Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2004:AO9930

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
15-04-2004
Datum publicatie
25-05-2004
Zaaknummer
02-04367
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In aanmerking genomen voormeld vermogen en het totale bedrag aan inkomsten en ontvangsten alsmede gelet op haar plaats in de samenleving, is naar het oordeel van het Hof geen sprake van zodanige behoeftigheid aan de zijde van de dochter dat belanghebbende redelijkerwijs zich gedrongen moest voelen de betaling van het bedrag van f 25.910 voor zijn rekening te nemen. Het Hof merkt hierbij op dat het vermogen van de dochter, indien zij voor het betalen van het bedrag van f 25.910 zelf een lening zou hebben moeten afsluiten, niet beneden de in de Algemene Bijstandswet gehanteerde norm voor een alleenstaande ouder zou zijn gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2004-0993
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

vijfde enkelvoudige belastingkamer

nummer 02/04367 (inkomstenbelasting)

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : [X]

te : [Z]

verweerder : de Inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren [P]

aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar

betreft : inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1999

nummer : [01.H.96]

mondelinge behandeling : met schriftelijke toestemming van partijen niet gehouden

gronden:

1.1. De Inspecteur heeft met dagtekening 19 oktober 2001 belanghebbende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1999 opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 131.726 (€ 59.774). Belanghebbende heeft daartegen op 26 oktober 2001 bij de Inspecteur bezwaar ingediend. De Inspecteur heeft op 26 november 2002 uitspraak gedaan.

1.2. Belanghebbende wijst erop dat de uitspraak niet is gedaan binnen de in artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen genoemde termijn van een jaar. Voorts klaagt hij erover dat de uitspraak onvoldoende is gemotiveerd. Hij neemt het standpunt in dat op grond van deze gebreken de uitspraak moet worden vernietigd.

1.3. Belanghebbende heeft in 1999 zijn dochter [X/a], geboren op 3 november 1957, financieel ondersteund. In dat jaar is de scheiding uitgesproken tussen zijn dochter en haar ex-echtgenoot.

1.4. Bij akte van scheiding en deling is aan de dochter toegescheiden: de echtelijke woning met een waarde vrij op naam van f 225.000 en de op de woning rustende hypothecaire schuld ad f 187.000. Door een lagere leencapiciteit van de dochter als gevolg van de scheiding eiste de bank het verlagen van de hypothecaire schuld tot f 165.000. In dat kader heeft belanghebbende zijn dochter op 3 november 1999, naar hij zelf stelt, een voorschot van f 22.000 verschaft. In 2001 heeft belanghebbende dit bedrag aan de dochter geschonken.

1.5. De dochter is 2,5 dag per week werkzaam als lerares van een basisschool. Haar inkomen in het onderhavige jaar bedroeg f 41.082. Blijkens het zich onder de stukken bevindende echtscheidingsconvenant bedraagt de bijdrage van haar ex-echtgenoot aan de kosten en verzorging van hun twee in 1996 en 1997 geboren kinderen die bij de dochter wonen f 300 per maand per kind.

1.6. Wegens overbedeling was belanghebbendes dochter een bedrag van f 25.910,02 aan haar voormalige echtgenoot verschuldigd. Belanghebbende heeft dit bedrag voor zijn dochter betaald.

1.7. Belanghebbende stelt dat hij zich redelijkerwijs gedrongen kon voelen aantasting van het vermogen van zijn dochter te voorkomen en heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting voor het jaar 1999 ter zake van de onder 1.6 vermelde financiële ondersteuning, met in achtneming van het in artikel 46, lid 1, onderdeel a, onder 2?, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 vermelde plafond, een bedrag van f 14.938 op zijn inkomen in mindering gebracht als uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van zijn dochter. De Inspecteur heeft dat bedrag niet in aftrek toegelaten.

2.1. Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen doet de Inspecteur in afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuurswet binnen een jaar na ontvangst van het bezwaarschrift uitspraak daarop. Vaststaat dat de Inspecteur de genoemde termijn van een jaar niet in acht heeft genomen. Gesteld noch gebleken is dat de Inspecteur beschikt over de toestemming tot verlenging van de termijn als bedoeld in het tweede lid van dat artikel.

2.2. De wet stelt geen sanctie op het niet tijdig doen door de Inspecteur van uitspraak op bezwaar. Ingevolge artikel 6:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Na ommekomst van de genoemde termijn van een jaar had belanghebbende derhalve de mogelijkheid beroep bij dit Hof in te stellen. De door belanghebbende in dit verband geformuleerde klachten geven het Hof geen reden de uitspraak van de Inspecteur te vernietigen.

Voorts brengt de loop van de procedure in belastingzaken mede dat eventuele gebreken in de motivering van de uitspraak van de Inspecteur niet tot vernietiging van die uitspraak kunnen leiden.

2.3. Bij aftrek van uitgaven voor levensonderhoud gaat het niet enkel om de voorziening in de eerste levensbehoeften, maar ook om datgene wat nodig is om de ondersteunde in staat te stellen tot het voeren van een redelijk bestaan overeenkomstig zijn/haar plaats in de samenleving. Voorts is van belang of degene die ondersteunt zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen aantasting van het vermogen van de ondersteunde te voorkomen.

2.4. Met betrekking tot het bedrag van f 22.000 dat belanghebbende in verband met de hypotheekverlaging in 1999 voor de dochter heeft betaald, heeft belanghebbende in een brief van 12 november 2001 aan de Inspecteur verklaard, dat sprake was van een voorschot op een latere schenking. Een lening was, aldus belanghebbende, niet aan de orde gelet op de leencapaciteit en de financiële lasten van de dochter.

2.5. Gelet op het voorgaande kan ervan worden uitgegaan dat de dochter in 1999 met de eigendom van de woning beschikte over een overwaarde van ongeveer (f 225.000 – f 165.000) f 60.000. Daarnaast genoot zij een inkomen van bruto

f 41.082 en ontving zij maandelijks van haar ex-man twee maal f 300 als bijdrage in het levensonderhoud van de bij haar wonende kinderen.

2.6. In aanmerking genomen voormeld vermogen en het totale bedrag aan inkomsten en ontvangsten alsmede gelet op haar plaats in de samenleving, is naar het oordeel van het Hof geen sprake van zodanige behoeftigheid aan de zijde van de dochter dat belanghebbende redelijkerwijs zich gedrongen moest voelen de betaling van het bedrag van f 25.910 voor zijn rekening te nemen. Het Hof merkt hierbij op dat het vermogen van de dochter, indien zij voor het betalen van het bedrag van f 25.910 zelf een lening zou hebben moeten afsluiten, niet beneden de in de Algemene Bijstandswet gehanteerde norm voor een alleenstaande ouder zou zijn gekomen.

proceskosten:

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

beslissing:

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan op 15 april 2004 door mr. J.B.H. Röben, lid van de vijfde enkelvoudige belastingkamer.

De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(J.L.M. Egberts) (J.B.H. Röben)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 30 april 2004

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het Gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.