Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2004:AO6879

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
25-03-2004
Datum publicatie
01-04-2004
Zaaknummer
21-004833-03
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2005:AS2500
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2005:AS2500
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft haar partner gedood. Het beroep op noodweer en noodweerexces faalt. Er staat wel vast dat er sprake is geweest van wederrechtelijk aantasting van het lijf van verdachte, maar een verdediging als de onderhavige te weten steken met een mes was niet geboden. De weergave van de feiten door de verdediging is op cruciale punten niet aannemelijk geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-004833-03

Uitspraak dd.: 25 maart 2004

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Zwolle van 7 oktober 2003 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum],

wonende te [adres],

thans verblijvende in PI Overijssel te Zwolle.

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 11 maart 2004 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd dat:

(zie voor de inhoud van de dagvaarding bijlage II)

Indien in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen, dat verdachte het primair telastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het subsidiair telastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 11 mei 2003 in de gemeente Lelystad, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, met een mes gestoken in de rug en in de buitenkant/zijde van de rechterbovenarm, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is telastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf

ten aanzien van het subsidiair bewezenverklaarde:

Doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Verweer

Primair heeft de raadsman ter terechtzitting betoogd – zakelijk weergegeven - dat verdachte haar partner [slachtoffer] met een mes heeft gestoken toen hij met zijn volle gewicht boven op haar zat. [slachtoffer] heeft verdachte, terwijl zij op haar rug op de grond lag, met zijn vuisten in haar gezicht geslagen, haar gepoogd te wurgen en haar met haar hoofd tegen de tegels geslagen. Er was sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte. Verdachte kon niet vluchten en verkeerde in levensgevaar. Een verwurging, gepaard gaande met het slaan van het hoofd tegen betonnen stenen, had kunnen leiden tot de dood van verdachte, dan wel tot zwaar lichamelijk letsel. De raadsman heeft om die redenen verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging, omdat zij zich kan beroepen op noodweer.

Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat sprake is geweest van noodweerexces. Aannemelijk is dat sprake is geweest van een overschrijding van de grenzen van een noodzakelijke verdediging, die veroorzaakt werd door een hevige gemoedsbeweging, die door de aanranding veroorzaakt werd.

Meer subsidiair heeft de raadman aangevoerd dat sprake is geweest van psychische overmacht. Hij heeft daartoe gesteld dat daarbij uitgegaan kan worden van andere feiten dan de lezing van verdachte. Het is aannemelijk te achten dat verdachte heeft gehandeld in een vlaag van angst, paniek, woede en emotie. De verdachte was reeds gedurende zeven jaar meerdere malen - zelf zegt ze 20 maal - door [slachtoffer] in elkaar geslagen. Verdachte zag dit nu weer aankomen en heeft [slachtoffer] uit angst en in een hevige gemoedstoestand gestoken.

Op grond van de verklaringen van verdachte en getuigen, acht het hof aannemelijk dat het volgende zich heeft voorgedaan:

-Op 10 mei 2003 was verdachte samen met [slachtoffer] in de kantine van het bungalowpark “Muiderberg” te Lelystad. Gedurende de avond dronk verdachte wijn en [slachtoffer] bier. Verdachte heeft een woordenwisseling met [slachtoffer] gehad omdat zij naar hun huisje terug wilde keren, maar hij niet mee wilde gaan.

-Omstreeks 02.00 uur sloot de kantine en zijn verdachte en [slachtoffer], in het gezelschap van anderen, naar het huisje van [getuigen 2 en 3] gegaan. Ook daar kreeg verdachte een woordenwisseling, waarna [getuige 3] haar verzocht weg te gaan. Verdachte ging daarop naar haar huisje en is na enige tijd naar bed gegaan.

-Niet lang daarna is [slachtoffer] thuisgekomen en is ook hij op bed gaan liggen om te gaan slapen. Wederom ontstond een woordenwisseling. Hierbij was verdachte de initiatiefneemster omdat [slachtoffer] geen zin had in een discussie en wilde slapen.

-De bij partijen inwonende zoon van [slachtoffer], [getuige 1], heeft verdachte verzocht stil te zijn, omdat hij wilde slapen. Verdachte riep [getuige 1] toe zijn bek te houden en ging voort met het maken van opmerkingen tegen [slachtoffer].

-Volgens [getuige 1] werd zijn vader op een gegeven moment kwaad en stelde verdachte voor de keuze om te gaan slapen en de ruzie de volgende dag uit te praten of de ruzie zou nog heviger worden. [getuige 1] heeft verdachte op uitdagende toon horen roepen woorden als “kom maar op”, waarop hij [slachtoffer] uit zijn bed hoorde stappen en [slachtoffer] verdachte kennelijk aanvloog.

-Verdachte is de slaapkamer uitgerend en heeft terwijl ze door de keuken rende volgens haar eigen verklaring iets meegegrist.

Het hof constateert dat de lezingen van verdachte en [getuige 1] omtrent de gebeurtenissen tot zover in hoofdlijn gelijkluidend zijn.

Volgens verdachte vloog [slachtoffer] haar aan, sloeg haar in het gezicht en is hij achter haar aan gerend. Toen ze door de keuken rende heeft zij iets meegegrist om zich naar eigen zeggen tegen [slachtoffer] te kunnen verdedigen. Juist toen zij de deur naar het terras uitliep, zou hij haar een harde trap of duw hebben gegeven, waarbij zij over de tuintafel heen viel. Daarbij zou hetgeen zij had meegegrist op de grond zijn gevallen. Verdachte zou boven op haar gedoken zijn, waarbij de stoelen wegvlogen. [slachtoffer] zou op haar zijn gaan zitten, terwijl zij op haar rug op de grond lag. In die positie zou [slachtoffer] haar in haar gezicht hebben geslagen, haar hebben willen wurgen en haar met haar hoofd tegen de grond hebben geslagen. Zij zou met haar hand gezocht hebben naar het voorwerp dat zij had meegegrist en bij haar val had verloren, dit hebben vastgepakt en daarmee een zwaaibeweging hebben gemaakt, waarbij zij [slachtoffer] in de rug ter hoogte van de schouder had getroffen. Zij zou één keer een zwaaibeweging hebben gemaakt. Verdachte heeft telkens verklaard niet te hebben geweten wat ze uit de keuken meegriste. Volgens verdachte zou ze pas later hebben gemerkt dat ze een mes had meegegrist waarmee zij de zwaaibeweging had gemaakt.

Het hof overweegt te dien aanzien het volgende.

- Verdachte is degene geweest die aanvankelijk de confrontatie met [slachtoffer] aanging en kennelijk niet tot andere gedachten te brengen was;

- Vast is komen te staan dat verdachte een mes heeft meegegrist uit een zich in de keuken bevindend messenblok. Gelet op de handeling die nodig is om het mes uit het messenblok te pakken, de afmetingen en zwaarte van het mes, is niet aannemelijk dat verdachte niet meteen wist dat ze een mes meepakte. Verdachte heeft daar overigens ook verschillend over verklaard. Zij heeft ook verklaard dat zij direct na het wegrissen uiteraard wel in de gaten had dat zij een mes in haar handen had;

- Uit de verklaring van [getuige 1], zoals afgelegd ten tijde van de gehouden reconstructie, blijkt dat hij - nadat verdachte en [slachtoffer] naar buiten gingen - heel snel zijn bed uitkwam en ook naar buiten ging. Hij trof [slachtoffer] aan zittend boven op verdachte, met zijn handen ter hoogte van haar schouders/hals – hij kon dit niet goed zien, omdat zijn vader met zijn rug naar hem toe zat - terwijl verdachte op haar rug op de grond lag. Hij heeft verklaard zijn vader toen bij de schouder te hebben gepakt en van verdachte af te hebben getrokken, waarna zijn vader opstond. Er was op dat moment volgens [getuige 1] geen sprake van enige verwonding bij zijn vader. Hij heeft toen geen mes gezien. De tuintafel stond op zijn normale plek met de tuinstoelen op hun gewone plaats. Omdat hij dacht dat de rust was weergekeerd, is hij weer naar bed gegaan. Het was vervolgens even stil en daarna hoorde hij lawaai dat leek op het breken van tuinmeubilair, waarna het opeens helemaal stil was. Toen hij wederom naar buiten liep trof hij zijn vader bloedend aan en was verdachte niet meer ter plekke aanwezig;

- De verklaring van [getuige 1] wordt op dit laatste punt bevestigd door een buurvrouw, [getuige 4], die verklaard heeft dat zij op het toilet gezeten, tuinmeubelen hoorde schuiven, waarna het stil werd;

- Verdachte zelf heeft verklaard [getuige 1] in de tuin in het geheel niet te hebben gezien;

- Uit het dossier blijkt dat [slachtoffer] twee steekwonden zijn toegebracht. Eén ter hoogte van de schouder, waarbij het mes via het schouderblad twee wonden heeft veroorzaakt in de oksel van de rechterarm en een tweede snijwond in de rechterbovenarm, waardoor een slagaderlijke bloeding ontstond; [slachtoffer] is ten gevolge van massaal bloedverlies overleden;

- Uit het dossier blijkt ten slotte dat verdachte zelf diverse oppervlakkige verwondingen opliep, bestaande uit schrammen en ontvellingen.

Gelet op het hiervoor overwogene, met name

- het feit dat verdachte geweten moet hebben dat zij een mes meegriste;

- het feit dat sprake is geweest van het toebrengen van twee steekwonden;

- de verklaringen van [getuige 1], die door het hof als geloofwaardig en authentiek worden beschouwd en die in een aantal opzichten lijnrecht staan tegenover de verklaringen van verdachte, waarbij het hof het onaannemelijk acht dat verdachte niets van het ingrijpen door [getuige 1] zou hebben gemerkt;

- het tamelijk geringe letsel bij verdachte zelf,

faalt het beroep op noodweer en noodweerexces. Er staat wel vast dat er sprake is geweest van wederrechtelijk aantasting van het lijf van verdachte, maar een verdediging als de onderhavige te weten steken met een mes was niet geboden. De weergave van de feiten door de verdediging is op cruciale punten niet aannemelijk geworden. Zo was de aanval beperkt van aard gelet op het tamelijk geringe letsel, is de aanval mede op het conto van verdachte te schrijven –verdachte heeft de confrontatie gezocht- en heeft [getuige 1] volgens zijn verklaring een einde aan de aanval gemaakt. Bovendien is niet aannemelijk geworden dat verdachte nu juist door deze aanval voor haar leven moest vrezen. Er was immers volgens haar zeggen veel vaker sprake van confrontaties en deze hadden slechts beperkt letsel ten gevolge. Gesteld noch gebleken is dat deze aanval van eerdere aanvallen afweek. Met deze kanttekeningen was de aard van de aanval niet zodanig dat daartegen verdediging door twee keer gericht met een mes te steken geboden was. Uit de verwondingen valt immers zonder meer af te leiden dat anders dan verdachte meermalen heeft verklaard er niet één, maar twee keer gestoken is en wel rechtstreeks in de richting van vitale delen.

Het beroep op noodweerexces faalt in het bijzonder bij het ontbreken van de door de aanval veroorzaakte hevige gemoedsbeweging. Als hierboven gezegd komt de aanval mede voor rekening van verdachte. De verdediging heeft volstaan met te stellen dat aannemelijk is te achten dat verdachte heeft gehandeld in een vlaag van angst, paniek, woede en emotie. De aannemelijkheid wordt niet gestaafd met feiten en omstandigheden en het gaat te ver om alle denkbare mogelijkheden te noemen van de hevige gemoedsbeweging zonder aan te geven of er nu sprake was van angst, paniek, woede, een andere emotie of enige combinatie van deze gevoelens. Dat er door de aanval een hevige gemoedsbeweging is ontstaan die er toe heeft geleid dat de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit zijn overschreden is niet aannemelijk geworden. Voor de reactie van verdachte op het gedrag van [slachtoffer] zijn in ieder geval ook andere factoren van belang geweest zoals het alcoholgebruik door verdachte op die avond en een zekere frustratie tengevolge van de eerdere geschillen in de woning van [getuige 2 en 3] en in de kantine.

De psychische overmacht wordt onderbouwd met andere feiten dan de lezing van verdachte over de feiten. Dat reeds maakt een beoordeling van het verweer tot een tamelijk theoretische aangelegenheid. Voorzover het verweer zo begrepen moet worden dat verdachte gedurende langere tijd door het brute optreden van [slachtoffer] zodanig getergd was dat er sprake was een onmiddellijk van buiten komende drang waaraan zij geen weerstand kon bieden, acht het hof niet aannemelijk dat er sprake is geweest van een (intensief) bruut optreden van de kant van [slachtoffer]. Ook hier geldt bovendien dat verdachte –zoals ook uit de verklaring van [getuige 1] blijkt- in de regelmatige confrontaties met [slachtoffer] een eigen aandeel heeft gehad.

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft verdachte ter zake van doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaren. De verdachte en het openbaar ministerie zijn in hoger beroep gekomen. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte, eveneens ter zake van doodslag, wordt veroordeeld tot eenzelfde gevangenisstraf als in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen hoofdstraf bepaald op grond van de ernst van het feit, doodslag, en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft haar partner gedood. Het nemen van het leven van een ander is een zo ernstig feit dat daarbij alleen een vrijheidsstraf van aanzienlijk duur in aanmerking komt. Door een feit als het onderhavige wordt onpeilbaar leed veroorzaakt voor degenen die het slachtoffer nastaan zoals in het bijzonder zijn kinderen en andere familie. Met name de kinderen worden geconfronteerd met een onontkoombaar gegeven en aan te nemen valt dat een feit als het onderhavige blijvende gevolgen heeft voor hun verdere emotionele ontwikkeling.

Het hof heeft bij de bepaling van de duur van de straf tevens in aanmerking genomen en ziet daarin aanleiding de duur te matigen dat voor verdachte sprake is van de dood van haar partner met wie zij goede momenten heeft beleefd. Naar aan te nemen valt is ook de band met zijn kinderen, van wie zij [getuige 1] beschouwde als haar kind, onherstelbaar beschadigd.

Onder deze omstandigheden is een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren gerechtvaardigd.

Het hof heeft bij zijn strafoplegging gelet op de rapporten opgemaakt door drs M.A. Westerborg, psychiater, gedateerd 19 september 2003 en dr F. Koenraadt, psycholoog NIP, gedateerd 12 september 2003.

Drs M.A. Westerborg stelt dat bij betrokkene niet of nauwelijks sprake is van een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis der geestvermogens. In ieder geval leidt dit niet tot psychopathologie. Dr F. Koenraadt heeft tijdens het onderzoek bij betrokkene een lichte gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van persoonlijkheidsproblematiek met afhankelijke trekken geconstateerd.

Het hof zal het feit volledig aan verdachte toerekenen.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van EUR 1.006,20 wegens kosten verbonden aan de begrafenis van [slachtoffer], ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes subsidiair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het primair telastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het subsidiair telastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is telastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

de aan [benadeelde partij] toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [benadeelde partij], te betalen een bedrag van EUR 1.006,20 (duizend zes euro en twintig cent).

Verwijst verdachte in de op de vordering gevallen kosten en bepaalt deze, voorzover aan de zijde van de benadeelde partij gevallen, op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [benadeelde partij], een bedrag te betalen van EUR 1.006,20 (duizend zes euro en twintig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat inzoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr Koksma, voorzitter,

mrs Van Houten en Vegter, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr Apotheker, griffier,

en op 25 maart 2004 ter openbare terechtzitting uitgesproken.