Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2004:AO7642

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-01-2004
Datum publicatie
15-04-2004
Zaaknummer
B03/589 en 03/592
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alimentatiegeschil

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 januari 2004

Familiekamer

Rekestnummer 589/2003 en 592/2003

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Beschikking

in de zaak met rekestnummer 589/2003 van:

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verzoekster, verder te noemen “de vrouw”,

procureur mr P.M. Wilmink,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

verweerder, verder te noemen “de man”,

procureur mr T.J. van Veen,

en in de zaak met rekestnummer 592/2003 van:

[de man],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen “de man”,

procureur mr T.J. van Veen,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen “de vrouw”,

en

[2e kind] ,

wonende te [woonplaats],

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen “[2e kind]”,

en

[1e kind] ,

wonende te [woonplaats],

verweerster in het principaal hoger beroep,

verder te noemen “[1e kind]”,

procureur mr P.M. Wilmink.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank te Arnhem van 6 mei 2003, uitgesproken onder zaak/rekestnummer 91504 / FA RK 02-12398, 91507 / FA RK 02-12399 en 91508 / FA RK 02-12400.

2 Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

In de zaak met rekestnummer 589/2003

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen per fax ter griffie van het hof op 4 augustus 2003, is de vrouw in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Zij verzoekt het hof bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad die beschikking te vernietigen voor zover het de nihilstelling betreft van de alimentatie van de vrouw en deze te wijzigen aldus dat de man aan de vrouw maandelijks en bij vooruitbetaling per 1 november 2002 een bedrag van € 600,- dient te voldoen, althans met ingang van de datum die het hof juist acht.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 1 oktober 2003, heeft de man het verzoek in hoger beroep van de vrouw bestreden. Hij verzoekt het hof bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren dan wel haar haar verzoek als ongegrond en onbewezen te ontzeggen.

In de zaak met rekestnummer 592/2003

2.3 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 6 augustus 2003, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Hij verzoekt het hof die beschikking te vernietigen voor zover dit de alimentatie voor de vier kinderen betreft en bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat de man met ingang van de datum waarop hij alimentatie voor [3e kind] gaat betalen -1 juli 2003- met een bedrag van € 269,- per kind per maand zal moeten bijdragen in de kosten van hun levensonderhoud en studie/verzorging en opvoeding en de vrouw te veroordelen om het bedrag dat de man als alimentatie voor de vrouw heeft betaald vanaf 1 november 2002 tot en met 30 april 2003, te weten een bedrag van € 2.560,88 binnen een week na betekening van de beschikking aan hem terug te betalen.

2.4 Bij verweerschrift, ingekomen per fax ter griffie van het hof op 2 oktober 2003, heeft de vrouw het verzoek in hoger beroep van de man bestreden. Daarbij heeft zij tevens incidenteel beroep ingesteld. Zij verzoekt het hof bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad in het principaal hoger beroep de verzoeken van de man niet-ontvankelijk te verklaren, althans af te wijzen en in het incidenteel hoger beroep de bestreden beschikking betreffende de nihilstelling van de alimentatie van de vrouw te vernietigen en te bepalen dat de man aan de vrouw bij vooruitbetaling dient te voldoen een bedrag van € 600,- per maand met ingang van 1 november 2002 althans een bedrag dat het hof juist acht alsmede de datum van wijziging te bepalen op 1 november 2002 als een bijdrage hoger dan € 416,- per maand en op 6 mei 2003 als een bedrag lager dan € 432,- per maand wordt vastgesteld.

2.5 Bij verweerschrift, ingekomen per fax ter griffie van het hof op 2 oktober 2003, heeft [2e kind] het verzoek in hoger beroep van de man bestreden. Daarbij heeft zij tevens incidenteel beroep ingesteld. Zij verzoekt het hof bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad in het principaal hoger beroep de verzoeken van de man niet-ontvankelijk te verklaren, althans af te wijzen en in het incidenteel hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het de kennelijke typefout betreft en te bepalen dat de man met ingang van 1 november 2002 aan haar als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie maandelijks bij vooruitbetaling dient te voldoen een bedrag van € 325,-.

2.6 Daarop heeft de man in de incidentele beroepen een verweerschrift ingediend, ingekomen per fax ter griffie van het hof op 29 oktober 2003, waarin hij het hof verzoekt de vrouw en [2e kind] in hun verzoeken in het incidenteel beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel hen die verzoeken als ongegrond en onbewezen te ontzeggen, kosten rechtens.

In beide zaken

2.7 De mondelinge behandeling heeft in beide zaken gevoegd op 18 december 2003 plaatsgevonden. De man en de vrouw zijn in persoon verschenen, de vrouw bijgestaan door mr E.D.B. Groeneweg, advocaat te Utrecht, en de man bijgestaan door mr M.W. Riezebosch, advocaat te Ede.

2.8 De hierna te noemen minderjarige [3e kind] heeft bij brief van 14 november 2003 haar mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek met rekestnummer 592/2003.

2.9 Het hof heeft kennis genomen van de overige stukken, waaronder een faxbericht van 2 oktober 2003 van de procureur van de vrouw waarin deze bericht dat in de zaak met rekestnummer 592/2003 namens [1e kind] geen verweer wordt gevoerd, een brief van mr Groeneweg van 9 december 2003 met bijlagen, waaronder een schrijven van de kinderen van de man en de vrouw waarbij deze de vrouw machtigen voor hen op te treden en van de tijdens de mondelinge behandeling door mr Riezebosch overgelegde schriftelijke aantekeningen en de door mr Groeneweg overgelegde stukken betreffende het leefbedrag van de vrouw.

3 De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 De man en de vrouw zijn op 25 september 1981 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 10 juli 1997 heeft de rechtbank te Arnhem echtscheiding tussen hen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 6 april 1998 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2 Uit het huwelijk van de man en de vrouw zijn geboren:

- [ ], verder te noemen “[1e kind]”, op 11 juni 1982;

- [ ], verder te noemen “[2e kind]”, op 27 november 1983;

- [ ], verder te noemen “[3e kind]”, op 3 juli 1986 en

- [ ], verder te noemen “[4e kind]”, op 15 januari 1988. De vrouw is belast met de uitoefening van het gezag over [3e kind] en [4e kind].

3.3 Bij voormelde echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van genoemde kinderen een bedrag van ƒ 350,- per kind per maand zal voldoen en als uitkering tot levensonderhoud van de vrouw een bedrag van ƒ160,- per maand. De bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen bedroeg met ingang van 1 januari 2002 ingevolge de wettelijke indexering € 182,- per maand voor de jongste drie kinderen.

3.4 Bij beschikking van 13 januari 1998 heeft dit hof de beschikking van 10 juni 1997, voor zover betrekking hebbend op de door de man te betalen partneralimentatie, vernietigd en die bijdrage met ingang van de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand vastgesteld op ƒ 800,- per maand. Deze bijdrage bedroeg met ingang van 1 januari 2002 ingevolge de wettelijke indexering € 416,- per maand.

3.5 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank te Arnhem op 25 september 2002, heeft de vrouw van deze bijdragen wijziging verzocht in die zin dat de man ten behoeve van haar € 600,- per maand en ten behoeve van [3e kind] en [4e kind] € 275,- per kind per maand zal voldoen. Bij verzoekschrift van dezelfde datum hebben [1e kind] en [2e kind] afzonderlijk wijziging van de door de man aan hen te betalen onderhoudsbijdrage verzocht. [1e kind] verzoekt die bijdrage met ingang van 25 september 2002 vast te stellen op € 417,- per maand en [2e kind] verzoekt een bijdage van € 325,- per maand met ingang van 25 september 2002. De man heeft bij zijn verweerschrift gesteld dat zijn draagkracht betaling van de door [1e kind] en [2e kind] verzochte bijdrage van respectievelijk € 417,- en € 325,- per maand toelaat en dat hij daarnaast in staat is voor [3e kind] nog een bedrag van € 275,- per maand te betalen. Op grond hiervan heeft de man bij wijze van voorwaardelijk zelfstandig verzoek verzocht de bijdrage voor de vrouw en [4e kind] met ingang van de datum waarop de alimentatieverhoging voor de andere drie kinderen ingaat op nihil te stellen dan wel op een door de rechtbank juist geacht bedrag.

3.6 Bij de bestreden -uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- beschikking heeft de rechtbank de beschikking van de rechtbank te Arnhem van 10 juni 1997 gewijzigd en de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [3e kind] met ingang van 1 november 2002 op nihil gesteld, die bijdrage voor [4e kind] met ingang van 25 september 2002 vastgesteld op € 275,- per maand, de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie met ingang van 25 september 2002 voor [1e kind] vastgesteld op € 417,- per maand en voor [2e kind] op € 235,- per maand. Voorts heeft de rechtbank bij de bestreden beschikking de beschikking van dit hof van 13 januari 1998 gewijzigd en de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 november 2002 op nihil vastgesteld.

Ten aanzien van de man

3.7 De man woont samen met mevrouw [partner van] (verder te noemen "[partner van]"), die in eigen levensonderhoud voorziet. In de periode van 1 november 2002 tot 25 mei 2003 heeft [3e kind] deel uitgemaakt van het gezin van de man en [partner van].

Het inkomen van de man bedraagt volgens de salarisspecificaties van december 2002 en januari 2003 € 4.245,- bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag en een garantietoeslag van € 11,- bruto per maand. Daarnaast ontvangt hij een eindejaaruitkering, die in 2002 volgens de salarisspecificatie van december van dat jaar € 1.395,85 bruto bedroeg. De man is krachtens de IZA-regeling verzekerd tegen ziektekosten.

3.8 De woonlasten van de man en [partner van] bedragen per maand:

- € 876,- aan hypotheekrente;

- € 350,- aan premie levensverzekering gekoppeld aan de hypotheek;

- € 79,- aan overige eigenaarslasten.

Het eigenwoningforfait van de woning van de man en [partner van] bedraagt € 1.052,- per jaar.

De overige lasten van de man bedragen per maand:

- € 204,67 aan werkgevers- en werknemersdeel van de IZA premie van de man in 2002, waarop in mindering strekt een bedrag € 15,- in verband met de door de vrouw aan de man betaalde premie voor de kinderen;

- € 223,69 aan werkgevers- en werknemersdeel van de IZA premie van de man in 2003, waarop in mindering strekt een bedrag van € 15,- in verband met de door de vrouw aan de man betaalde premie voor de kinderen.

Ten aanzien van de vrouw

3.9 De vrouw, geboren op 24 augustus 1952, vormt met [2e kind] en [4e kind] een gezin. Zij ontvangt een AAW-uitkering die volgens de jaaropgave 2002 in dat jaar € 601,- bedroeg. Daarnaast ontvangt de vrouw presentatiegelden voor door haar verrichte werkzaamheden voor de gemeente Ede, welke in het jaar 2000 ƒ 225,- bedroegen. De vrouw woont in de voormalige echtelijke woning die in 2001 belast was met een hypotheek van € 141.352,- en waarvan de rentelasten in dat jaar € 13.066,- bedroegen.

4 De motivering van de beslissing in het principaal en incidenteel beroep

4.1 Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw haar incidenteel beroep in de zaak met rekestnummer 592/2003 ingetrokken ten aanzien van de partneralimentatie zodat op dat beroep niet meer behoeft te worden beslist.

4.2 Het verweer van de vrouw dat de man niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn hoger beroep nu de wijziging van omstandigheden waarop de man zich beroept zich heeft voorgedaan na de datum van de bestreden beschikking faalt naar het oordeel van het hof nu het de man vrij staat als grond van het hoger beroep een zodanige gewijzigde omstandigheid aan te voeren.

4.3 De man stelt dat de door hem te betalen alimentatie voor de kinderen op een hoger bedrag is vastgesteld dan zijn draagkracht toelaat. De vrouw stelt dat de man en de vrouw de vastgestelde alimentatie zijn overeengekomen doordat de man tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg heeft verklaard dat zijn draagkracht betaling van de verzochte kinderalimentatie toeliet.

4.4 Naar het oordeel van het hof is uit de stukken gebleken dat de man altijd heeft verzocht een door hem te betalen onderhoudsbijdrage overeenkomstig zijn draagkracht vast te stellen. Het hof acht aannemelijk dat ook de instemming van de man tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg daarop gericht was en niet om een onderhoudsbijdrage over een te komen met de vrouw die zou afwijken van de wettelijke maatstaven. Met ingang van 1 juli 2003, omstreeks welke datum [3e kind] formeel op een ander adres staat ingeschreven, aldus de bij brief van mr Groeneweg van 9 december 2003 overgelegde verklaring van 2 oktober 2003, wil de man ook voor [3e kind] een onderhoudsbijdrage betalen en zijn draagkracht gelijk verdelen over de vier kinderen. Voorts heeft de man tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij tevens voor [1e kind], ook na haar éénentwintigste jaar, een onderhoudsbijdrage wil blijven betalen, waartegen de vrouw geen bezwaar heeft geuit. Nu de vrouw tegen voormelde stellingen van de man geen gemotiveerd verweer heeft gevoerd, dient het hof de draagkracht van de man met ingang van 1 juli 2003 opnieuw te beoordelen en daarbij de draagkrachtruimte gelijk over de vier kinderen van de man en de vrouw te verdelen.

4.5 Gelet op het door [2e kind] ingestelde incidentele hoger beroep dient het hof ook te beoordelen of de draagkracht van de man vanaf 25 september 2002 tot 1 juli 2003 de door haar verzochte bijdrage van € 325,- per maand toeliet in plaats van het door de rechtbank vastgestelde bedrag van € 235,- per maand, wat de man betwist.

4.6 De man stelt dat de vrouw geen behoefte meer heeft aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. Hij stelt daartoe dat de vrouw hoge lasten heeft en volgens eigen opgave nauwelijks inkomsten heeft. De vrouw betwist dat. Zij stelt dat zij met name leeft van de alimentatie van de kinderen, de door de kinderen ontvangen bijdragen aan studiefinanciering en van leningen bij de bank en derden.

Tegenover de gemotiveerde betwisting van de vrouw, die naar het oordeel van het hof aannemelijk heeft gemaakt dat zij gelden leent, heeft de man onvoldoende feiten en/of omstandigheden gesteld waaruit de juistheid van zijn stelling kan volgen. Hierbij betrekt het hof nog dat de man zijn stelling dat de vrouw huurinkomsten dan wel andere hem onbekende inkomsten heeft niet nader heeft onderbouwd zodat het hof daarmee geen rekening houdt.

4.7 Voorts zijn partijen verdeeld over de draagkracht van de man. Bij de bepaling van de draagkracht van de man gaat het hof uit van de hiervoor onder 3.7 en 3.8 vermelde financiële gegevens, voor zover daarover hierna niet anders wordt geoordeeld.

4.8 Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.4 en 4.5 is overwogen berekent het hof de draagkracht van de man over twee periodes, de periode van 25 september 2002 tot 1 juli 2003 en vanaf 1 juli 2003, aangezien de man onbetwist heeft gesteld dat hij [3e kind] na haar vertrek op 25 mei 2003 tot 1 juli 2003 financieel is blijven onderhouden. In de eerste periode gaat het hof bij de bepaling van de draagkracht van de man -gelet op de gezinssamenstelling- uit van de bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder en vanaf 1 juli 2003 van de bijstandsnorm voor een alleenstaande.

4.9 De man verzoekt rekening te houden met enige kosten in verband met een omgangsregeling tussen hem en de kinderen. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de kinderen thans slechts incidenteel bij de man op bezoek komen. In het verleden kwamen de kinderen ieder op eigen initiatief frequenter op bezoek, sommigen af en toe één- à tweemaal per week. Het hof acht het redelijk -mede in het belang van de kinderen- ervan uit te gaan dat de kinderen in de toekomst de vader weer regelmatiger zullen bezoeken dan thans het geval is. In verband hiermee acht het hof het redelijk vanaf 1 juli 2003 rekening te houden met enige kosten in verband met die omgangsregeling die het hof evenals de man op € 20,- per maand begroot.

4.10 De vrouw verzoekt het hof geen rekening te houden met de vermogensvormende premie levensverzekering verbonden aan de hypothecaire lening voor de woning van de man en [partner van]. De man is van mening dat zijn woonlast niet onredelijk hoog is. Het aan de man toe te rekenen deel van voormelde premie bedraagt € 175,- per maand. Het hof acht het redelijk rekening te houden met het gegeven dat een deel van dit bedrag dient te worden gereserveerd voor de aflossing van de hypotheek te zijner tijd en een deel van dit bedrag vermogensvormend is. Het hof begroot het vermogensvormende deel van die premie van de man in redelijkheid op € 75,- per maand welk deel het hof niet betrekt bij de bepaling van de draagkracht van de man. Aldus houdt het hof rekening met een premie levensverzekering verbonden aan de hypotheek van € 100,- per maand.

4.11 Met de premie FPU vermeld op de salarisspecificatie van de man houdt het hof -anders dan door de vrouw verzocht- wel rekening nu de betaling van die premie niet ter vrije dispositie van de man is.

4.12 De vrouw verzoekt de in het rapport alimentatienormen genoemde draagkrachtpercentages van 45 en 60 % tot 80 % te verhogen omdat zij van mening is dat de man verantwoordelijk is voor een haar overkomen ongeval waardoor zij volledig arbeidsongeschikt is geraakt. De man betwist dit.

4.13 Het hof overweegt dienaangaande als volgt. De lezing van de man en de vrouw over de toedracht van het ongeval is geheel uiteenlopend, zo is het hof uit de mondelinge behandeling en de overgelegde stukken gebleken. De vrouw stelt dat haar huidige toestand (volledige arbeidsongeschikt en het niet ontvangen van een aan het inkomensverlies gerelateerde letselschade) te wijten is aan de man en kwalificeert zijn handelen als een poging tot doodslag van de man. De vrouw heeft geen inzicht verschaft in de tenlastelegging naar aanleiding van dat ongeval. Gebleken is dat de man in verband met het ongeval wegens mishandeling is veroordeeld tot een geldboete van ƒ 600,-. Op grond van voormelde feiten en omstandigheden en deze in onderling verband bezien is het hof van oordeel dat wel aannemelijk is dat de vrouw arbeidsongeschikt is, maar dat niet is aangetoond dat die arbeidsongeschiktheid het gevolg is van een als poging tot doodslag te kwalificeren handelen van de man. Het hof betrekt hier nog bij dat de vrouw de man tot op heden niet in rechte heeft aangesproken tot betaling van een schadevergoeding terzake genoemd ongeval. Gelet op het bovenstaande ziet het hof geen aanleiding bij de bepaling van de draagkracht van de man te rekenen met andere draagkrachtpercentages dan de gebruikelijke.

4.14 Op grond van bovenvermelde feiten en omstandigheden en gelet op de fiscale consequenties van een en ander acht het hof de man in de periode van 25 september 2002 tot 1 juli 2003 niet in staat tot betaling van de door [2e kind] verzochte hogere bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie. Vanaf 1 juli 2003 acht het hof de man in staat na te melden bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding dan wel van levensonderhoud en studie van de vier kinderen te betalen.

4.15 Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw de stelling van de man, dat hij in verband met de terugwerkende kracht van de bestreden beschikking vanaf 1 november 2002 tot en met 30 april 2003 € 2.560,88 teveel aan partneralimentatie aan de vrouw heeft betaald, onvoldoende gemotiveerd bestreden. Het hof zal dan ook bepalen dat de vrouw dit bedrag in termijnen van € 100,- per maand en een laatste termijn van € 60,88 aan de man zal terugbetalen.

5 De slotsom

5.1 Op grond van hetgeen hierboven is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, gedeeltelijk te vernietigen.

5.2 Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in beide zaken:

vernietigt de beschikking van de rechtbank te Arnhem van 6 mei 2003, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en voor zover daarbij de in de beschikking van de rechtbank te Arnhem van 10 juni 1997 vastgestelde kinderalimentatie is gewijzigd met ingang van 1 juli 2003 en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw respectievelijk [1e kind] en [2e kind] met ingang van 1 juli 2003 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding dan wel levensonderhoud en studie van de vier kinderen van de man en de vrouw een bedrag van € 274,- per kind per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

bepaalt dat de vrouw de door haar van de man in de periode van 1 november 2002 tot en met 30 april 2003 ontvangen partneralimentatie van € 2.560,88 aan hem zal terugbetalen in termijnen van € 100,- per maand en een laatste termijn van € 60,88;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs Mens Van Ginkel en Wammes en is op 20 januari 2004 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.