Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2004:AO7330

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-02-2004
Datum publicatie
09-04-2004
Zaaknummer
03/833
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

[appellant] heeft gesteld dat hij op 22 april 2003 een tweetal ontbindende voorwaarden heeft bedongen en dat door het in vervulling gaan daarvan zijn verplichtingen uit de overeenkomst zijn vervallen, hetgeen door ’t Kluenven wordt bestreden. Volgens [appellant] hield de eerste voorwaarde in dat de gemeente binnen drie weken een schriftelijke vergunning zou verlenen dat zijn schoonouders permanent zouden mogen verblijven in het slaap-/logeerhuis (de zogenaamde tuinmanswoning) en daarin andere delen zouden kunnen worden verhuurd aan toeristen (zie memorie van grieven onder 10), terwijl de tweede voorwaarde inhield dat door de gemeente binnen drie weken schriftelijke vergunning zou worden verleend dat het slaap-/logeerhuis zou kunnen worden verdubbeld met ca. 75 m2 en dat andere gebouwen zouden mogen worden uitgebreid met in totaal 150 m2

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 611a
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 585
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2004, 305
JBPR 2004/41 met annotatie van prof. mr. A.I.M. van Mierlo
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 februari 2004

eerste civiele kamer

rolnummer 2003/833 KG

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr. J.M. Bosnak,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Landgoed ’t Kluenven B.V.,

gevestigd te Beckum, gemeente Hengelo,

geïntimeerde,

procureur: mr. W.D. Huizinga.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Zwolle van 22 juli 2003, in kort geding gewezen tussen -appellant (hierna te noemen “[appellant]”) als gedaagde en geïntimeerde (hierna te noemen “’t Kluenven”) als eiseres. Dit vonnis is in fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 18 augustus 2003 aangezegd van voornoemd vonnis in hoger beroep te komen, met dagvaarding van ‘t Kluenven voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] drie grieven geformuleerd en toegelicht, heeft hij producties overgelegd en heeft hij geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij arrest, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vordering van ‘t Kluenven alsnog zal afwijzen, met veroordeling van ‘t Kluenven in de kosten van beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord tevens houdende aanvulling van eis heeft ‘t Kluenven verweer gevoerd, heeft zij haar eis aangevuld en bewijs aangeboden en heeft zij geconcludeerd dat het hof [appellant] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vordering in hoger beroep dan wel die vordering aan hem zal ontzeggen, met bekrachtiging van het bestreden vonnis, onder aanvulling met de bepaling dat indien [appellant] de verschuldigde dwangsom niet binnen 48 uur na daartoe bij aangetekende brief aangemaand te zijn, betaalt, het arrest uitvoerbaar zal zijn bij lijfsdwang, en met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep.

2.4 Daarna hebben partijen ter zitting van het hof van 2 februari 2004 de zaak doen bepleiten, [appellant] door mr. J.A. Neslo, advocaat te Almere, en ‘t Kluenven door mr. E.J.M. Abels, advocaat te Almelo; beide partijen hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht.

2.5 Ten slotte zijn de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

3 De vaststaande feiten

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.12 vaststaande feiten opgenomen. Nu daartegen, behoudens voor zover het om het onder 1.2, 1.5, 1.6 en 1.7 overwogene gaat, geen grieven zijn aangevoerd staan deze feiten in zoverre ook in hoger beroep vast.

4 De beoordeling van het geschil in hoger beroep

4.1 In het onderhavige geschil zijn partijen het erover eens dat ’t Kluenven in het voorjaar van 2003 een ruim 10 ha groot landgoed bestaande uit landhuis, twee bijhuizen, parkbos, heide, vennen en oprijlaan, [ ] (verder: “het landgoed”), aan [appellant] heeft verkocht. Partijen verschillen van mening omtrent de vraag wanneer, en met name onder welke voorwaarden, deze overeenkomst (verder: “de overeenkomst”) tot stand is gekomen.

4.2 Naar het oordeel van het hof is de overeenkomst op 16 april 2003 tot stand gekomen en is deze door partijen nader ingevuld op 22 april en 1 mei 2003. Dit leidt het hof allereerst af uit de aantekeningen die [appellant] – naar onbestreden vaststaat – zelf op 16 april 2003 heeft gemaakt en die hij – naar eveneens onbestreden vaststaat – toen door mevrouw [M.] heeft laten bevestigen door het plaatsen van haar handtekening bij deze aantekeningen (productie 5 zijdens ’t Kluenven in eerste aanleg), uit de stelling van ’t Kluenven dat [appellant] op die dag een met de inhoud daarvan overeenstemmend aanbod aan mevrouw [M.] heeft gedaan dat zij heeft geaccepteerd en met name uit hetgeen [P.] – volgens [appellant] diens adviseur en bij de bespreking op 16 april 2003 aanwezig – blijkens het bestreden vonnis (onder 3.9) bij gelegenheid van (de voortzetting van) het pleidooi in eerste aanleg heeft verklaard. De toen gesloten overeenkomst hield in dat [appellant] het landgoed kocht voor een bedrag van € 1.795.000,- onder de enkele voorwaarde dat de eigenaar voor het in voormelde aantekeningen van [appellant] genoemde schilderwerk zou zorgdragen. Dat partijen toen nog andere voorwaarden zijn overeengekomen, zoals [appellant] stelt, is geenszins aannemelijk geworden.

4.3 Partijen zijn het erover eens dat tijdens het gesprek dat op 22 april 2003 heeft plaatsgevonden – zoals ook door de verklaring van makelaar Wassink wordt bevestigd – mevrouw [M.] de toezegging heeft gedaan dat zij zou informeren bij gemeente of de zogenaamde tuinmanswoning permanent zou mogen worden bewoond door de (schoon)ouders van [appellant]. Verder is tussen partijen komen vast te staan dat toen, op 22 april 2003, de oorspronkelijke afspraak betreffende het door de verkoper te verrichten schilderwerk is gewijzigd in die zin dat de verkoper dit schilderwerk niet zou uitvoeren, doch in plaats daarvan een redelijke reductie zou geven. Het hof beschouwt deze aanvullende toezegging van mevrouw [M.] en de gewijzigde afspraak betreffende het schilderwerk als een nadere precisering of invulling van de overeenkomst. Vaststaat dat de gemeente bij brief van 24 juni 2003 (productie 7 zijdens ’t Kluenven in eerste aanleg) toestemming tot de gevraagde bewoning heeft verleend.

4.4 De afspraken die partijen op 1 mei 2003 hebben gemaakt, beschouwt het hof eveneens als een nadere invulling of precisering van de overeenkomst. Anders dan [appellant] wil doen geloven, is tijdens het gesprek op die datum de prijs van het gekochte niet gewijzigd, maar is tussen partijen slechts afgesproken dat ter zake van het verfwerk aan het gekochte – dat aanvankelijk voor rekening van ‘t Kluenven zou worden verricht (zie productie 5 zijdens ’t Kluenven in eerste aanleg) – aan het schildersbedrijf van de heer [M.] opdracht zou worden gegeven voor een bedrag van € 65.000,- en dat dit voor rekening van [appellant] zou komen, welk bedrag door partijen in mindering op de koopprijs is gebracht. Bij gelegenheid van de pleidooien voor dit hof heeft ’t Kluenven hieromtrent onweersproken gesteld dat dit is gebeurd omdat [appellant] na de overdracht ervan een deel van het landgoed ingrijpend wilde laten verbouwen en het schilderwerk eerst daarna wilde doen plaatsvinden.

4.5 [appellant] heeft gesteld dat hij op 22 april 2003 een tweetal ontbindende voorwaarden heeft bedongen en dat door het in vervulling gaan daarvan zijn verplichtingen uit de overeenkomst zijn vervallen, hetgeen door ’t Kluenven wordt bestreden. Volgens [appellant] hield de eerste voorwaarde in dat de gemeente binnen drie weken een schriftelijke vergunning zou verlenen dat zijn schoonouders permanent zouden mogen verblijven in het slaap-/logeerhuis (de zogenaamde tuinmanswoning) en daarin andere delen zouden kunnen worden verhuurd aan toeristen (zie memorie van grieven onder 10), terwijl de tweede voorwaarde inhield dat door de gemeente binnen drie weken schriftelijke vergunning zou worden verleend dat het slaap-/logeerhuis zou kunnen worden verdubbeld met ca. 75 m2 en dat andere gebouwen zouden mogen worden uitgebreid met in totaal 150 m2 (zie ook productie 2 bij dagvaarding in eerste aanleg).

4.6 Hiervoor heeft het hof reeds overwogen dat mevrouw [M.] op 22 april 2003 de toezegging heeft gedaan dat zij zou informeren bij gemeente of de zogenaamde tuinmanswoning permanent zou mogen worden bewoond door de schoonouders van [appellant]. Dat deze toezegging in de vorm van een ontbindende voorwaarde zou zijn gedaan heeft [appellant] weliswaar gesteld maar, hoewel dat op zijn weg lag, op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. Makelaar Wassink heeft hieromtrent verklaard (zie productie 3 bij dagvaarding in eerste aanleg) dat tussen partijen géén afspraak is gemaakt omtrent een termijn waarbinnen de informatie van de zijde van de gemeente zou moeten worden verstrekt, maar dat de koper slechts een vorige situatie, die vier maanden had geduurd, heeft gememoreerd en heeft gesteld dat het nu wel sneller zou moeten gebeuren. Het hof gaat er daarom voorshands vanuit dat te dezer zake geen ontbindende voorwaarde is bedongen als door [appellant] gesteld.

4.7 Evenmin heeft [appellant], hoewel dat op zijn weg lag, aannemelijk gemaakt dat de andere door hem genoemde ontbindende voorwaarden zijn bedongen. Ook hier geldt dat hij slechts heeft gesteld dat hij deze voorwaarden heeft gemaakt maar dat hij deze stelling op geen enkele wijze heeft onderbouwd, terwijl makelaar Wassink in zijn bovengenoemde verklaring op dit punt heeft gesteld dat tussen partijen geen ontbindende voorwaarde is overeengekomen ten aanzien van de mogelijkheden van verbouwing van het verkochte. Ook op dit punt gaat het hof er daarom voorshands vanuit dat geen ontbindende voorwaarde is bedongen als door [appellant] gesteld.

4.8 Het vorenstaande impliceert dat het hof het betoog van [appellant] verwerpt dat de overeenkomst eerst op 1 mei 2003 tot stand zou zijn gekomen. Dit geldt temeer nu deze stelling van [appellant] ook in strijd is met zijn eigen stelling dat hij op 22 april 2003 een tweetal ontbindende voorwaarden heeft bedongen en dat hij zich op 16 mei 2003 door het in vervulling gaan daarvan – omdat de in de voorwaarden bedoelde vergunningen niet binnen drie weken werden verstrekt – erop kon beroepen dat zijn verplichtingen uit de overeenkomst waren vervallen.

4.9 Op grond van het voorgaande acht het hof voorshands aannemelijk dat de overeenkomst tot stand is gekomen zonder de ontbindende voorwaarden als door [appellant] gesteld en dat de verplichtingen van [appellant] voortvloeiend uit de overeenkomst derhalve onverkort in stand zijn gebleven.

4.10 Uit het voorgaande volgt dat de grieven, die alle op het uitgangspunt berusten dat [appellant] de bedoelde ontbindende voorwaarden wel zou hebben bedongen, falen.

4.11 In eerste aanleg heeft de voorzieningenrechter – kort gezegd – [appellant] bevolen zijn medewerking te verlenen aan het passeren van de akte van levering van het landgoed tegen een prijs van € 1.730.000,- met de onder 4.4 aangehaalde voorwaarde, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000,- per dag dat [appellant] nalatig blijft aan het bevel te voldoen, met een maximum van € 500.000,-. In hoger beroep heeft ’t Kluenven haar eis in die zin vermeerderd dat zij vordert dat het hof bepaalt dat als [appellant] de verschuldigde dwangsom niet binnen 48 uur na daartoe bij aangetekende brief te zijn aangemaand, betaalt, het arrest uitvoerbaar zal zijn bij lijfsdwang, hetgeen erop neerkomt dat het hof voor dat geval [appellant] beveelt zijn medewerking te verlenen aan het passeren van de akte van levering op straffe van gijzeling. Ter toelichting op deze vordering is bij gelegenheid van de pleidooien voor dit hof aangevoerd, dat de gijzeling met name is gevorderd om te bewerken dat de betaling van de koopsom wordt geëffectueerd. Hieromtrent overweegt het hof als volgt.

4.12 Het hof stelt voorop dat een vordering tot afname van het gekochte, zoals deze in eerste aanleg is ingesteld en is toegewezen, aan de zijde van de koper niet alleen een verplichting tot medewerking aan de levering maar ook een verplichting tot betaling van de koopprijs impliceert. Nu in het onderhavige geval deze laatstgenoemde verplichting blijkens het hiervoor (onder 4.11) overwogene echter een overheersend deel uitmaakt van de aan [appellant] op te leggen veroordeling, staat het bepaalde in respectievelijk artikel 611a lid 1 Rv en artikel 585 aanhef en sub a Rv eraan in de weg dat nakoming van deze veroordeling met behulp van een dwangsom of door middel van lijfsdwang wordt afgedwongen.

4.13 Dit betekent allereerst dat de vordering van ’t Kluenven, voor zover het de vermeerdering daarvan in hoger beroep betreft, zal worden afgewezen.

4.14 Voorts impliceert dit dat het bestreden vonnis niet in stand kan blijven voor zover in het dictum daarvan de veroordeling van [appellant] tot medewerking aan de levering is versterkt met een dwangsom. Hoewel [appellant] terzake geen grief heeft geformuleerd en het hof door vernietiging van het vonnis op dit punt derhalve buiten de grenzen van de rechtsstrijd treedt, zal het hiertoe niettemin overgaan. Het hof is immers gehouden om in hoger beroep de rechtsgronden aan te vullen voor zover deze van openbare orde zijn en beschouwt de regeling betreffende de dwangsom als van zodanige aard, nu de dwangsom een indirect executiemiddel is dat niet ter vrije bepaling van partijen staat maar slechts door de rechter – op vordering van een der partijen – kàn worden verbonden aan zijn uitspraak. Handhaving van de dwangsom in het dictum van het bestreden vonnis zou er bovendien op neerkomen dat deze als dwangmiddel fungeert ter zake van een verplichting die niet door middel van een dwangsom afdwingbaar behoort te zijn (de verplichting tot betaling van de koopprijs).

5 De slotsom

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd, behoudens voor zover het bevel in het dictum van het bestreden vonnis onder I is gegeven op straffe van verbeurte van een dwangsom. [appellant] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding in hoger beroep worden veroordeeld.

6 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep in kort geding:

6.1 bekrachtigt het tussen partijen in kort geding gewezen vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Zwolle van 22 juli 2003, behoudens voor zover het bevel in het dictum van het bestreden vonnis onder I is gegeven op straffe van verbeurte van een dwangsom, en vernietigt dit vonnis in zoverre;

6.2 veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van ‘t Kluenven begroot op € 2.313,- voor salaris procureur en op € 245,- voor verschotten;

6.3 wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van der Kwaak, Houtman en Hilverda en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 februari 2004.