Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2004:AO7649

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-01-2004
Datum publicatie
15-04-2004
Zaaknummer
B03/599
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alimentatiegeschil

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

20 januari 2004

Familiekamer

Rekestnummer 599/2003

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Beschikking

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in het principaal beroep,

verweerder in het incidenteel beroep,

verder te noemen “de man”,

procureur mr F.J. Boom,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in het principaal beroep,

verzoekster in het incidenteel beroep,

verder te noemen “de vrouw”,

procureur mr J.C.N.B. Kaal.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank te Zutphen van 7 mei 2003, uitgesproken onder zaaknummer 49452 FARK 02/1744.

2 Het geding in het principaal en het incidenteel beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 7 augustus 2003, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De man verzoekt het hof die beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen voor zover het de vastgestelde bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw betreft en, opnieuw beschikkende, het verzoek van de vrouw tot vaststelling van die bijdrage alsnog af te wijzen, danwel die bijdrage vast te stellen op nihil, danwel op een lager bedrag dan door de rechtbank is vastgesteld.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 22 september 2003, heeft de vrouw het verzoek in hoger beroep van de man bestreden. Daarbij heeft de vrouw tevens incidenteel beroep ingesteld. Zij verzoekt het hof bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, in het principaal beroep de door de man gestelde grieven, met uitzondering van de grief die betrekking heeft op haar vakantiegeld, te verwerpen en in het incidenteel beroep de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover het de vastgestelde bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van € 812,- per maand betreft en, opnieuw beschikkende, de door de man met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking te betalen bijdrage vast te stellen op € 1.350,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, althans op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht, kosten rechtens.

2.3 De man heeft geen verweerschrift in het incidenteel beroep ingediend.

2.4 De mondelinge behandeling heeft op 23 december 2003 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, de man bijgestaan door mr E.F.E. van Essen, advocaat te Apeldoorn, en de vrouw bijgestaan door mr R. van Coolwijk, eveneens advocaat te Apeldoorn.

2.5 Het hof heeft kennis genomen van de overige stukken, waaronder een brief van de advocaat van de vrouw van 15 december 2003 met bijlagen. Voorts heeft het hof kennis genomen van het -tijdens de mondelinge behandeling- voorgedragen “verweer-schrift in incidenteel appèl” met bijlagen.

3 De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 Partijen zijn op 19 juni 1980 op huwelijkse voorwaarden, inhoudende uitsluiting van iedere gemeenschap, met elkaar gehuwd.

3.2 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 20 augustus 2003 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.3 Uit het huwelijk van partijen zijn geen kinderen geboren.

3.4 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank voorts bepaald dat de man met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw een bedrag van € 812,- per maand zal betalen.

Ten aanzien van de man

3.5 De man, geboren op 20 juli 1950, is alleenstaand. Hij is werkzaam als allround medewerker hulpverlening bij [...] (verder te noemen “[...]”) gedurende 18 uur per week (3 dagen van zes uur). Daarnaast ontvangt de man vanaf 16 oktober 2003 een WAO-uitkering van € 857,- bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag. De man bezit een aandelenpakket, waarvan de waarde op 31 december 2002 € 32.768,28 bedroeg. De man is tegen ziektekosten verzekerd krachtens de Ziekenfondswet.

3.6 De lasten van de man bedragen per maand:

- € 416,- aan hypotheekrente;

- € 95,- aan overige eigenaarslasten.

Het eigenwoningforfait van de woning bedraagt € 962,- per jaar.

Ten aanzien van de vrouw

3.7 De vrouw, geboren op 17 april 1953, is alleenstaand. Zij werkt sinds 1975 als administratief medewerkster bij [...] (verder te noemen “[...]”), aanvankelijk fulltime en sinds 1990 gedurende 20 uur per week. Blijkens de salarisspecificaties over de maanden september tot en met november 2003 bedraagt het inkomen van de vrouw bij [...] € 1.306,- bruto/

€ 951,74 netto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag. Daarnaast is de vrouw werkzaam als zelfstandige in de thuiszorg, laatstelijk gedurende 6 uur per week. Haar inkomen uit deze arbeid bedraagt € 235,- netto per maand. De vrouw is tegen ziektekosten verzekerd krachtens de Ziekenfondswet.

3.8 De lasten van de vrouw bedragen per maand:

- € 375,83 aan hypotheekrente;

- € 95,- aan overige eigenaarslasten.

Het eigenwoningforfait van de woning bedraagt € 795,- per jaar.

4 De motivering van de beslissing

4.1 In geschil is de door de rechtbank met ingang van 20 augustus 2003 vastgestelde bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw van € 812,- per maand.

4.2 Partijen zijn verdeeld over de hoogte van de behoefte van de vrouw aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud.

Het hof stelt de behoefte van de vrouw vast op basis van het besteedbaar gezinsinkomen tijdens het huwelijk, dat afgerond € 3.338,- netto per maand bedroeg. Van dit besteedbaar inkomen wordt het werkgeversdeel van de premie Ziekenfondswet van zowel de man als de vrouw afgetrokken, dat is tot 16 oktober 2003 afgerond € 240,- per maand en vanaf die datum afgerond € 158,- per maand met als uitkomst een bedrag tot 16 oktober 2003 van € 3.098,- per maand en vanaf die datum € 3.180,- per maand, omdat die bedragen de inkomens zijn waarover daadwerkelijk wordt beschikt. Het hof deelt laatstgenoemde bedragen door de helft en verhoogt deze bedragen vervolgens met 20%, hetgeen betekent dat de behoefte van de vrouw tot 16 oktober 2003 op € 1.859,- per maand en vanaf 16 oktober 2003 op € 1.908,- per maand kan worden gesteld. Naar het oordeel van het hof kan de vrouw voor een deel in die aldus berekende behoefte voorzien door haar huidige inkomsten uit loondienst van € 1.000,- netto per maand, inclusief vakantietoeslag, en als zelfstandige van € 235,- netto per maand, dus in totaal € 1.235,- netto per maand. Het hof houdt aan de zijde van de vrouw geen rekening met de opbrengst van het vermogen waarover zij (net als de man) beschikte na verkoop van de voormalige echtelijke woning, nu zij dit vermogen heeft besteed aan de aankoop van een woning met een redelijke woonlast tot gevolg. Het hof begroot de behoefte van de vrouw derhalve tot 16 oktober 2003 op € 624,- netto per maand, welk bedrag gebruteerd neerkomt op € 1.039,- per maand en vanaf 16 oktober 2003 op € 673,- netto per maand, welk bedrag gebruteerd neerkomt op € 1.119,- per maand.

4.3 Anders dan de man is het hof van oordeel dat het gezien de leeftijd van de vrouw (thans 50 jaar) en de huidige situatie op de arbeidsmarkt niet aannemelijk is dat zij in staat is op afzienbare termijn geheel of voor een belangrijker deel in haar eigen levensonderhoud te voorzien door haar huidige werkzaamheden in loondienst en/of als zelfstandige uit te breiden.

Dat de vrouw behoefte heeft aan een door de man te betalen aanvullende bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud staat daarmee, mede gelet op de welstand tijdens het huwelijk, naar het oordeel van het hof voldoende vast.

4.4 Partijen zijn voorts verdeeld over de draagkracht van de man.

4.5 Het hof gaat bij de vaststelling van de draagkracht van de man uit van de hiervoor onder 3.5 en 3.6 vermelde financiële gegevens, voor zover daarover hierna niet anders wordt geoordeeld.

4.6 Het hof is van oordeel dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn salaris bij [...] tot 16 oktober 2003 € 2.045,20 bruto per maand bedroeg, te vermeerderen met vakantietoeslag, een toeslag van € 209,65 bruto per maand, twee persoonlijke toeslagen van in totaal € 191,08 bruto per maand en een onregelmatigheidstoeslag (verder te noemen “ort”) van € 268,35 bruto per maand.

Voorts acht het hof in voldoende mate door de man aangetoond dat zijn salaris vanaf 16 oktober 2003 € 1.118,14 bruto per maand bedraagt, te vermeerderen met vakantietoeslag en een ort van € 139,77 bruto per maand en dat hij daarnaast een WAO-uitkering ter hoogte van € 857,- bruto per maand ontvangt, eveneens te vermeerderen met vakantietoeslag. Over de gehele periode van belang houdt het hof daarnaast rekening met een door de man te ontvangen gratificatie van € 2.709,- bruto per jaar, dat is € 225,75 bruto per maand.

4.7 Evenals de rechtbank houdt het hof aan de zijde van de man rekening met een inkomen uit vermogen van -omgerekend- € 1.146,89 per jaar, dat is € 95,57 per maand, nu de man hiertegen geen grief heeft gericht.

4.8 Met de door de man opgevoerde herinrichtingskosten van € 150,- per maand houdt het hof geen rekening, nu de man onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij deze kosten heeft gemaakt, niet heeft aangetoond dat hij terzake een lening heeft afgesloten en bovendien over voldoende vermogen beschikt om dergelijke kosten te betalen.

4.9 Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden en gelet op de fiscale consequenties van een en ander acht het hof de man in de periode van 20 augustus 2003 tot 16 oktober 2003 in staat als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw een bedrag van € 727,- per maand te betalen en vanaf 16 okto-ber 2003 een bedrag van € 485,- per maand. Het hof heeft berekend en hierbij in aanmerking genomen dat de vrouw na ontvangst van deze bijdragen niet in een financieel betere positie komt te verkeren dan de man.

5 De slotsom

5.1 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te vernietigen.

5.2 Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank te Zutphen van 7 mei 2003, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw over de periode van 20 augustus 2003 tot 16 oktober 2003 als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud een bedrag van € 727,- per maand zal betalen en vanaf 16 oktober 2003 een bedrag van € 485,- per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs Van Ginkel, Wammes en Van Maas de Bie en is op 20 januari 2004 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.