Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2004:AO8138

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
27-01-2004
Datum publicatie
23-04-2004
Zaaknummer
B03/712
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Adoptieverzoek door personen van hetzelfde geslacht met een geregistreerd partnerschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 januari 2004

Familiekamer

Rekestnummer 712/2003

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Beschikking

in de zaak van:

[verzoeker sub 1],

en

[verzoeker sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

verzoekers, verder te noemen "[verzoeker sub 1]" respectievelijk "[verzoeker sub 2]",

procureur mr J.M.J. Huver.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank te Zwolle van 30 juni 2003, uitgesproken onder zaaknummer 79701 / FA RK 02-2751.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 30 september 2003, zijn [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Zij verzoeken het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad de adoptie uit te spreken door [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] van [R.], oorspronkelijk genaamd [B.], geboren op 9 juni 2001 te Philadelphia, Pennsylvania, Verenigde Staten van Amerika als zoon van [verzoeker sub 1] en te verstaan dat [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] hebben verklaard dat de minderjarige ook naar Nederlands recht de geslachtnaam van [verzoeker sub 1] zal dragen, opdat de volledige namen van de minderjarige naar Nederlands recht zullen (blijven) luiden: [R.].

2.2 De mondelinge behandeling heeft op 4 december 2003 plaatsgevonden. [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] zijn in persoon verschenen bijgestaan door mr N.J.W.G. Simons, advocaat te Arnhem. Namens de Raad voor de Kinderbescherming te Arnhem (verder: de raad) is mr W. Blok verschenen.

2.3 Het hof heeft kennis genomen van de overige stukken, waaronder een brief van de advocaat van [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] binnengekomen ter griffie van het hof op 27 november 2003. Het hof heeft geen kennisgenomen van de na het sluiten van de mondelinge behandeling ongevraagd toegezonden brieven van die advocaat van 24 december 2003 en 14 januari 2004.

3 De vaststaande feiten

3.1 [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] zijn van hetzelfde geslacht en hebben sinds 1989 een affectieve relatie. Zij zijn op 16 november 1999 een geregistreerd partnerschap aangegaan.

3.2 [verzoeker sub 1] heeft op 13 januari 1999 de Minister van Justitie verzocht om ingevolge de Wet Opneming Buitenlandse Kinderen ter Adoptie (verder: Wobka) een beginseltoestemming af te geven om een kind te kunnen adopteren. De minister heeft deze toestemming op 21 juni 2000 verleend.

3.3 Op 9 juni 2001 is te Philadelphia, Pennsylvania, Verenigde Staten van Amerika, [B.] geboren uit [...]. Zij heeft dit kind ter adoptie aangeboden.

3.4 Het Court of Common Please of Philadelphia County, Family Court Division heeft bij uitspraak van 29 juni 2001 [verzoeker sub 1] toestemming gegeven een paspoort aan te vragen voor [B.] op naam van [R.]. Deze minderjarige is voor latere adoptie overgedragen aan [verzoeker sub 1].

3.5 Bij uitspraak van voornoemde gerechtelijke instantie van 3 mei 2002 is de adoptie van [R.] door [verzoeker sub 1] uitgesproken, naar het recht van Pennsylvania, Verenigde Staten van Amerika.

3.6 Bij beschikking van de rechtbank te Zwolle sector kanton van 20 januari 2003 is naast [verzoeker sub 1] eveneens [verzoeker sub 2] benoemd tot voogd over [R.]. Daarbij is voorts bepaald dat de voogdij door hen beiden gezamenlijk zal worden uitgeoefend.

3.7 Bij verzoekschrift ingekomen ter griffie van de rechtbank te Zwolle op 27 september 2002 hebben [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] verzocht de adoptie van [R.] door hen beiden uit te spreken. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank dit verzoek afgewezen.

4 De motivering van de beslissing

4.1 Het hof dient te beoordelen of aan alle wettelijke vereisten is voldaan om de adoptie van [R.] door [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] uit te spreken. Hiertoe overweegt het hof als volgt.

Uit artikel 1:228 lid 1 onder f BW blijkt dat onder meer aan een van de volgende voorwaarden moet zijn voldaan:

a) de adoptant heeft het kind ten minste drie aaneengesloten jaren verzorgd en opgevoed of

b) in geval van adoptie door twee personen tezamen, dienen zij het kind gedurende ten minste een jaar te hebben verzorgd en opgevoed;

c) indien de echtgenoot, geregistreerd partner of andere levensgezel van de ouder het kind adopteert, geldt dat de adoptant en die ouder het kind gedurende ten minste een jaar hebben verzorgd en opgevoed.

[verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] verzoeken de adoptie van [R.] uit te spreken op basis van het hiervoor genoemde onder b, nu zij tezamen [R.] gedurende ten minste een jaar hebben verzorgd en opgevoed.

4.2 Ter beoordeling van het verzoek van [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] is het volgende van belang. Bij wet van 21 december 2000 tot wijziging van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (adoptie door personen van hetzelfde geslacht) (Stb. 2001, 10), welke wet bij besluit van 20 maart 2001 op 1 april 2001 in werking is getreden (Stb. 2001, 145), zijn onder meer de artikelen 1:227 en 1:228 BW gewijzigd.

In de Memorie van Toelichting van deze wet (Kamerstukken II 1998-1999, 26 673, nr. 3 p. 3) is voor zover hier van belang het volgende te lezen:

"De reden waarom niet wordt voorgesteld ook de mogelijkheden van interlandelijke adoptie uit te breiden, is dat er bij de interlandelijke adoptie andere feiten en omstandigheden zijn waarmee rekening dient te worden gehouden. Er is in 1997 onderzoek gedaan door het Ministerie van Justitie naar de wetgeving inzake interlandelijke adoptie en de toepassing daarvan in de praktijk in een zestal landen vanwaar kinderen naar Nederland toekomen (landen van herkomst) en in een zestal landen waar deze kinderen worden opgenomen (landen van opvang). Uit dit onderzoek blijkt dat de praktijk een sterke voorkeur laat zien voor interlandelijke adoptie door een echtpaar. Interlandelijke adoptie door één persoon alleen komt slechts weinig voor. In het uit 1993 daterende Haagse Verdrag inzake interlandelijke adoptie, dat op 1 oktober 1998 voor Nederland in werking is getreden, is na uitgebreide discussies tijdens de onderhandelingen gekozen voor een beperking van het bereik van het Verdrag tot adoptie door echtgenoten of door één persoon. Aan deze keuze kan een belangrijk argument worden ontleend voor het antwoord op de vraag welke adoptievormen internationaal algemeen worden aanvaard. Gelet op de huidige internationale verhoudingen, zoals hiervoor aangegeven, is het niet aangewezen om interlandelijke adoptie door twee personen van hetzelfde geslacht te bevorderen."

4.3 In het licht van deze Memorie van Toelichting kan het verzoek van [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] om de adoptie uit te spreken op grond van het hiervoor onder 4.1 onder b. niet worden toegewezen. [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] voeren daartegen aan dat de standpunten in de Tweede Kamer zijn gewijzigd en dat indien interlandelijke adoptie door personen van hetzelfde geslacht in de Tweede Kamer ter discussie wordt gesteld er een kamermeerderheid voor een wijziging van de wet is. Hiertoe hebben [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] een aantal producties met standpunten van verschillende kamerfracties overgelegd. Deze standpunten komen er samengevat op neer dat in het belang van het kind de adoptie van een paar van gelijk geslacht na een jaar moet kunnen worden uitgesproken en het kind in familierechtelijke betrekking komt te staan tot de adoptiefouders. De staatssecretaris heeft zich echter voorgenomen in 2005 een nieuw onderzoek in te stellen naar de standpunten op basis van de bevindingen in de praktijk.

Het hof is van oordeel dat zolang de wet nog niet is gewijzigd en de staatssecretaris zijn standpunt - zoals dat uit voormelde Memorie van Toelichting blijkt - niet heeft herzien, er geen mogelijkheid aanwezig is om in strijd met de duidelijke strekking van de wet de gevraagde adoptie thans uit te spreken. Zolang de wetgever niet overgaat tot wijziging van de wet kan [verzoeker sub 1] ingevolge artikel 1:228 BW eerst na gedurende drie jaar [R.] te hebben verzorgd en opgevoed de rechtbank verzoeken de adoptie uit te spreken (op basis van het voormelde 4.1 onder a) en een jaar nadien zal [verzoeker sub 2] (op basis van 4.1 onder c) de adoptie kunnen verzoeken. Een verzoek zoals het onderhavige gaat de rechtsvormende taak van de rechter naar het oordeel van het hof te buiten, temeer nu het hier om een wettelijke regeling van recente datum gaat.

4.4 Op 1 januari 2004 is de Wet conflictenrecht adoptie, hierna te noemen "WCAd", in werking getreden. [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] verzoeken het hof om te anticiperen op deze wet en ook daarom de verzochte adoptie uit te spreken. Zij stellen in dit kader dat uit artikel 3 van deze wet voortvloeit dat het Nederlandse recht van toepassing is en dat op basis daarvan de verzochte adoptie dient te worden uitgesproken. Gelet op het hiervoor onder 4.3 overwogene is het hof van oordeel dat het Nederlandse recht het uitspreken van de verzochte adoptie thans niet mogelijk maakt. Ingevolge artikel 7 WCAd kan een buitenlands gegeven beslissing waarbij een adoptie tot stand is gekomen en die is uitgesproken door een ter plaatse bevoegde autoriteit van de vreemde staat waar het kind zowel ten tijde van het verzoek tot adoptie als ten tijde van de uitspraak zijn gewone verblijfplaats had, terwijl de adoptiefouders hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden, worden erkend indien - onder meer - de bepalingen van de Wobka in acht zijn genomen.

Het hof merkt allereerst op dat de door de Amerikaanse rechter op 3 mei 2002 uitgesproken adoptie alleen op [verzoeker sub 1] betrekking heeft. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] uitdrukkelijk verklaard dat hun verzoek niet dient te worden opgevat als strekkende tot het uitspreken van een eenouderadoptie door [verzoeker sub 1]. [verzoeker sub 1] heeft weliswaar de ingevolge de Wobka vereiste beginseltoestemming verkregen, maar dat geldt niet voor [verzoeker sub 2]; artikel 1 Wobka verstaat onder aspirant-adoptiefouders immers echtgenoten van verschillend geslacht of een persoon die een buitenlands kind met het oog op adoptie wensen op te nemen of hebben opgenomen. Aan het voormelde vereiste van artikel 7 WCAd is dan ook niet voldaan.

4.5 Op grond van het voorgaande is het hof evenals de rechtbank van oordeel dat het verzoek van [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] tot adoptie van [R.] moet worden afgewezen.

4.6 Het hof zal het tweede deel van het in 2.1 vermelde verzoek omtrent de geslachtsnaam van [R.] ook afwijzen omdat partijen bij dit verzoek geen belang hebben.

4.7 [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] hebben in hun aanvulling op het beroepschrift een verklaring voor recht verzocht dat de in de Verenigde Staten opgemaakte geboorte akte vatbaar is voor opneming in (het hof begrijpt) het desbetreffende register van de burgerlijke stand, in het bijzonder het geboorteregister, en wel op grond van artikel 26 leden 1 en 2 BW, zulks voorzover het hof op de WCAd zou willen anticiperen. Uit het vooroverwogene blijkt dat de voorwaarde niet is vervuld. Het verzoek kan dus niet worden toegewezen.

5 De slotsom

Op grond van hetgeen hierboven is overwogen dient de beschikking te worden bekrachtigd. De in hoger beroep gedane verzoeken zullen worden afgewezen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank te Zwolle van 30 juni 2003;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs Van Ginhoven, Van Ginkel en Wammes en is op 27 januari 2004 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.