Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2004:AP0037

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
18-05-2004
Datum publicatie
25-05-2004
Zaaknummer
01/846t
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd

- dat voor recht zal worden verklaard dat Centraal Beheer aansprakelijk is voor de schade van materiële en immateriële aard, die [geïntimeerde] heeft geleden als gevolg van een op 17 juni 1990 in Turkije plaatsgevonden verkeersongeval,

- dat Centraal Beheer zal worden veroordeeld tot vergoeding van de, bij staat op te maken en volgens de wet te vereffenen schade en

- dat Centraal Beheer zal worden veroordeeld in de proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2004, 480

Uitspraak

18 mei 2004

derde civiele kamer

rolnummer 2001/846

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

de naamloze vennootschap Achmea Schadeverzekeringen NV,

voorheen Centraal Beheer Schadeverzekering NV,

gevestigd te Apeldoorn,

appellante,

procureur: mr J.S.E. Vermeulen,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr J.M.J. Huver.

1 Het geding in eerste aanleg

De rechtbank te Arnhem heeft op 28 augustus 1997, 2 april 1998 en 8 juni 2000 tussenvonnissen en op 11 januari 2001 een eindvonnis gewezen in het geschil tussen appellante, hierna: Centraal Beheer, als gedaagde en geïntimeerde, hierna: [geïntimeerde], als eiseres. Een kopie van elk van deze vonnissen is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij exploot van 10 april 2001 is Centraal Beheer in hoger beroep gekomen van voormeld vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft Centraal Beheer vijf grieven aangevoerd en gevorderd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw recht doende, de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedures in beide instanties.

2.3 [geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord verweer gevoerd, producties overgelegd, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, (zo nodig met aanvulling of verbetering van gronden) de bestreden vonnissen zal bevestigen en Centraal Beheer zal veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

2.4 Ter terechtzitting van dit hof van 8 oktober 2003 hebben partijen hun standpunten bepleit. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Bij die gelegenheid is aan Centraal Beheer akte verleend van het overleggen van producties.

2.5 Ten slotte zijn de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

3 De vaststaande feiten

In rechtsoverweging 2.3 van het bestreden tussenvonnis van 28 augustus 1997 zijn een aantal feiten vastgesteld. Tegen deze vaststelling als zodanig zijn geen grieven aangevoerd, zodat het hof bij de beoordeling eveneens van die feiten zal uitgaan.

4 De beoordeling van het geschil in hoger beroep

4.1 [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd

- dat voor recht zal worden verklaard dat Centraal Beheer aansprakelijk is voor de schade van materiële en immateriële aard, die [geïntimeerde] heeft geleden als gevolg van een op 17 juni 1990 in Turkije plaatsgevonden verkeersongeval,

- dat Centraal Beheer zal worden veroordeeld tot vergoeding van de, bij staat op te maken en volgens de wet te vereffenen schade en

- dat Centraal Beheer zal worden veroordeeld in de proceskosten.

4.2 [geïntimeerde] zat op de hiervoor vermelde datum als passagier in een auto met een Nederlands kenteken. Deze auto is in een slip geraakt, is van de rijbaan geraakt, heeft een naast de rijbaan geparkeerde bromfiets geraakt en is vervolgens ongeveer 40 meter naar beneden gevallen.

[geïntimeerde] heeft door dit ongeval rugletsel opgelopen; over de omvang en gevolgen van dit letsel bestaat tussen partijen discussie. Bij Centraal Beheer was ten tijde van het ongeval een wettelijke aansprakelijkheidsverzekering aangaande die auto afgesloten.

4.3 [geïntimeerde] houdt Centraal Beheer aansprakelijk voor haar schade. Centraal Beheer heeft zich daartegen verweerd, onder meer met een beroep op verjaring van het gevorderde naar Turks recht. Volgens haar was de verjaring namelijk reeds twee jaren na het ongeval voltooid terwijl de dagvaarding in de onderhavige zaak pas op 23 mei 1995 is betekend (zie conclusie van antwoord § 5, memorie van grieven § 1.4 en pleitnota § 1.2 tot en met § 1.5.1). De rechtbank heeft het beroep op verjaring in rechtsoverweging 2.5 van het bestreden tussenvonnis van 8 juni 2000 verworpen, omdat naar haar oordeel niet het Turkse recht, maar het Nederlandse recht van toepassing is, nu er sprake is van een eenzijdig ongeval als bedoeld in art 4, aanhef en onder a) van het Verdrag inzake de wet welke van toepassing is op verkeersongevallen op de weg van 4 mei 1971 (“Haags Verkeersongevallenverdrag”).

4.4 Centraal Beheer bestrijdt in hoger beroep dit oordeel van de rechtbank over het toepasselijke recht, onder meer op de grond dat de bromfiets bij het ongeval was “betrokken” in de zin van artikel 4 (aanhef en onder a) en onder b)) van voormeld verdrag. De desbetreffende grieven I en II slagen. Die bromfiets is immers ook een voertuig dat bij het ongeval is “betrokken” (naar de Engelse en Franse tekst van het verdrag: “involved”, respectievelijk “impliqué”) indien, zoals hier moet worden aangenomen, hij geparkeerd stond overeenkomstig de daarvoor geldende (verkeers-) regels. Voor deze uitleg van de term betrokken ziet het hof steun in een door E.W. Essén opgesteld rapport, dat door de regering werd gevoegd bij de Memorie van Antwoord inzake het wetsvoorstel tot ratificatie van het Haags Verkeersongevallenverdrag (Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 12 476, nr 5-6). In § 7.2 tot en met 7.5 van dat rapport zet Essén uiteen dat het in artikel 4, aanhef en onder a) en onder b) van de Franse tekst van dat verdrag gebruikte woord “impliqué” een objectieve, (schuld-) neutrale betekenis heeft. In de Engelse versie van dat verdrag wordt namelijk op deze plaats in de tekst het woord “involved” gebruikt, en voor “involvement” is niet vereist dat de rol (of, als het ware, een gedraging) van het desbetreffende voertuig heeft bijgedragen tot het ongeval. Essén meent dan ook dat een botsing tussen twee voertuigen, ook als één van die voertuigen geheel volgens de voorschriften is geparkeerd, onder het in artikel 4 sub b) bedoelde geval kan worden gerangschikt – uiteraard vooropgesteld dat de voertuigen in hetzelfde land zijn geregistreerd.

4.5 Van een eenzijdig ongeval in de zin van artikel 4 aanhef en onder a) van het Haags Verkeersongevallenverdrag kan hier dus geen sprake zijn. Van betrokkenheid van twee in hetzelfde land – Nederland – geregistreerde voertuigen was evenmin sprake, omdat de bromfiets niet in Nederland was geregistreerd: uit de vertaling van het proces-verbaal van de politie, die als bijlage bij de brief van Avus Limited Sirketi van 18 oktober 1990 (productie 2 bij conclusie van eis in eerste aanleg) is overgelegd, blijkt dat de bromfiets in het geheel niet was geregistreerd.

4.6 Nu geen van de in artikel 4 van het Verkeersongevallenverdrag omschreven gevallen zich hier voordoet, dient volgens de (hoofd-) regel van artikel 3 van dat verdrag de interne wet te worden toegepast van Turkije, omdat het ongeval op Turks grondgebied heeft plaatsgevonden.

4.7 Het hof acht de inhoud van het interne Turkse recht op het onderhavige punt onvoldoende betrokken in het tussen partijen gevoerde debat. Daarom heeft het opdracht verleend aan het Internationaal Juridisch Instituut te ’s-Gravenhage (IJI) om hierover te rapporteren. Het desbetreffende rapport van het IJI, van 22 april 2004, is aan dit arrest gehecht. Het hof stelt beide partijen in staat om zich over, en naar aanleiding van de inhoud van het IJI-rapport bij akteverzoek uit te laten, en wel gelijktijdig. Vervolgens kunnen partijen, wederom gelijktijdig, bij antwoordakte reageren op de akte van hun wederpartij. Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

alvorens nader te beslissen:

verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 15 juni 2004 voor aktes, gelijktijdig te verzoeken door elk van beide partijen;

verstaat dat elk van beide partijen vervolgens, wederom gelijktijdig, een antwoordakte zal kunnen nemen.

Dit arrest is gewezen door mrs Makkink, De Boer en Steenberghe en uitgesproken in tegenwoordigheid van griffier ter openbare terechtzitting op 18 mei 2004.