Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2004:AO9936

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-04-2004
Datum publicatie
25-05-2004
Zaaknummer
03-01567
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de Inspecteur terecht het verlies dat als persoonsgebonden aftrekpost in aanmerking kan worden genomen op grond van artikel 6:8 van de Wet, op nihil heeft gesteld en daarmee de aftrekpost heeft geweigerd.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 5.17
Wet inkomstenbelasting 2001 6.1
Wet inkomstenbelasting 2001 6.8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2004/38.1.2
FutD 2004-0975
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

Eerste meervoudige belastingkamer

nummer 03/1567 (inkomstenbelasting)

U i t s p r a a k

op het beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/[P] op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden verliesbeschikking.

1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

1.1. Bij brief van 2 september 2002 heeft de Inspecteur belanghebbende medegedeeld dat de omvang van het verlies dat als persoonsgebonden aftrekpost in aanmerking kan worden genomen op grond van artikel 6:8 van de Wet op de Inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet), door hem op nihil is gesteld.

1.2. Belanghebbende heeft tegen deze beschikking bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft het bezwaar bij de bestreden uitspraak afgewezen.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 16 maart 2004 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende alsmede de Inspecteur.

2. Feiten

2.1. Belanghebbendes zoon [X/a] is, in firmaverband met zijn echtgenote, op 15 september 1999 gestart met een handel in meubelen. De activiteiten werden bij aanvang uitgeoefend vanuit een pand te [Q] en vanaf september 2000 vanuit een pand te [R].

2.2. Op 3 september 1999 leent belanghebbende aan zijn zoon een bedrag van f. 13.200,- ter financiering van de eerste anderhalve maand huur van het bedrijfspand te [Q]. Op 12 mei 2000 wordt deze lening voor de helft afgelost zodat aan openstaande lening f. 6.600,- resteert.

2.3. Op 10 oktober 2000 leent belanghebbende aan zijn zoon een bedrag van f. 40.000,- ter financiering van de voorraden voor het in september 2000 in gebruik genomen bedrijfspand te [R]. Op deze lening is tot op heden niet afgelost.

2.4. Op 3 november 2000 heeft belanghebbende beide leningen aangeboden bij de Belastingdienst/Registratie en successie te [S], ter registratie.

2.5. Bij brief van 20 november 2000 heeft de Inspecteur verklaard dat belanghebbendes zoon een beginnend ondernemer is in de zin van de zogenoemde Agaathregeling en voorts dat die zoon in 1999 of het volgende jaar waarschijnlijk in aanmerking komt voor de zelfstandigenaftrek.

2.6. Eind 2000 heeft belanghebbendes zoon de bedrijfsactiviteiten gestaakt. Het (negatief) eigen vermogen bedraagt op dat moment -/- f. 100.151,- na verwerking van het bedrijfsresultaat (verlies) over 2000 ad -/- f. 156.234,-.

De overgebleven voorraden zijn teruggeleverd aan de leveranciers en alle crediteuren zijn voldaan met uitzondering van belanghebbende voor de restandschuld op beide bovengenoemde leningen ad (in totaal) f. 46.600,- alsmede met uitzondering van een ander familielid voor een vertrekte lening ad f. 30.000,-.

2.7. Bij brief van 15 november 2001 verzoekt belanghebbende ten aanzien van beide onder 2.2 en 2.3 genoemde leningen:

“Hierbij verzoek ik U een beschikking af te geven waarin staat dat de ondernemer het kwijt te schelden bedrag inderdaad niet meer kan terugbetalen”

2.8. Bij brief van 2 september 2002 heeft de Inspecteur belanghebbende medegedeeld dat het bedrag van het verlies dat als persoonlijke verplichting in aftrek kan worden gebracht door hem op nihil is gesteld omdat nog niet is gebleken dat terugbetaling van de lening onmogelijk is.

2.9. Tijdens een bespreking bij de Belastingdienst heeft de Inspecteur, bij wijze van compromis en ter finale afdoening van het geschil, belanghebbende aangeboden voor een deel van de verstrekte leningen alsnog aftrek toe te staan. Belanghebbende heeft dit compromisaanbod direct van de hand gewezen.

Tijdens deze bespreking heeft belanghebbende een berekening overgelegd (toegevoegd als bijlage 18 aan het verweerschrift) waaruit naar voren komt dat het bruto (gezins)in-komen in 2002 van belanghebbendes zoon en diens echtgenote € 67.820,- (f. 149.456,-) bedraagt.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de Inspecteur terecht het verlies dat als persoonsgebonden aftrekpost in aanmerking kan worden genomen op grond van artikel 6:8 van de Wet, op nihil heeft gesteld en daarmee de aftrekpost heeft geweigerd.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting ten aanzien van het gezamenlijke (gezins)inkomen van belanghebbendes zoon en diens echtgenote het volgende toegevoegd:

- belanghebbende: dit inkomen bedraagt ongeveer f. 140.000,- per jaar

- de Inspecteur: dit inkomen bedraagt ongeveer f. 150.000,- per jaar

Belanghebbende heeft daar voorts, zakelijk weergegeven, aan toegevoegd dat hij vanwege de familierelatie geen daadwerkelijke pogingen in het werk heeft gesteld om de uitstaande vordering te incasseren.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vaststelling van het onder 3.1 genoemde verlies op (naar het Hof begrijpt) f. 46.600,-.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Belanghebbendes beroep, voor zover dit ziet op de eerste lening ad f. 13.200,- faalt reeds daarom nu tussen partijen vast staat dat de lening is verstrekt ter financiering van de eerste anderhalve maand huur van het bedrijfspand te [Q].

Als beleggingen in durfkapitaal komen slechts in aanmerking leningen ter financiering van bestanddelen van het verplichte ondernemingsvermogen. Huurlasten zijn uitgaven die worden toegerekend aan het boekjaar waarop ze betrekking hebben en vervolgens ten laste van het resultaat worden geboekt, zoals ook blijkt uit de door belanghebbende bij het beroepschrift overgelegde jaarrekening. Met bedoelde lening is, zo begrijpt het Hof, de huurprijs over de tweede helft van september 1999 en de maandhuur over oktober 1999 gefinancierd. Van activering van huurlasten in enigerlei vorm, is niet gebleken. Alsdan is er geen sprake van financiering van het verplichte ondernemingsvermogen maar van financiering van lopende uitgaven die naar hun aard geen onderdeel uitmaken van het ondernemingsvermogen zodat de lening niet aan de voorwaarden voor durfkapitaal voldoet en de inspecteur terecht de gevraagde persoonsgebonden aftrekpost heeft geweigerd.

4.3. De in dit verband door belanghebbende ingenomen stelling dat bedrijfseconomisch geen verschil bestaat tussen huur en koop, kan het Hof niet volgen. Anders dan bij het door belanghebbende aangehaalde voorbeeld van een aangeschafte machine is in het onderhavige geval geen sprake van de aankoop van een winkelpand maar van de huur van een winkelpand en zijn, anders dan belanghebbende klaarblijkelijk meent, de daarmee samenhangende huurlasten niet gelijk te stellen aan de financieringslasten van een geactiveerd bedrijfsmiddel.

4.4. Belanghebbendes stelling dat zijn zoon verplicht was om anderhalve maand huur vooruit te voldoen, kan evenmin afdoen aan ’s Hofs oordeel. Het verplichte karakter van de vooruitbetaling brengt geen inhoudelijke wijziging van de daarvoor aangetrokken lening met zich mee.

4.5. Het Hof voegt hier volledigheidshalve aan toe dat, als er al sprake zou zijn geweest van een lening ter financiering van bestanddelen van het verplichte ondernemings-vermogen, dit belanghebbende niet had kunnen baten nu de lening niet binnen vier weken na het afsluiten ter registratie is aangeboden bij de Belastingdienst/Registratie en successie als gevolg van (zoals in het beroepschrift is onderkend) belanghebbendes 'onachtzaamheid'.

4.6. De opmerking van belanghebbende in het beroepschrift dat in de aanbiedingsbrief aan de Belastingdienst/Registratie en successie is aangegeven dat het ‘TAR-leningen’ betreft maakt dit niet anders.

Het is aan belanghebbende om akten tijdig ter registratie aan te bieden. Bij het (passief) registreren van aangeboden akten kan van de Belastingdienst niet gevergd worden dat de ter registratie aangeboden akten ook inhoudelijk worden beoordeeld en bijvoorbeeld op tijdige aanbieding worden getoetst. Zo belanghebbende zich met zijn opmerking wenst te beroepen op het vertrouwensbeginsel, kan het Hof daarom hem daarin niet volgen.

4.6. Ten aanzien van de tweede (onder 2.3 genoemde) lening ad f. 40.000,- overweegt het Hof als volgt.

4.7. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt met zich dat belanghebbende die aanspraak maakt op toepassing van een aftrekpost (in casu de persoonsgebonden aftrekpost ter zake van verlies op durfkapitaal in verband met kwijtschelding van een verstrekte lening) bij betwisting door de Inspecteur het bewijs levert van het bestaan en de omvang van bedoelde aftrekpost.

Tegenover de stellingname van de Inspecteur heeft belanghebbende niet of althans in onvoldoende mate bewezen dat sprake is van een in aanmerking te nemen aftrekpost. Zo is gesteld noch gebleken dat (een deel van) de lening door belanghebbende is kwijtgescholden. In zijn brief van 15 november 2001 spreekt belanghebbende slechts over een “kwijt te schelden bedrag”.

4.8. Het Hof overweegt voorts dat, als er al sprake zou zijn geweest van een daadwerkelijk kwijtgescholden bedrag, belanghebbende ter zitting heeft bevestigd dat er nimmer een poging is gedaan om de uitstaande vordering daadwerkelijk te innen. Nog daargelaten dat de debiteur een onroerende zaak in eigendom heeft waarbij op een eventuele overwaarde (waarvan het bestaan en de hoogte tussen partijen ter discussie staat) verhaal mogelijk is, staat tussen partijen vast dat het (gezins)inkomen van belanghebbende minimaal f. 140.000,- bedraagt. Het Hof is van oordeel dat dit inkomen ruim voldoende mogelijkheden biedt om - ook met inachtneming van de door belanghebbende gememoreerde (vaste) lasten - de openstaande vordering binnen een redelijke termijn te voldoen.

4.9. Gelet op het bovenstaande is het Hof van oordeel dat belanghebbende niet is geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat er sprake is van kwijtschelding of zelfs maar prijsgeving van niet meer voor verwezenlijking vatbare rechten, voortvloeiend uit de onder 2.2 en 2.3 genoemde vorderingen.

4.10. De loop van de procedure in belastingzaken brengt in beginsel mee dat eventuele onzorgvuldigheden in de totstandkoming en/of de motivering van de omstreden beschikking en/of de bestreden uitspraak op zichzelf niet tot vernietiging van die uitspraak en vermindering van de vastgestelde waarde kunnen leiden.

De door belanghebbende in dit verband aangevoerde klachten, waaronder het door de Inspecteur in eerste instantie afwijzen van het verzoek op basis van een door belanghebbendes zoon vastgestelde vraagprijs voor zijn woning, geven het hof -mede gelet op artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht- geen reden om in dezen anders te oordelen.

4.11. Belanghebbendes stelling dat de Inspecteur in ieder geval gebonden is aan zijn aanbod om f. 10.000,- is aftrek toe te laten, kan het Hof niet volgen.

Bedoeld aanbod heeft de Inspecteur gedaan ter finale afdoening van het geschil in het kader van onderhandelingen om tot een compromis te geraken. Nu belanghebbende dit voorstel zoals hij zelf formuleert in zijn beroepschrift ‘staande de vergadering’ heeft verworpen, is de Inspecteur in redelijkheid niet langer gebonden aan zijn voorstel. Het door belanghebbende in dit verband hanteren van de diskwalificaties ‘gesjacher’ en ‘dubieus voorstel’ miskent de mogelijkheid en de bereidheid bij de Inspecteur om op zakelijke en constructieve wijze een geschil op te lossen.

4.12. Hetgeen overigens nog door belanghebbende is aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.

4.13. Het beroep is ongegrond.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan op 28 april 2004 te Arnhem door mr. drs. Van Amsterdam, als voorzitter, mrs. Van Schie en N.E. Haas, beide vice-president, in tegenwoordigheid van mr. Jansen als griffier en op die datum door de voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, De voorzitter,

(D.N.N. Jansen) (A.M. van Amsterdam)

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroep-schrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt, is een griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.