Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2004:AO8239

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
13-04-2004
Datum publicatie
23-04-2004
Zaaknummer
21-004382-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich in een zeer lange periode en in ieder geval in een periode van ongeveer 3 maanden in 2001 en in een periode van ongeveer 10 maanden in 2002 schuldig heeft gemaakt aan een ware telefoonterreur. Hij heeft de twee aangevers en hun gezinsleden en werknemers op een zodanige manier telefonisch bedreigd dat ze zich geen moment meer veilig voelden in hun privé- en zakelijke omgeving.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-004382-03

Uitspraak dd.: 13 april 2004

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Zutphen van 17 september 2003 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 06-030184-00, in de strafzaak tegen

[VERDACHTE]

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 30 maart 2004 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen nu het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw recht doen.

De telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd dat:

(zie voor de inhoud van de dagvaarding bijlage II)

Indien in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen, dat verdachte het onder 1 primair telastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat telastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 subsidiair, 2 primair, 3 primair en 4 primair telastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 31 december 2001 tot en met 27 oktober 2002 in Nederland telkens wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [aangever 1] en/of diens echtgenote en/of diens broer en/of diens dochter, telkens met het oogmerk die [aangever 1] en/of diens echtgenote en/of diens broer en/of diens dochter vrees aan te jagen, immers heeft verdachte toen en daar telkens die [aangever 1] en/of diens echtgenote en/of diens broer en/of diens dochter veelvuldig telefonisch benaderd.

2.

hij op tijdstippen in de periode van 9 december 2001 tot en met 27 oktober 2002 in Nederland [aangever 2] en/of een of meer medewerkers van shoarmazaak [“----“] telkens heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte telkens dreigend voornoemde [aangever 2] en/of een of meer medewerkers van shoarmazaak [“----“] de woorden toegevoegd: "Ik maak je kapot" en/of "Je moet oppassen" en/of "Ik in Putten. Ik jouw auto en alles kapot maken" en/of "Één slagen en jij bent dood", althans telkens woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

3.

hij in de periode van 11 augustus 2001 tot en met 23 oktober 2001 in Nederland [aangever 1] en diens echtgenote en diens dochter telkens heeft bedreigd met verkrachting en met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte telkens opzettelijk dreigend voornoemde [aangever 1] de woorden toegevoegd: "Ik ga jou doodsteken" en/of "Ik ga jouw vrouw verkrachten" en/of "Ik ga jouw vrouw doodsteken" en/of "Ik ga een kind maken bij jouw dochter" en/of "Ik kom je wel even opzoeken met een paar vrienden van mij", althans telkens woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

4.

hij op tijdstippen in de periode van 9 augustus 2001 tot en met 11 oktober 2001 in Nederland [aangever 2] en of diens vrouw telkens heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht immers heeft verdachte telkens opzettelijk dreigend voornoemde [aangever 2] en of een of meer andere personen de woorden toegevoegd: "Ik kom morgen naar je toe en ga jou en jouw vrouw vermoorden" en ik ga [aangever 2] doodmaken", althans telkens woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is telastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Verdachte heeft ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan de bewezenverklaarde feiten. In verband hiermee overweegt het hof het volgende.

Uit het ambtsedig proces-verbaal onder nummer PL 0650/02-206487 opgemaakt door Johannes Blok, hoofdagent van politie en gesloten op 30 oktober 2002, is het hof het volgende gebleken.

In reeds eerder ingezonden dossiers werd meerdere malen aangifte gedaan door [aangever 1] en [aangever 2] betreffende bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht en/of telefonische belaging casu quo stalking.

Op 14 juni 2001 is er door de rechter aan verdachte 26 weken gevangenisstraf opgelegd waarvan 6 weken voorwaardelijk. Hierna zijn aangevers opnieuw telefonisch belaagd en bedreigd. Betreffende deze bedreigingen en belagingen hebben aangevers wederom aangifte gedaan. Naar aanleiding van deze aangiftes is de verdachte wederom aangehouden. Verdachte werd daarna in voorlopige hechtenis gesteld. Op 9 december 2001 werd verdachte in vrijheidgesteld.

Vanaf 10 januari 2002 zijn aangevers wederom telefonisch belaagd, gestalkt en bedreigd. Aangevers hebben andermaal aangifte gedaan. [Aangever 1] gaf aan dat hij door verdachte werd gebeld met behulp van telefoonnummer 06-.......... Naar aanleiding hiervan werd door de officier van justitie machtiging verleend tot het inwinnen van historische gegevens van dit telefoonnummer. Dit telefoonnummer bleek afgegeven te zijn aan verdachte.

In de periode van 24 juni 2002 tot 23 juli 2002 blijkt dat er met voornoemd 06 nummer in totaal 5732 maal is gebeld waarvan 92 maal naar de privé woning van [aangever 2] en 4572 maal naar de shoarmazaak [“----“] van [aangever 2] en 319 maal naar het mobiele nummer van [aangever 2]. Tevens blijkt dat er met genoemd 06 nummer 60 maal naar de privé woning van [aangever 1] is gebeld.

Uit de diverse aangiftes van [aangever 1] en [aangever 2] blijkt dat zij werden lastig gevallen door een persoon die zich [“----”] noemde.

De [aangever 1] stelt in één van zijn aangiftes dat hij en zijn gezin 7 jaren geleden via de kerk in contact zijn gekomen met verdachte. Verdachte verbleef toen in een asielzoekerscentrum in Ermelo en werd “verliefd” op de dochter van de familie van [aangever 1].

Genoemde dochter van de familie van [aangever 1] werkte destijds in de shoarma zaak van [aangever 2].

De beide aangevers verklaren in hun aangiftes dat ze verdachte overduidelijk herkennen aan zijn stem.

Ter zitting van het hof op 30 maart 2004 heeft verdachte verklaard dat zijn roepnaam ["----"] is.

Ter zitting van het hof ontkent verdachte in alle toonaarden zich schuldig te hebben gemaakt een deze telefoonterreur. De verklaringen van verdachte waarin hij zegt dat waarschijnlijk zijn neef en/of zijn zwager de telefonische bedreigingen hebben geuit worden op geen enkele manier onderbouwd en komen volstrekt ongeloofwaardig bij het hof over.

Het hof heeft tevens kennis genomen van het strafdossier onder parketnummer

06-030184-00 waarin verdachte veroordeeld is tot voormelde vrijheidsstraf van 26 weken waarvan 6 weken voorwaardelijk, en van welke 6 weken de officier van justitie tenuitvoerlegging heeft gevorderd. In die zaak had verdachte tegenover de politie bekend zich jegens [aangever 1] schuldig te hebben gemaakt aan telefonische bedreigingen. (Proces-verbaal onder mutatienummer PL1150/00-028293, dossier-paragraaf 2.1.2, opgemaakt door A.N.L. Deen, brigadier van politie en gesloten op 14 juni 2000).

Gelet op het vorenstaande acht het hof het volstrekt onaannemelijk dat, zoals verdachte ter zitting van het hof heeft verklaard, niet hij maar een zwager/neef van hem zich zou hebben schuldig gemaakt aan de telastegelegde bedreigingen en belagingen, temeer nu verdachte deze mogelijkheid op geen enkele wijze heeft kunnen onderbouwen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven

ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde:

belaging.

ten aanzien van het onder 2 primair bewezenverklaarde:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht,

meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 3 primair bewezenverklaarde:

bedreiging met verkrachting, meermalen gepleegd

en

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht,

meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 4 primair bewezenverklaarde:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht,

meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Omtrent verdachte is op 27 augustus 2003 een multidisciplinair rapport uitgebracht door J.M.J.F. Offermans, psychiater en E.H. Ameling, psycholoog, beiden verbonden aan de psychiatrische Observatiekliniek “Pieter Baan Centrum” te Utrecht.

Tevens is op 25 november 2002 een briefrapport opgemaakt van een voorgeleidingsconsult door M. Fluit, als psychiater verbonden aan de Forensisch psychiatrische dienst te Arnhem.

Bij de beslissing omtrent de strafbaarheid van verdachte heeft het hof overwegende waarde toegekend aan voornoemd rapport van het Pieter Baan Centrum.

Hierbij speelt een rol dat het rapport van het Pieter Baan Centrum een multidisciplinair rapport betreft dat is opgemaakt na een observatie.

De beschouwing van psycholoog E.H. Ameling luidt -zakelijk weergegeven- als volgt.

Bij betrokkene kon door zijn weigerachtige opstelling geen stoornis aannemelijk worden gemaakt. Evenmin echter kan een stoornis worden uitgesloten. Betrokkene presenteerde zich als een voorkomende, beleefd glimlachende man met een gemiddelde intelligentie die bij voortduring vraagtekens opriep met betrekking tot de betrouwbaarheid van zijn antwoorden. Betrokkene is gedurende het onderzoek niet uit zijn rol gevallen. Op geen moment is hij onaangepast boos geworden. Hij is consequent gebleven in het leveren van tegenstrijdige gegevens en ontkenningen. Dat duidt op een redelijke controle en niet direct op een stoornis. Anderzijds wijst het milieuonderzoek wel op de mogelijkheid dat hij ander gedrag kan laten zien, evenals de rapportage van de psychiater. Een en ander echter is onvoldoende om een eventuele stoornis te kunnen onderbouwen en daardoor kan ook geen relatie worden gelegd tussen een stoornis en de hem telastegelegde feiten.

De beschouwing van psychiater J.M.J.F. Offermans luidt -zakelijk weergegeven- als volgt.

Uit het psychiatrisch, psychologisch, internistisch en neurologisch onderzoek kwamen gen aanwijzingen naar voren voor (hersen)organische afwijkingen. Betrokkene werd ervaren als een nogal ongenaakbare en in ieder geval onbereikbare man, die getuige zijn uiteenlopende verklaringen nogal uiteenlopende en tegenstrijdige mededelingen deed, zo hij al informatie gaf. De discrepanties in zijn uitspraken waren -voorzover te beoordelen- op generlei wijze te herleiden tot een psychotisch proces. Ofschoon er zowel uit het milieuonderzoek als uit de contacten van onderzoeker met betrokkene wel aanknopingspunten waren om in ieder geval persoonlijkheidspathologie en zelfs een psychiatrische stoornis in engere zin niet uit te sluiten, was het onderhavige psychiatrische- evenals het psychologische-onderzoek door betrokkenes grotendeels weigerachtige opstelling niet toereikend om een uitspraak te doen over de aanwezigheid van een persoonlijkheidsstoornis, evenmin over de mogelijkheid van een psychiatrische stoornis in engere zin.

Het hof neemt de beschouwing van het Pieter Baan Centrum over en maakt die tot zijn oordeel.

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft de verdachte ter zake van bedreiging met verkrachting, bedreiging met zware mishandeling, bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en bedreiging met openlijk geweld veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden en heeft voorts bevolen dat verdachte ter beschikking wordt gesteld, met het bevel tot verpleging van overheidswege. Tevens heeft de rechtbank de tenuitvoerlegging gelast van 6 weken gevangenisstraf voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Zutphen van 14 juni 2001. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte, eveneens ter zake van de feiten waarvoor verdachte door de rechtbank werd veroordeeld, wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren met tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 weken.

Het hof acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden- dat verdachte zich in een zeer lange periode en in ieder geval in een periode van ongeveer 3 maanden in 2001 en in een periode van ongeveer 10 maanden in 2002 schuldig heeft gemaakt aan -eenvoudig gezegd- een ware telefoonterreur. Hij heeft de twee aangevers en hun gezinsleden en werknemers op een zodanige manier telefonisch bedreigd dat ze zich geen moment meer veilig voelden in hun privé- en zakelijke omgeving. Verdachte heeft zo een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers.

In het nadeel van verdachte laat het hof verder mee wegen dat verdachte reeds eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten ten opzichte van dezelfde slachtoffers.

De door de advocaat-generaal gevorderde straf doet naar het oordeel van het hof onvoldoende recht aan de aard en de ernst van de feiten. Het hof zal verdachte mede in het kader van de maatschappelijke beveiliging veroordelen tot een hogere straf dan is gevorderd.

Overwegende met betrekking tot de bij vonnis van de rechtbank te Zutphen van 17 september 2003 opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging.

Het rapport van het Pieter Baan Centrum heeft geresulteerd in de navolgende conclusie.

Aangezien betrokkene toch gedurende geruime tijd door de groepsleiding geobserveerd werd en in het kader van het milieuonderzoek er met enkele referenten gesproken werd, hebben wij gemeend een zo volledig en getrouw mogelijke weergave van de observaties van de groepsleiding alsmede van het milieuonderzoek te doen. Betrokkenes afwerende en weigerachtige houding tijdens respectievelijk het psychologisch en psychiatrisch onderzoek biedt ons echter geen mogelijkheid een uitspraak te doen over een eventuele stoornis en uiteraard ook niet over het verband tussen deze eventuele stoornis en het telastegelegde, zodat niet alleen een conclusie over de mate van toerekeningsvatbaarheid, maar ook een mogelijk begeleidings- of behandelingsadvies achterwege moet blijven.

Gezien de bevindingen en de conclusie van het Pieter Baan Centrum en het ontbreken van overige gegevens dienaangaande, kan het hof niet tot het oordeel komen dat bij de verdachte tijdens het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Dit betekent dat het hof geen terbeschikkingstelling kan gelasten.

Vordering tenuitvoerlegging

Het hof is ten aanzien van de vordering van de officier van justitie te Zutphen van 7 januari 2003, tot tenuitvoerlegging van het bij vonnis van de Politierechter te Zutphen van 14 juni 2001 opgelegde voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf, van oordeel, dat -nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt- de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis, dient te worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14g, 14h, 14i, 14j, 57, 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 1 primair telastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het onder 1 subsidiair, 2 primair, 3 primair en 4 primair telastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is telastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren en 6 (zes) maanden.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de tot dan toe ondergane verzekering en voorlopige hechtenis gelijk zal zijn aan die van de opgelegde gevangenisstraf.

tenuitvoerlegging

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorzover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Zutphen van 14 juni 2001, te weten van:

gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) weken.

Aldus gewezen door

mr Van Kuijck, voorzitter,

mrs Schimmelpenninck-Mulder en Boerwinkel, raadsheren,

in tegenwoordigheid van Van Lieshout-Witjes, griffier,

en op 13 april 2004 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Schimmelpenninck-Mulder is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.