Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2004:AO7328

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-02-2004
Datum publicatie
09-04-2004
Zaaknummer
03/979
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering tot teruggave van sieraden en uitzet. Appellant is niet ontvankelijk in het beroep tegen het deelvonnis van 12 maart 2003 wegens termijnoverschrijding. De grief tegen het vonnis van 13 juni 2003 treft evenmin doel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 februari 2004

derde civiele kamer

rolnummer 2003/979

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr N. van den Berg,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr N. Akbalik.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van de vonnissen van 13 juni 2002, 12 maart 2003 en 11 juni 2003 die de rechtbank te Arnhem tussen appellant (hierna te noemen: [appellant]) als eiser in conventie, verweerder in reconventie en geïntimeerde (hierna te noemen: [geïntimeerde]) als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie heeft gewezen; van de laatste twee vonnissen is een fotocopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 5 september 2003 [geïntimeerde] aangezegd van de vonnissen van 12 maart 2003 en 11 juni 2003 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven, waarbij tevens akte is gevraagd van de overlegging van producties, heeft [appellant] twee grieven tegen de bestreden vonnissen aangevoerd en toegelicht en gevorderd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest de vonnissen van 12 maart 2003 en 11 juni 2003, voor zover tegen een onderdeel van genoemde vonnissen wordt opgekomen, zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zal bepalen dat:

primair:

1. [geïntimeerde] aan [appellant] de gouden sierraden teruggeeft;

2. [geïntimeerde] aan [appellant] de uitzet welke ten behoeve van haar is aangeschaft teruggeeft;

3. teruggave zal geschieden binnen 24 uur na het in deze ten gunste van [appellant] te wijzen arrest,

subsidiair:

4. voor het geval dat [geïntimeerde] de zaken niet meer onder zich heeft, [geïntimeerde] aan [appellant] een bedrag van € 5.893,70 zal betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

5. [geïntimeerde] wordt veroordeeld in de kosten van beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof [appellant] niet-ontvankelijk zal verklaren, althans het appèl zal afwijzen als rechtens ongegrond en/of onbewezen en de vonnissen van 12 maart 2003 en 11 juli 2003 zal bekrachtigen, al dan niet onder verbetering van gronden, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding.

2.4 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

De rechtbank heeft in haar vonnis van 12 maart 2003 onder 1.1 tot en met 1.4 feiten vastgesteld. Aangezien daartegen als zodanig geen grieven zijn aangevoerd, zal het ook hof van die feiten uitgaan.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Het hof zal eerst - ambtshalve - beoordelen of [appellant] ontvankelijk is in het hoger beroep van de vonnissen van 12 maart 2003 en 11 juni 2003. Daarbij is het navolgende van belang.

Het hoger beroep strekt zich, gezien de grieven, de toelichting en het petitum, uitsluitend uit tot de beslissing van de rechtbank over de vordering in conventie.

De vordering in conventie is door de rechtbank in het dictum van het vonnis van 12 maart 2003 afgewezen, behoudens ten aanzien van de proceskosten. Ten aanzien van de reconventionele vordering werd daarbij aan [geïntimeerde] – eveneens in het dictum van dat vonnis – een bewijsopdracht gegeven en iedere verdere beslissing in conventie en reconventie aangehouden. In het vonnis van 11 juni 2003 wees de rechtbank in conventie en reconventie de vordering af, onder compensatie van proceskosten.

4.2 Het vonnis van 12 maart 2003 is een zogenaamd deelvonnis. Aan het proces wordt voor een deel van het gevorderde - in dit geval de vordering in conventie, behoudens de proceskosten - door een uitdrukkelijk dictum een einde gemaakt zodat het vonnis in zoverre een eindvonnis is. Voor zover in het dictum van dit vonnis de beslissing over de proceskosten in conventie wordt aangehouden en in reconventie aan [geïntimeerde] bewijs wordt opgedragen, is het een tussenvonnis.

4.3 Grief 1 is gericht tegen de afwijzing van de vordering in conventie, namelijk tegen de in het dictum van het vonnis van 12 maart 2003 gegeven eindbeslissing. Hiertegen dient - ingevolge artikel 339 lid 1 Rv - binnen drie maanden vanaf de dag van de uitspraak van het vonnis te worden geappelleerd. Nu [appellant] eerst bij dagvaarding van 5 september 2003 hoger beroep heeft ingesteld, zal hij niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep van het vonnis van 12 maart 2003.

4.4 Grief 2 is gericht tegen de overweging van de rechtbank in het vonnis van 11 juni 2003 dat zij volhardt bij hetgeen zij in het vonnis van 12 maart 2003 heeft vastgesteld en overwogen. Voor de motivering van deze grief verwijst [appellant] naar hetgeen onder grief 1 is aangevoerd zodat deze grief aldus wordt begrepen dat deze eveneens strekt tot toewijzing van de conventionele vordering. [appellant] miskent hiermee dat reeds in het deelvonnis van 12 maart 2003 de vordering in conventie – behoudens de proceskosten – is afgewezen. De overweging in het vonnis van 11 juni 2003 waartegen [appellant] grieft, kan derhalve niet – mede – betrekking hebben op de in het dictum van het vonnis van 12 maart 2003 afgewezen vordering in conventie. Grief 2 treft derhalve geen doel.

Slotsom

4.5 [appellant] zal niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep van het vonnis van 12 maart 2003. Geen van beide grieven leidt tot vernietiging van het eindvonnis, zodat dat vonnis van 11 juni 2003 zal worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank te Arnhem van 12 maart 2003;

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank te Arnhem van 11 juni 2003;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 873,--, waarvan te voldoen aan de griffier van het gerechtshof (bankrekeningnummer 1923.25.752 ten name van DS 533 Arrondissement Arnhem, postbus 9030 EM Arnhem, onder vermelding van het rolnummer en de namen van partijen) het bedrag van € 791,-- te weten:

- € 246,-- wegens in debet gesteld griffierecht;

- € 545,-- wegens salaris van de procureur,

en het restant ad € 82,-- aan de procureur van [geïntimeerde] wegens [geïntimeerde]s eigen aandeel in het griffierecht.

Dit arrest is gewezen door mrs Steeg, Van Loo en De Boer en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter open-bare terechtzitting van 17 februari 2004.