Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2004:AO6972

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
24-02-2004
Datum publicatie
05-04-2004
Zaaknummer
01-01849
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Partijen houdt verdeeld of sprake is van door de Belastingdienst bij de in 1994 gehouden controle en nabespreking bij belanghebbende gewekt vertrouwen dat aan naheffing ter zake van de carpoolregeling over het tijdvak 1995 tot en met 1997 in de weg staat.

Wetsverwijzingen
Wet op de loonbelasting 1964 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2004/24.2 met annotatie van Redactie
FutD 2004-0670
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

derde meervoudige belastingkamer

nummer 01/01849 (loonbelasting)

U i t s p r a a k

op het beroep van [X] BV te [Z] (hierna te noemen: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen [P] op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan haar opgelegde naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen over het tijdvak 1 januari 1995 tot en met 31 december 1997.

1. Naheffingsaanslag en bezwaar

1.1. De naheffingsaanslag, gedagtekend 4 mei 2000, bedraagt f 62.137 aan loonbelasting/premie volksverzekeringen. Aan heffingsrente is f 5.963 berekend.

1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak van 27 juni 2001 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

2. Geding voor het Hof

2.1. Het beroepschrift is ter griffie ontvangen op 1 augustus 2001 en aangevuld op 13 september 2001, waarbij bijlagen zijn overgelegd.

2.2. Tot de stukken van het geding behoren het verweerschrift en de daarin genoemde bijlagen, alsmede een brief van de gemachtigde van belanghebbende van 9 januari 2004 met twee bijlagen.

2.3. Bij de mondelinge behandeling op 22 januari 2004 te Arnhem zijn gehoord [belanghebbendes gemachtigde, alsmede de Inspecteur].

2.4. De notities van de pleidooien die de gemachtigde van belanghebbende en de Inspecteur bij de mondelinge behandeling hebben gehouden, worden als hier herhaald en ingelast beschouwd. De pleitnota van de Inspecteur is vergezeld van één bijlage, tegen de overlegging waarvan de gemachtigde van belanghebbende geen bezwaar heeft ingebracht.

3. De vaststaande feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één der partijen gesteld en door de wederpartij niet weersproken, de volgende feiten vast.

3.1. Belanghebbende drijft een onderneming die zich bezig houdt met timmer- en stelwerk van betonwerken en het verrichten van schoonmaakwerkzaamheden in de bouw. Directeur en indirect aandeelhouder van belanghebbende is [belanghebbendes directeur].

3.2. In de jaren sedert de inwerkingtreding in 1990 van de carpoolregeling in de Wet op de loonbelasting 1964 heeft belanghebbende deze regeling toegepast. In al die jaren zijn in strijd met het bepaalde in artikel 8, zevende lid (tot 1997) respectievelijk vierde lid (vanaf 1 januari 1997), van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990 geen schriftelijk vastgelegde regelingen (hierna: carpoolcontracten) opgemaakt. Voorts is a) niet in alle gevallen op rittenstaten bijgehouden wie zijn meegereden of zijn b) door de meerijder(s) niet in alle gevallen de rittenstaten ondertekend.

3.3. In 1994 heeft de Belastingdienst/Ondernemingen [P] bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld naar onder meer de aanvaardbaarheid van de aangiften loonbelasting over het tijdvak 16 oktober 1990 tot en met 31 december 1992. Het onderzoek is uitgevoerd door [ambtenaar-1] Deze ambtenaar heeft ook het rapport van het [belanghebbendes adviseur] de contactpersoon van belanghebbende.

3.4. Het onder 3.3. bedoelde rapport vermeldt onder meer het volgende:

a) onder ‘6 Loonbelasting’:

- de aangegeven loonbelasting en premie volksverzekeringen stemmen overeen met de bedragen die op het loon van de werknemers zijn ingehouden en die zijn afgedragen aan de Belastingdienst;

- de loon- en inhoudingsbedragen van de loonadministratie stemmen overeen met de financiële administratie van de belastingplichtige;

- de inhoudingsplichtige heeft voldaan aan de administratieve verplichtingen die wettelijk zijn voorgeschreven;

- de loonbelasting en premies volksverzekeringen die op het loon van de werknemers zijn ingehouden heeft de inhoudingsplichtige juist berekend.

Ter zake van een kortstondige fictieve dienstbetrekking vermeldt het rapport dat door belanghebbende geen loonbelasting was ingehouden en afgedragen, en dat daarom een bedrag van f 298 is nageheven;

b) onder ‘6.6 Kostenvergoedingen’ onder meer:

Reiskosten woon- werkverkeer

In 1992 heeft [een werknemer] ten onrechte een reiskostenvergoeding woon- werkverkeer ontvangen. De afstand woning-werk bedroeg minder dan 10 kilometer. Het bedrag ad f 1.122 moet als een bruto beloning worden aangemerkt

Overige kostenvergoedingen

Met de overige kostenvergoedingen kan, tot en met 1992, accoord worden gegaan.

c) onder ‘12 Boete loonbelasting en premies volksverzekeringen’ onder meer:

Correctie reiskosten woon-werkverkeer

Het mag als bekend worden verondersteld dat er geen reiskostenvergoeding woon-werkverkeer mogelijk is bij een afstand van minder dan 10 kilometer.

d) onder ’13 Slotopmerkingen’

De belastingplichtige en zijn adviseur gaan met de correcties akkoord.

3.5. Bij brief van 12 september 1994 (bijlage bij de brief van de gemachtigde aan het Hof van 9 januari 2004) heeft [ambtenaar-1] aan [belanghebbendes adviseur] gegevens verstrekt van door het personeel van belanghebbende bezochte werkplekken in 1991 en 1992. Het betreft een op week 46 van 1990 tot en met week 51 van 1992 betrekking hebbende lijst van namen van werknemers, de per week gereden kilometers, de bezochte plaatsen en de vergoede bedragen.

Per fax van 20 september 1994 (bijlage 17 bij het verweerschrift) heeft [belanghebbendes adviseur] aan [ambtenaar-1] een overzicht gezonden van in 1992 aan werknemers van belanghebbende betaalde reiskostenvergoedingen met daarbij de namen van de desbetreffende werknemers.

3.6. Op 23 september 1994 heeft inzake het boekenonderzoek tussen [belanghebbendes adviseur] en [ambtenaar-1] een eindgesprek plaatsgevonden.

3.7. De Inspecteur heeft als bijlage 3 bij het verweerschrift een handgeschreven notitie ‘Punten eindgesprek 23/9-‘94’ van de hand van [ambtenaar-1] overgelegd. Onder het opschrift ‘Woon-werkverkeer / Bezoeken werkplaatsen’ bevat de notitie onder meer de volgende passage:

meerijregeling:

Vanuit de planning is een lijst samengesteld waaruit blijkt dat er één of meer werknemers mee zijn gereden.

maar: er is niet voldaan aan de formaliteiten. Er zijn geen verklaringen etc. getekend! Vanaf 1994 zal dit veranderen en worden verklaringen opgemaakt.

Vraag:

- verleden accepteren en zorgen dat eea in de toekomst goed gaat of

- verleden corrigeren? Hebben personeelsleden die meegereden hebben geen vergoeding geclaimd in IB (Reiskst)

26/9 Overleg [ambtenaar-2]]:

Als personeel inderdaad geen vergoeding heeft ontvangen en formaliteiten zijn nu wel geregeld + als aannemelijk is dat er meegereden is -> niet terugkomen op verleden, maar accepteren.

Op de laatste pagina van de handgeschreven notitie staat vermeld:

Op P eenheid nagegaan of personeel geen reiskosten heeft geclaimd. Is inderdaad niet gebeurd.

Dus ->verleden accepteren

vanaf formaliteiten vervullen.

3.8. In 1998 is door de uitvoeringsinstelling Cadans bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld over de jaren 1993 tot en met 1997. Bij dit onderzoek is geconstateerd dat belanghebbende de carpoolregeling heeft toegepast zonder dat werd voldaan aan de gestelde administratieve voorwaarden. Over de jaren 1995 tot en met 1997 zijn aan werknemers uitbetaalde reiskostenvergoedingen voor een deel als bovenmatig aangemerkt. Cadans heeft op 7 februari 1999 een afschrift van het rapport van het boekenonderzoek aan de Belastingdienst gezonden.

3.9. In 1999 heeft de Belastingdienst bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld naar onder meer de aanvaardbaarheid van de aangiften loonbelasting over het tijdvak 1 januari 1995 tot en met 31 december 1998. In het op 11 april 2000 gedagtekende rapport van dit onderzoek is onder ‘6.2.1 Carpoolregeling’ vermeld dat belanghebbende zich niet houdt aan de administratieve verplichtingen van de carpoolregeling. Er zijn geen carpoolcontracten opgemaakt en a) niet in alle gevallen is op rittenstaten bijgehouden wie zijn meegereden of b) niet in alle gevallen zijn door de meerijder(s) de rittenstaten ondertekend.

3.10. Op grond van de bevindingen bij dit onderzoek is aan belanghebbende de bestreden naheffingsaanslag opgelegd. In het bedrag van deze aanslag is een bedrag van f 43.902 begrepen aan loonheffing ter zake van bovenmatige reiskostenvergoedingen (betaalde reiskostenvergoedingen verminderd met de per werknemer bepaalde bedragen van het reiskostenforfait). In de pleitnota heeft de gemachtigde van belanghebbende gesteld dat omtrent de berekening van het bedrag van f 43.902 tussen partijen geen verschil van mening meer bestaat.

3.11. Omdat belanghebbende zich in de procedure beroept op bij het eerste boekenonderzoek gewekt vertrouwen, inhoudende dat zij mocht menen dat de Inspecteur bij gelegenheid van het boekenonderzoek in 1994 had ingestemd met de gang van zaken rond de carpoolregeling, heeft de Inspecteur als bijlage 4 bij het verweerschrift een op ambtseed opgemaakte verklaring van [ambtenaar-1] van 28 november 2001 overgelegd inzake de gang van zaken tijdens het boekenonderzoek en het eindgesprek in 1994. Deze verklaring luidt als volgt:

‘Ambtsedige verklaring van [ambtenaar-1] medewerker van Belastingdienst Ondernemingen [P], tijdelijk werkzaam in [Q].

Op 23 september 1994 heeft er een eindgesprek plaatsgevonden inzake de controle bij [X] B.V. Tijdens dit eindgesprek is het punt inzake de carpoolregeling aan de orde gekomen.

Voordat ik verder inga op dit punt, wil ik eerst mijn werkwijze schetsen in de periode dat ik als controle medewerker werkzaam was. Tijdens een controle noteerde ik alle punten waar ik vragen over had. Veel punten werden gedurende de controle opgelost. De nog niet opgeloste vragen en opmerkingen werden in een eindgesprek besproken. Tijdens het eindgesprek maakte ik aantekeningen van de punten die werden besproken en de reactie van de adviseur. Vervolgens, aansluitend op het eindgesprek, werkte ik de aantekeningen uit tot een verslag van het eindgesprek. Dit gebeurde op dezelfde dag, aansluitend op het eindgesprek.

Gezien de aantekeningen van de controle bij [X] B.V. is tijdens deze controle op dezelfde wijze gewerkt. De te bespreken punten voor het eindgesprek zijn in mijn aantekeningen numeriek gemarkeerd en aan de adviseur voorgelegd. Voor het eindgesprek, te weten op 20-9-1994, is door de adviseur een stuk inzake het woon werkverkeer via de fax aan mij toegezonden, zodat ik uitbetaalde vergoedingen vooraf kon beoordelen. Het controledossier geeft een duidelijk beeld van de controle en er is een uitgebreide verslaglegging van het gevoerde eindgesprek op 23-9-1994. Ik kan mij herinneren dat het punt inzake de carpoolregeling aan de orde is geweest. Tijdens het eindgesprek heeft de adviseur zelfs lijsten inzake de carpoolregeling verstrekt. Op deze lijsten zijn de ritten en de meerijders over de weken 1 tot en met 51 van het jaar 1992 vermeld. Vervolgens heb ik afgesproken dat ik een en ander zou bespreken met de inspecteur loonbelasting. Uitgangspunt was dat als de meerijders geen vergoeding zouden hebben geclaimd in de aangifte inkomstenbelasting én de formaliteiten zouden vanaf nu op de juiste manier vervuld worden, dat dan niet terug gekomen zou worden op het verleden. Op 26-9-1994 heb ik de problematiek met de inspecteur besproken en heb ik nagetrokken of geen vergoedingen zijn geclaimd. Vervolgens blijkt uit de notitie dat ik akkoord ga met de afspraak niet op het verleden terug te komen. Onderdeel van dit geheel was dus wel degelijk dat de formaliteiten vanaf dat moment wel werden vervuld. Een voor mij normale werkwijze is vervolgens om de adviseur hierover in te lichten. Uit de aantekeningen blijkt niet dat dit gebeurd is en ik kan mij ook niet meer expliciet herinneren dat ik het gedaan heb. Gezien mijn normale werkwijze ga ik er echter wel van uit. In elk geval staat voor mij vast dat ik tijdens het eindgesprek voldoende duidelijk heb gemaakt dat niet werd voldaan aan de formaliteiten van de carpoolregeling en langs welke weg een praktische oplossing mogelijk was.

Tot slot wil ik nog iets opmerken over de vastleggingen van de adviseur. Het komt mij zeer vreemd voor dat door de adviseur geen aantekeningen zijn gemaakt over het eindgesprek. Tijdens dit eindgesprek zijn 16 onderwerpen aan de orde gekomen. Bovendien hebben enkele onderwerpen tot correcties geleid. Ik kan niet verklaren dat de adviseur zeker aantekeningen heeft gemaakt, maar het komt mij als zeer onwaarschijnlijk voor dat dit niet gebeurd is.’

3.12. Bij de onder 3.4. genoemde brief van de gemachtigde van belanghebbende van 9 januari 2004 is een door [belanghebbendes adviseur] aangetroffen handgeschreven notitie gevoegd, welke notitie volgens de gemachtigde in het kort de uitkomsten weergeeft van de tijdens het eindgesprek besproken punten. De punten in deze notitie staan in dezelfde volgorde als in de handgeschreven notitie van [ambtenaar-1]. In de notitie van [belanghebbendes adviseur] staan geen opmerkingen betreffende de carpoolregeling. In zijn pleitnota vermeldt de gemachtigde dat de notitie van [belanghebbendes adviseur] op 8 november 2002 reeds aan de Inspecteur is toegezonden.

4. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

4.1. Partijen houdt verdeeld of sprake is van door de Belastingdienst bij de in 1994 gehouden controle en nabespreking bij belanghebbende gewekt vertrouwen dat aan naheffing ter zake van de carpoolregeling over het tijdvak 1995 tot en met 1997 in de weg staat.

4.2. Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken.

4.3. Daaraan is mondeling, afgezien van hetgeen reeds hiervoor onder de vast-staande feiten is opgenomen, toegevoegd - zakelijk weergegeven-

Namens belanghebbende:

Het gestelde boven aan pagina 2 van de pleitnota ziet op de gesprekken tussen [belanghebbendes directeur] en [belanghebbendes adviseur].

Uit de briefwisseling vlak voor het eindgesprek blijkt dat [ambtenaar-1] tijdens de controle overzichten heeft gemaakt van de reiskostenvergoedingen en de daarvoor in aanmerking komende werknemers. Deze overzichten waren afgeleid uit agenda’s e.d..

Tijdens het eindgesprek is voornamelijk gesproken over onderwerpen betreffende de inkomstenbelasting. Dat komt ook naar voren uit de teruggevonden aantekeningen van dat gesprek van [belanghebbendes adviseur].

Tot 1992 stond in de Handleiding loonbelasting nog niets over de carpoolregeling. Belanghebbende heeft de carpoolregeling destijds zelf ingevoerd aan de hand van branche-informatie. [Belanghebbendes adviseur] was bij die invoering niet betrokken.

Door de Inspecteur:

Dat [belanghebbendes directeur] niet deskundig is op het terrein van de loonbelasting is niet relevant. Te dezen wordt de deskundigheid van de door belanghebbende ingeschakelde adviseur aan haar toegerekend.

Na het eerste boekenonderzoek van de Belastingdienst zijn correcties ter zake van de carpoolregeling achterwege gebleven omdat bij [ambtenaar-1] de stellige indruk was ontstaan dat binnen het bedrijf maatregelen waren genomen om in de toekomst de gegevens van de carpoolregeling adequaat vast te leggen. De carpoolregeling is tijdens het eindgesprek aan de orde geweest. Hij verwijst ook naar hetgeen [ambtenaar-1] in zijn handgeschreven notitie heeft vermeld als vastlegging van het antwoord op een gestelde vraag inzake de carpoolregeling. Deze zin is cruciaal. Bij [ambtenaar-1] is een toekomstgericht verwachtingspatroon gewekt. Er is een weg naar de toekomst gewezen. Daarom is niet nageheven ter zake van de carpoolregeling.

Hij verwijst naar de ambtsedige verklaring van [ambtenaar-1] die als bijlage 4 bij het verweerschrift is gevoegd. Volgens hem heeft [ambtenaar-1] objectief verklaard.

De tijdens en na het boekenonderzoek in 1994 met de hand geschreven notitie van [ambtenaar-1] bevat een mengeling van punten die in het eindoverleg aan de orde moesten worden gesteld, die aan de orde zijn gesteld en die nader intern moesten worden overlegd.

Het is inderdaad niet goed dat de uitkomsten van het onderzoek naar de carpoolregeling over 1990-1992 niet in rapport van het eerste boekenonderzoek zijn vermeld. Het rapport is in dat opzicht te beperkt gehouden. Evenzo als [ambtenaar-1] dat in zijn ambtsedige verklaring aangeeft, vindt hij dat zelf ook onbegrijpelijk. [ambtenaar-1] is ervan overtuigd dat een en ander is besproken. Hij, de Inspecteur, heeft wel het gevoel dat [ambtenaar-1] het zo heeft gedaan als hij zegt.

In een rapport van een boekenonderzoek kan niet alles worden opgeschreven. Er is ook nog zoiets als de eigen verantwoordelijkheid van de belastingplichtige. Belanghebbende legt de lat gewoon te laag.

Hij stelt overigens niet dat de fiscus materieel gezien belasting van belanghebbende tekort is gekomen. Het gaat om het niet voldoen aan de administratieve voorwaarden van de carpoolregeling.

4.4. Belanghebbende verzoekt vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de nageheven loonheffing met een bedrag van f 43.902, alsmede dienovereenkomstig vermindering van heffingsrente.

4.5. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Vast staat dat belanghebbende vanaf de inwerkingtreding van de carpoolregeling niet voldoet aan alle voor de regeling gestelde administratieve verplichtingen in artikel 8, zevende lid (tot 1997) respectievelijk vierde lid (vanaf 1 januari 1997), van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990. In de administratie van belanghebbende ontbreken zogenaamde carpoolcontracten, te weten de schriftelijk vastgelegde overeenkomsten tussen de vervoerende werknemer enerzijds en de inhoudingsplichtige en de andere werknemers anderzijds. Ook is a) niet in alle gevallen op rittenstaten bijgehouden wie zijn meegereden of b) zijn niet in alle gevallen door de meerijder(s) de rittenstaten ondertekend.

5.2. Belanghebbende stelt evenwel dat zij aan de gang van zaken tijdens en na het boekenonderzoek in 1994, in het bijzonder het achterwege laten door de Inspecteur van het maken van een opmerking met betrekking tot de formele uitvoering van de carpoolregeling over de gecontroleerde periode 16 oktober 1990 tot en met 31 december 1992, het rechtens te beschermen vertrouwen kon en mocht ontlenen dat zij op een voor de fiscus aanvaardbare wijze uitvoering gaf aan de carpoolregeling.

5.3. Uit hetgeen partijen met betrekking tot het boekenonderzoek in 1994 en het afsluiten van dat onderzoek met het eindgesprek op 23 september 1994 hebben verklaard en ingebracht, leidt het Hof het volgende af.

Tijdens het boekenonderzoek en bij het uitwisselen van nadere gegevens en informatie tussen [belanghebbendes adviseur] en de ambtenaar voorafgaande aan het eindgesprek is de carpoolregeling aan de orde geweest. Namens belanghebbende is inzicht verschaft in de feitelijke toepassing van de regeling en is aan [ambtenaar-1] een overzicht verschaft van de voor het werk bezochte plaatsen en van de werknemers die daar naar toe zijn gereden. [Ambtenaar-1] heeft een overzicht opgesteld van de door belanghebbende per week aan werknemers uitbetaalde reiskostenvergoedingen.

5.4. Op 23 september 1994 heeft tussen [belanghebbendes adviseur] en [ambtenaar-1] met betrekking tot het boekenonderzoek een eindgesprek plaatsgevonden. [ambtenaar-1] heeft, zoals hij zelf ook in zijn ambtsedige verklaring vermeldt, voor het eindgesprek een met de hand geschreven notitie met te bespreken punten opgesteld. De notitie, waarvan een afschrift bij het verweerschrift is overgelegd, vermeldt conclusies uit het boekenonderzoek, berekeningen van correcties, verzonden renseignementen, op te leggen boeten en passages omtrent na 23 september 1994 gevoerd intern overleg.

De notitie bevat niet de naam van [belanghebbendes adviseur] of enige weergave van door [belanghebbendes adviseur] in het eindgesprek ingenomen standpunten.

5.5. Anders dan de Inspecteur op pagina zes van het verweerschrift schrijft, kan het Hof – mede gelet op hetgeen hij in dit verband ter zitting heeft verklaard - de Inspecteur geenszins volgen in zijn betoog dat de notitie van [ambtenaar-1] is ‘een zeer gedetailleerd verslag van het eindgesprek dat door [ambtenaar-1] onmiddellijk na afloop van het eindgesprek is opgemaakt.’ Wel aannemelijk is dat [ambtenaar-1] met het oog op het eindgesprek aantekeningen heeft gemaakt en ook dat hij ter voorbereiding van dat gesprek informatie heeft opgevraagd. Uit de handgeschreven notitie kan evenwel niet worden opgemaakt wat tijdens het eindgesprek aan de orde is geweest.

5.6. Belanghebbende, die het betoog van de Inspecteur bestrijdt, stelt zich op het standpunt dat in het eindgesprek niet kenbaar is gemaakt dat een grote correctie dreigde, omdat niet aan de formele vereisten van de carpoolregeling zou zijn voldaan. Zou dit wel kenbaar zijn gemaakt dan zou [belanghebbendes adviseur] haar daarvan, om een groot risico met betrekking tot de loonbelasting te vermijden, op de hoogte hebben gesteld.

Nu vervolgens in het kort na het eindgesprek door [ambtenaar-1] opgestelde rapport van het boekenonderzoek van 17 oktober 1994 omtrent de carpoolregeling niets was vermeld - uit het rapport bleek dat de loonbelastingadministratie van belanghebbende op enkele marginale zaken na in orde was bevonden – is, aldus belanghebbende, bij haar het vertrouwen gewekt dat de Inspecteur met de gang van zaken met betrekking tot de carpoolregeling, waaronder het bijhouden van gegevens van werknemers aan wie reiskostenvergoedingen zijn betaald en van werknemers die zijn meegereden, had ingestemd.

5.7. Het Hof acht het namens belanghebbende gestelde, gezien in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, geloofwaardig. De Inspecteur maakt tegenover de bestrijding door belanghebbende onvoldoende aannemelijk dat de carpoolregeling tijdens het eindgesprek op 23 september 1994 aan de orde is gesteld of dat belanghebbende, nadat enige dagen na het eindgesprek intern de conclusie was getrokken dat naheffing ter zake van de carpoolregeling achterwege kon blijven, omtrent deze conclusie van de Belastingdienst en de reden voor die conclusie is geïnformeerd. Ook het kort nadien opgemaakte rapport van het boekenonderzoek maakt geen enkele melding van de carpoolregeling. Dit had wel voor de hand gelegen, nu de carpoolregeling door de controlerende ambtenaar uitvoerig was onderzocht en het in vergelijking met de wél aangebrachte maar geringe correcties bij de carpoolregeling ging om een kwestie met een voor de loonbelasting groot geldelijk belang. Mogelijk heeft in de opstelling van de Belastingdienst naar belanghebbende meegespeeld, dat uit nader intern onderzoek was gebleken dat de meerijdende werknemers niet zelf in hun aangiften reiskosten in aftrek hadden gebracht en tevens dat de indruk bestond, zoals de Inspecteur ook ter zitting heeft beaamd, dat de fiscus door de wijze van administreren van gegevens van de carpoolregeling door belanghebbende niet tekort was gekomen. Zoals gezegd is evenwel niet aannemelijk geworden dat belanghebbende omtrent de beweegredenen van de fiscus is geïnformeerd.

5.8. Het vorenstaande overziend is het Hof van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gang van zaken tijdens en na het onderzoek in 1994, zich terecht beroept op rechtens bescherming verdienend bij haar gewekt vertrouwen dat de wijze waarop zij de carpoolregeling administreerde door de Inspecteur was geaccepteerd. Er is naar het oordeel van het Hof geen sprake van een zodanig zwaarwegende onjuiste wetstoepassing, dat om die reden het beroep van belanghebbende niet kan slagen.

5.9. Het gelijk in deze procedure is derhalve aan belanghebbende.

6. Proceskosten

Belanghebbendes proceskosten zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op [2 (beroepschrift en bijwonen zitting) x € 322 x 1,5] € 966.

8. Beslissing

Het Gerechtshof

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- vermindert de naheffingsaanslag tot een ten bedrage van € 8.275 (f 18.235) aan loonbelasting/premie volksverzekeringen met berekening van heffingsrente;

- gelast de Staat der Nederlanden aan belanghebbende het door haar gestorte griffierecht van € 204,20 (f 450) te vergoeden;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van € 966, te vergoeden door de Staat der Nederlanden.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2004 door mr. Röben, vice-president, voorzitter, mr Ettema en prof mr Monsma, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr Linssen als griffier.

De griffier, De voorzitter,

I. Linssen J.B.H. Röben

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 24 februari 2004

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.