellanten] drie grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, hebben zij bewijs aangeboden en twee nieuwe producties in het geding gebracht, en hebben zij geconcludeerd dat het hof bij arrest, voorzover de wet zulks toelaat uitvoerbaar bij voorraad:

I. het bestreden vonnis zal vernietigen;

II. zal verklaren voor recht dat de verkoop door [geïntimeerden] van het melkquotum en het suikerbietenquotum die rustten op het litigieuze perceel, jegens [appellanten] een toerekenbare tekortkoming oplevert;

III. [geïntimeerden] zal veroordelen om, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 300,— per dag, althans ten bedrage als door het hof in goede justitie te bepalen, aan [appellanten] te verstrekken (1) de meitellinggegevens van hun bedrijf over 1983, 1984, 2000, 2001 en 2002, (2) de besluiten (nr. 29600) van het COS met betrekking tot het bedrijf van [geïntimeerden] tot registratie van het melkquotum vanaf 1984 en (3) de gegevens van C.S.M. Suiker B.V. omtrent de toewijzing van polsuiker aan [geïntimeerde sub 1] en/of [geïntimeerde sub 2] over 2000, 2001 en 2002;

IV. [geïntimeerden] hoofdelijk zal veroordelen tot vergoeding aan [appellanten] van de door [appellanten] ten gevolge van de verkoop van de melk- en suikerbietenquota geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

V. [geïntimeerden] zal veroordelen tot een vergoeding van de door [appellanten] gemaakte buitengerechtelijke kosten;

VI. [geïntimeerden] hoofdelijk zal veroordelen in kosten van de procedure gevallen in eerste aanleg en in hoger beroep.

2.3 Bij memorie van antwoord hebben [geïntimeerden] de grieven bestreden en verweer gevoerd, hebben zij bewijs aangeboden, en hebben zij geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen en [appellanten] zal veroordelen in de kosten van de procedure (bedoeld zal zijn:) in hoger beroep.

2.4 Ter zitting van 29 maart 2004 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellanten] door mr. A.A.M. van Beek, advocaat te Tilburg, en [geïntimeerden] door mr. H.M. Dunsbergen, advocaat te Goes; beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht. Ter gelegenheid van het pleidooi is aan [appellanten] akte verleend van de overlegging van een nieuwe productie.

2.5 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1 Op grond van de niet bestreden vaststelling van de pachtkamer in eerste aanleg en op grond van hetgeen verder is gesteld en niet of onvoldoende is weersproken dan wel blijkt uit de onbetwiste inhoud van de overgelegde bescheiden, staat in hoger beroep het navolgende vast.

3.2 [appellanten] hebben in het verleden het perceel grond, kadastraal bekend gemeente [plaatsnaam en kadasternummer], met een oppervlakte van 3.28.70 ha (hierna: het perceel van [appellanten]) in gebruik gegeven aan [X.]. Na diens overlijden hebben zijn echtgenote [geïntimeerde sub 1] en zijn zoon [geïntimeerde sub 2] het gebruik voortgezet. In 1983 hebben [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2], althans [X.]., het perceel gebruikt in het kader van hun melkveebedrijf. Na het overlijden van [X.]. is dat bedrijf toegedeeld aan [geïntimeerde sub 1], die het vervolgens in een maatschap met haar zoon [geïntimeerde sub 2] heeft geëxploiteerd tot begin 2001. Het bedrijf omvatte meer grond dan het perceel van [appellanten].

3.3 Tussen partijen is een verschil van mening gerezen ten aanzien van de vraag of hun rechtsverhouding met betrekking tot het perceel van [appellanten] was aan te merken als een pachtovereenkomst. Volgens [geïntimeerde sub 2] was sprake van een pachtovereenkomst, terwijl dat namens [appellanten] werd bestreden. Op 24 maart 2001 hebben [appellanten] en [geïntimeerde sub 2] ten overstaan van notaris [...] een overeenkomst gesloten (hierna: de vaststellingsovereenkomst), die onder meer het volgende inhoudt (waarbij met “het registergoed” wordt gedoeld op het perceel van [appellanten]):

“Gebruik

Met betrekking tot het registergoed is door partij [appellanten], aanvankelijk met de vader van de comparant [geïntimeerde sub 2], in latere instantie met de comparant [geïntimeerde sub 2] mondeling verkoop en koop van gras op stam overeengekomen.

Het dagelijks gebruik van de grond heeft partij [appellanten] daarbij behouden; de zorg voor de rasterwerken (daaronder begrepen stroomvoorziening), onkruidbestrijding gelijk distelbestrijding en verdere werkzaamheden met betrekking tot de grond bleef bij haar berusten.

Pachtvastlegging

Partij [geïntimeerde sub 2] heeft zich, blijkens een brief van vijfentwintig januari tweeduizend een van advocaat en procureur mr. [...] (…) aan de gemeente Borsele te Heinkenszand (…) op het standpunt gesteld dat hier sprake is van pacht en aangekondigd vastlegging van de pachtovereenkomst bij de Pachtkamer van het Kantongerecht te Middelburg te zullen vorderen.

In de brief aan de gemeente Borsele is aansluiting gezocht bij de verkoop – en ophanden zijnde levering – van een gedeelte van het registergoed door partij [appellanten] aan de gemeente.

Partij [appellanten] heeft het bestaan van pacht bestreden.

Compromis

Ter voorkoming van procedures over en weer zijn partijen [appellanten] en [geïntimeerde sub 2] overeengekomen dat door partij [geïntimeerde sub 2] het gebruik van het registergoed [kadasternummer] wordt beëindigd tegen een afkoopsom groot bruto ƒ 16.400,—/netto ƒ 15.000,—.

Overeenkomst

De comparanten verklaarden thans overeengekomen te zijn:

- Door partij [geïntimeerde sub 2] wordt ingaande heden afstand gedaan van alle rechten welke hij heeft op het registergoed, onder welke naam ook;

- het registergoed wordt door hem heden vrij opgeleverd aan partij [appellanten];

- partij [geïntimeerde sub 2] garandeert tegenover partij [appellanten] dat naast hem geen derden, zoals met hem in maatschapverband samenwerkenden, van hem en zijn positie in deze afgeleide rechten op het registergoed hebben, welke te kwalificeren zijn als de rechten welke hij voorheen had met betrekking tot het registergoed;

- partij [geïntimeerde sub 2] trekt eventuele vorderingen tot vastlegging van de eventuele pacht in;

- partij [geïntimeerde sub 2] verleent partij [appellanten] kwijting voor de betaling van de afkoopsom (…);

- partij [appellanten] aanvaardt vooromschreven afstand.

Nog verklaarden comparanten, ieder voor zich, dat zij afstand doen van de rechten ontbinding of vernietiging van deze overeenkomst te vorderen.”

3.4 Ingevolge de overeenkomst is het gebruik van de grond door [geïntimeerden] beëindigd.

3.5 Volgens een notariële akte van 19 september 2001 heeft [geïntimeerde sub 1] aan een derde verkocht en geleverd de boerderij met bijgebouwen en cultuurgrond [adres], groot 14.97.10 ha. Volgens de akte heeft [geïntimeerde sub 1] ook aan de koper overgedragen een bietenquotum van 10.863 kilogram en een melkquotum ten name van [geïntimeerde sub 1] van 62.134 kilogram met een vetpercentage van 4,16 voor de heffingsperiode 2001/2002.

3.6 [geïntimeerden] hebben geen gevolg gegeven aan de sommatie namens [appellanten] om bescheiden op te sturen waaruit blijkt van de omvang van het melkquotum en het bietenquotum die met het perceel van [appellanten] samenhangen.

4 Beoordeling van de bevoegdheid

Uit de vaststaande feiten en uit hetgeen partijen ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep met betrekking tot het gebruik van het perceel van [appellanten] hebben verklaard, volgt naar het voorlopig oordeel van het hof dat sprake is geweest van een pachtovereenkomst. Het onderwerp van geschil betreft de afwikkeling van die overeenkomst, zodat de pachtkamer van de rechtbank, sector kanton, bevoegd was om de zaak te behandelen en beslissen en de pachtkamer van het gerechtshof te Arnhem dat in hoger beroep is.

5 Beoordeling van het geschil in hoger beroep

5.1 De vorderingen van [appellanten] strekken ertoe dat tussen partijen alsnog wordt afgerekend met betrekking tot het melk- respectievelijk het suikerbietenquotum. De pachtkamer in eerste aanleg heeft de vorderingen afgewezen. Daartegen richten zich de grieven.

5.2 Ter zitting is door [appellant sub 1] verklaard dat [geïntimeerden] op het perceel van [appellanten] nooit suikerbieten hebben geteeld. Daaruit volgt dat geen suikerbietenquotum met dat perceel samenhangt. Weliswaar heeft de raadsman van [appellanten] nog aangevoerd dat de omstandigheid dat [geïntimeerden] het perceel van [appellanten] voor andere doeleinden dan de suikerbietenteelt heeft benut, niet betekent dat dit perceel niet indirect aan die teelt heeft bijgedragen en aldus de verwerving van het suikerbietenquotum mogelijk heeft gemaakt, maar de stellingen van [appellanten] zijn aldus onvoldoende concreet om daaruit te kunnen afleiden dat inderdaad suikerbietenquotum met hun perceel is gaan samenhangen. Gelet op een en ander zal het hof er hierna van uitgaan dat met het perceel van [appellanten] uitsluitend melkquotum samenhing.

5.3 Grief I richt zich tegen hetgeen de pachtkamer in eerste aanleg onder 5.1 heeft vooropgesteld. Voorzover [appellanten] zich op het standpunt bedoelen te stellen dat zij geen afstand hebben kunnen doen van hun aanspraken op het melkquotum en dat aan de vaststellingsovereenkomst – voorzover die een zodanige afstand mede omvat – om die reden geen rechtsgevolgen verbonden kunnen zijn, is dat standpunt onjuist. Voor het overige hebben [appellanten] bij hun grief geen belang.

5.4 Grief II heeft betrekking op de vraag of de vaststellingsovereenkomst belet dat [appellanten] thans aanspraak maken op een vergoeding ter zake van het melkquotum. Het hof stelt in dat verband voorop dat het bij de uitleg van hetgeen de vaststellingsovereenkomst inhoudt, aankomt op hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben mogen afleiden. In dat verband is het navolgende van belang.

5.5 Ter zitting heeft [appellant sub 1] verklaard dat hij bij de notaris, voorafgaand aan de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst, aan [geïntimeerde sub 2] heeft gevraagd of hij melkquotum had, dat [geïntimeerde sub 2] daarop antwoordde van niet, maar dat hij dat niet kon geloven, omdat hij wist dat [X.]. melkkoeien had gehad. Omdat het stellig werd ontkend, heeft hij toen over de kwestie verder gezwegen. Uit deze verklaring volgt dat [appellanten] zich terdege hebben gerealiseerd dat zij waarschijnlijk een aanspraak ter zake van het met hun perceel samenhangende melkquotum konden doen gelden. Gelet op hun agrarische achtergrond en de bekendheid die een en ander in agrarische kringen geniet, moeten [appellanten] zich tevens hebben gerealiseerd, dat bedoelde aanspraak veronderstelde dat hun rechtsverhouding met [geïntimeerden] als een pachtovereenkomst zou moeten worden gekwalificeerd.

5.6 De vaststellingsovereenkomst geeft als het standpunt van [appellanten] weer dat sprake was van verkoop van gras op stam en als het standpunt van [geïntimeerde sub 2] dat sprake was van pacht. Welke de juiste kwalificatie is, wordt in de overeenkomst in het midden gelaten en de strekking van die overeenkomst is klaarblijkelijk dat die vraag tussen partijen ook niet meer aan de orde behoort te komen, zoals onder meer volgt uit de woorden: “Ter voorkoming van procedures over en weer…”. Gelet hierop lag het op de weg van [appellanten] om – indien zij de mogelijkheid open wilden houden dat zij in verband met hun aanspraken op melkquotum zich alsnog op het standpunt zouden stellen dat wél van pacht sprake was – wat betreft de kwestie van het melkquotum een voorbehoud te bedingen. Dat zij dat niet hebben gedaan, berust kennelijk hierop dat zij de inmiddels met [geïntimeerde sub 2] bereikte overeenstemming over de beëindiging van het gebruik van hun perceel, niet op het spel hebben willen zetten. Die keuze is invoelbaar, maar dat brengt niet mee dat zij de consequenties van die keuze niet behoeven te dragen.

5.7 Uit een en ander volgt dat de vaststellingsovereenkomst eraan in de weg staat dat [appellanten] [geïntimeerde sub 2] thans alsnog ter zake van het melkquotum aanspreken. Daaraan kan niet afdoen dat het melkquotum niet met zoveel woorden in de overeenkomst is vermeld. Uit het onder 5.4 bedoelde criterium volgt immers dat de tekst van de overeenkomst niet doorslaggevend is.

5.8 [appellanten] hebben zich er nog op beroepen dat [geïntimeerde sub 1] bij de vaststellingsovereenkomst geen partij is. Uit de garantie die [geïntimeerde sub 2] bij de vaststellingsovereenkomst heeft verstrekt ten aanzien van aanspraken van derden – in welk verband met zoveel woorden sprake is van “met hem in maatschapverband samenwerkenden” – volgt dat partijen die overeenkomst bedoelden als een definitieve beëindiging van de onderlinge verhouding, ook ten aanzien van [geïntimeerde sub 1]. Gelet daarop zou het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn wanneer [appellanten] thans ervan gebruik zouden kunnen maken dat [geïntimeerde sub 1] bij bedoelde overeenkomst formeel geen partij is.

5.9 Uit hetgeen is overwogen, volgt dat grief II faalt.

5.10 Voorzover grief III voortbouwt op de overige grieven, deelt zij in het lot van die grieven. De toelichting op de grief houdt nog in dat [appellanten] de vaststellingsovereenkomst (partieel) vernietigen respectievelijk buitengerechtelijk vernietigd hebben, op grond van bedrog en/of dwaling. Uit de verklaring van [appellant sub 1] zoals onder 5.5 weergegeven, volgt echter dat [appellanten] niet door de ontkennende mededeling van [geïntimeerde sub 2] omtrent een hem ter beschikking staand melkquotum tot het aangaan van de vaststellingsovereenkomst zijn bewogen, respectievelijk dat – niettegenstaande de inhoud van de mededeling van [geïntimeerde sub 2] – geen sprake is geweest van een onjuiste voorstelling van zaken aan de zijde van [appellanten] en/of van enig causaal verband tussen die mededeling en de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst. Ook in zoverre faalt derhalve grief III.

5.11 Het hof passeert de bewijsaanbiedingen van [appellanten] omdat zij niet, althans niet voldoende concreet, betrekking hebben op feiten die – indien bewezen – tot een andere beslissing zouden kunnen leiden dan hiervoor is gegeven.

5.12 De slotsom is dat de grieven falen, zodat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd. Het hof zal [appellanten], als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

6 Beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de pachtkamer van de rechtbank te Middelburg, sector kanton, locatie Middelburg, van 25 april 2003;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op € 2.313,— voor salaris procureur en op € 245,— voor griffierecht.

Dit arrest is gewezen door mrs. Valk, Smeeïng-Van Hees en Van den Dungen en de raden ing. De Lorijn en ir. Rogaar en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 mei 2004.