Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2004:AO6953

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
02-02-2004
Datum publicatie
05-04-2004
Zaaknummer
02-03517
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de gevraagde teruggaaf terecht door de Inspecteur is geweigerd. Bij de beantwoording van deze vraag houdt partijen verdeeld het doorslaggevende antwoord op de vraag of belanghebbende kan worden gerekend tot de instellingen als bedoeld in artikel 36l, lid 11, van de Wet belastingen op milieugrondslag (hierna: Wmb).

Wetsverwijzingen
Successiewet 1956 24
Wet belastingen op milieugrondslag 36l
Wet inkomstenbelasting 2001 6.33
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2004/24.29 met annotatie van Redactie
FutD 2004-0691
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

eerste meervoudige belastingkamer

nummer 02/03517 (energiebelasting)

U i t s p r a a k

op het beroep van Stichting [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Team Energiepremies [P] op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden verzoek om teruggaaf van betaalde regulerende energiebelasting.

1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

1.1. Belanghebbende heeft op 11 maart 2002 bij de Inspecteur ingediend twee schriftelijke verzoeken tot teruggaaf van 50% van de regulerende energiebelasting die zij vanaf 1 januari 2000 heeft betaald voor electriciteit en aardgas, gebruikt in het door haar te [Z] geëxploiteerde buurthuis.

1.2. Bij beschikkingen van 4 en 17 juni 2002 heeft de Inspecteur deze verzoeken afgewezen omdat belanghebbende op het aanvraagformulier had aangegeven dat de instelling hoofdzakelijk (minimaal 70%) werkzaam is op het gebied van sport, gezondheidszorg of onderwijs. Belanghebbende heeft tegen de afwijzende beschikkingen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de beschikkingen bij de bestreden uitspraak d.d. 27 augustus 2002 gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend, de Inspecteur een conclusie van dupliek.

1.4. Partijen hebben het Hof schriftelijk toestemming gegeven zonder mondelinge behandeling van de zaak uitspraak te doen. Het Hof heeft het onderzoek vervolgens op de voet van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht gesloten.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende stelt zich – volgens haar sinds 6 april 1994 geldende statuten waarin zij de naam Stichting [X] draagt – ten doel:

“Artikel 2

1. De stichting heeft ten doel:

- het vervullen van een buurcentrumfunctie in de gemeente [Z] in zijn algemeenheid en meer in het bijzonder binnen de buurt/wijk, waar het door de stichting te gebruiken/gebruikte gebouw is gesitueerd, waarbij a priori wordt uitgegaan van vrijwilliggerswerk;

- het bevorderen, uitvoeren en in stand houden van vormende, recreatieve en educatieve aktiviteiten voor (buurt)bewoners, categorieën, buurten en wijken, alsmede de ondersteuning van belangenbehartigende aktiviteiten op dat terrein;

- en voorts al hetgeen met een en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin des woords.

2. De stichting tracht haar doel onder meer te bereiken door:

- het ontwikkelen en in stand houden van een buurtorganisatie;

- het inzetten van vrijwilligers;

- het ontwikkelen van aktiviteiten ter verkrijging van subsidie-gelden en andere (geld-)middelen;

- het beheren en exploiteren van een gebouw/akkomodatie;

- het voeren van een administratie;

- alle overige aktiviteiten die aan het doel dienstbaar kunnen zijn.”

2.2. Het totaalbedrag van de door belanghebbende teruggevraagde energiebelasting bedraagt € 957,30 (f 2.109,62).

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de gevraagde teruggaaf terecht door de Inspecteur is geweigerd. Bij de beantwoording van deze vraag houdt partijen verdeeld het doorslaggevende antwoord op de vraag of belanghebbende kan worden gerekend tot de instellingen als bedoeld in artikel 36l, lid 11, van de Wet belastingen op milieugrondslag (hierna: Wmb).

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en teruggaaf van de gevraagde regulerende energiebelasting. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. In het zevende lid van artikel 36l van de Wmb (tekst 2000) is bepaald dat op verzoek teruggaaf van regulerende energiebelasting wordt verleend met betrekking tot aardgas en elektriciteit, gebruikt in onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningsbijeenkomsten van levensbeschouwelijke aard.

4.2. Ingevolge artikel 36l, elfde lid, van de Wmb is de teruggaafregeling van het zevende lid van overeenkomstige toepassing “op instellingen, die zich blijkens hun statuten de uitoefening ten doel stellen van activiteiten van maatschappelijke, sociale of culturele aard”. Een en ander is nader uitgewerkt in artikel 8ja van de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag (hierna: Uitvoeringsregeling) die op 1 oktober 2000 in werking is getreden en terugwerkt tot en met 1 januari 2000.

4.3. Blijkens de toelichting op artikel 8ja van de Uitvoeringsregeling kan voor de beantwoording van de vraag of een instelling zich blijkens haar statuten de uitoefening van activiteiten van maatschappelijke, sociale of culturele aard ten doel stelt in de praktijk worden aangesloten bij het bepaalde in artikel 24, lid 4, van de Successiewet 1956 (hierna Successiewet) en artikel 47 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB) (zie thans artikel 6.33 van de Wet IB 2001) en komt een instelling voor een teruggaaf in aanmerking indien zij is gekwalificeerd dan wel zich zou kunnen kwalificeren als een instelling in de zin van vorenbedoelde artikelen.

4.4. De bewoordingen van artikel 36l, lid 11, van de Wmb en genoemde artikelen 24, lid 4, Successiewet en 47 Wet IB verschillen met betrekking tot de aard van de instellingen onder meer in die zin dat het in die artikelen voorkomende begrip “algemeen nut beogende instelling” in artikel 36l, lid 11, van de Wmb niet voorkomt. Blijkens de voor het jaar 2000 geldende tekst van de Wet kan een instelling een verzoek om teruggaaf doen indien er sprake is van een instelling met als doel het verrichten van activiteiten van maatschappelijke, sociale of culturele aard, los van de vraag of er sprake is van “algemeen nut beogen”.

4.5. Uit genoemde toelichting valt af te leiden dat een instelling in de zin van de artikelen 24, lid 4, Successiewet en 47 Wet IB in ieder geval in aanmerking kan komen voor een teruggaaf. Anders dan de Inspecteur betoogt valt uit die toelichting geenszins af te leiden dat andere instellingen dan die in de zin van de artikelen 24, lid 4 Successiewet en 47 Wet IB, van de teruggaaf zouden zijn uitgesloten.

4.6. Om voor de onderhavige teruggaaf in aanmerking te komen stelt de tot 1 januari 2002 geldende tekst van artikel 36l, lid 11, van de Wet slechts als criterium dat de instellingen “zich blijkens hun statuten de uitoefening ten doel stellen van activiteiten van maatschappelijke, sociale of culturele aard”. Daarnaast bevat de Uitvoeringsregeling de eis dat de feitelijke werkzaamheden met de statutaire overeenkomen.

4.7. Gelet op artikel 2 eerste en tweede lid van belanghebbendes statuten, heeft de onderhavige instelling ten doel het bevorderen, uitvoeren en in standhouden van vormende, (re)creatieve en educatieve aktiviteiten voor bewoners die in de buurt van het buurtcentrum wonen, alsmede de ondersteuning van belangenbehartigende aktiviteiten op dat terrein en tracht belanghebbende haar doel onder meer te bereiken door het beheren en exploiteren van een gebouw/akkomodatie.

4.8. Anders dan in de uitspraak van het Hof Leeuwarden van 12 mei 2003, waarnaar de Inspecteur in zijn verweerschrift verwijst, is in het onderhavige geval geen sprake van een instelling die ten dienste van haar leden uitsluitend een gebouw exploiteert.

4.9. Uit belanghebbendes resultatenrekeningen van de jaren 2000 en 2001 waarvan in het verweerschrift samenvattingen zijn vermeld, blijkt dat de opbrengst van de exploitatie van het gebouw in deze jaren f 13.627,28 respectievelijk f 23.929,56 bedroeg en dat belanghebbendes aktiviteiten van maatschappelijke, sociale of culturele aard f 8.602,20 respectievelijk f 1.261,50 hebben opgebracht. De Inspecteur trekt daaruit de conclusie dat deze activiteiten gering van omvang waren.

4.10. Uit genoemde jaarstukken blijkt echter tevens dat belanghebbende subsidies heeft ontvangen, welke – naar het Hof aanneemt – zijn verstrekt en aangewend ten behoeve van de activiteiten van maatschappelijke, sociale en culturele aard. In de jaren 2000 en 2001 bedroegen deze subsidies f 29.680,18 respectievelijk f 30.723,85. Nog daargelaten of het juist is dat de Inspecteur de barinkomsten volledig aan de exploitatie van het gebouw toerekent – het is immers goed denkbaar dat een deel van deze inkomsten betrekking heeft op de activiteiten van maatschappelijke, sociale en culturele aard –, acht het Hof op grond van de gegevens uit genoemde resultatenrekeningen de conclusie gerechtvaardigd dat belanghebbendes feitelijke activiteiten grotendeels van maatschappelijke, sociale en culturele aard waren. Belanghebbendes feitelijke activiteiten komen alsdan overeen met haar statutaire.

4.11. Het vorenoverwogene leidt het Hof tot het oordeel dat het doel van belanghebbende is de uitoefening van activiteiten van maatschappelijke, sociale of culterele aard. Zij voldoet daarmee aan de voorwaarden gesteld in artikel 36l, lid 11 van de Wmb en de op dat artikel berustende Uitvoeringsregeling. Belanghebbende heeft derhalve recht op teruggaaf van regulerende energiebelasting ten bedrage van € 957,30 (f 2.109,62).

5. Proceskosten

In beroep is niet gebleken van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en ook overigens niet van kosten die volgens artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht kunnen worden begrepen in een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Gerechtshof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

- gelast de Inspecteur aan belanghebbende een teruggaaf te verlenen van € 957,30

- gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van € 218.

Aldus gedaan te Arnhem op 2 februari 2004 door mr. N.E. Haas, vice-president, voorzitter, mr. drs. F.J.P.M. Haas en mr. J.A. Monsma, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr J.L.M. Egberts als griffier.

(J.L.M. Egberts) (N.E. Haas)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 3 februari 2004

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

– de naam en het adres van de indiener;

– de dagtekening;

– de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

– de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.