Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2004:AO6417

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-01-2004
Datum publicatie
29-03-2004
Zaaknummer
02-03746
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partijen twisten over de vraag of belanghebbendes activiteiten op het gebied van het inzamelen van tweedehandskleding en de doorverkoop daarvan kan worden aangemerkt als een bron van inkomen (een onderneming).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2004-0623

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

zevende enkelvoudige belastingkamer

nummer 02/03746 (inkomstenbelasting)

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : [X]

te : [Z]

verweerder : de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen [P]

aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar tegen aanslagen

betreft : inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen

jaren : 1999 en 2000

nummers : […H96 en H06]

mondelinge behandeling : op 21 januari 2004 te Arnhem

waarbij verschenen : [belanghebbendes gemachtigde alsmede de Ambtenaar]

gronden:

1. Belanghebbende verrichte onder de naam [X] Management activiteiten. Deze activiteiten bestonden uit het inzamelen van tweedehandskleding, die vervolgens werden doorverkocht aan afnemers in Nederland en hulpbehoevende landen in [het buitenland].

2. Partijen twisten over de vraag of belanghebbendes activiteiten op het gebied van het inzamelen van tweedehandskleding en de doorverkoop daarvan kan worden aangemerkt als een bron van inkomen (een onderneming).

3. De onder 1. en 2. bedoelde activiteiten kunnen alleen dan worden aangemerkt als een bron van inkomen indien met die activiteiten voordeel werd beoogd en dat voordeel redelijkerwijs ook te verwachten was.

4. De inspecteur heeft erop gewezen dat de activiteiten sinds belanghebbende daarmee in 1996 is gestart tot en met het jaar 2000 steeds een verlies opleverden (dat verlies bedroeg respectievelijk f. 38.362, f. 12.764, f. 23.318, f. 30.161 en f. 18.104). Ter zitting is voorts komen vast te staan dat belanghebbende de activiteiten in 2002 heeft beëindigd.

5. Gelet op de door belanghebbende in de jaren tot en met het onderhavige jaar 2000 met de activiteiten gerealiseerde negatieve resultaten ligt in redelijkheid op hem de last aannemelijk te maken dat redelijkerwijs van die activiteiten desalniettemin - zij het in de toekomst - (een meer dan incidenteel) voordeel te verwachten was.

6. Belanghebbende is er met hetgeen hij heeft aangevoerd niet in geslaagd het van hem verlangde bewijs te leveren. De omstandigheid dat hij voor de heffing van de omzetbelasting wel als ondernemer is aangemerkt is hiertoe onvoldoende nu, naar de inspecteur met juistheid aanvoert, voor de omzetbelasting ook sprake kan zijn van ondernemerschap zonder dat winst wordt gemaakt (of redelijkerwijs te verwachten is).

7. In een op 9 maart 2000 opgemaakt rapport naar aanleiding van een onderzoek inzake onder andere de aanvaardbaarheid van de aangiften inkomstenbelasting 1997 en 1998 wordt met betrekking tot de activiteiten opgemerkt: “Draait met verlies en komende twee jaar beoordelen of het ondernemerschap in gebruikte kleding nog van toepassing is”. Die omstandigheid brengt niet – zoals belanghebbende verdedigt – mee dat de inspecteur gehouden zou zijn de activiteiten eerder dan thans het geval is geweest te beoordelen naar de vraag of (nog) wel sprake was van een onderneming. De opmerkingen in het controlerapport hadden veeleer voor belanghebbende zelf aanleiding moeten zijn het ondernemerschap in het licht van de voortdurende negatieve resultaten te (laten) beoordelen.

8. Ook hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd omtrent de consequenties van het niet aanvaarden van een bron van inkomen (zoals die voor de aangegane “Tante Agaathlening”) kunnen er niet toe leiden dat het door belanghebbende in de onderhavige jaren opgevoerde negatieve resultaat uit de activiteiten in aanmerking wordt genomen bij het vaststellen van zijn belastbaar inkomen.

9. Met betrekking tot het jaar 1999 heeft de Inspecteur nader het standpunt in genomen dat het belastbaar inkomen van belanghebbende moet worden verminderd met ? 8.023 (in verband met het bij gebreke van een onderneming vervallen van de bijtelling op grond van artikel 42, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964). Ter zitting heeft hij zijn beroep op ‘interne compensatie’ in verband met eventueel teveel ontvangen vergoedingen voor woon-werkverkeer laten vallen.

10. Het beroep is in zoverre gegrond dat de aanslag over het jaar 1999 dient te worden verminderd met f. 8.023 tot (f. 90.776 – f. 8.023 =) f. 82.753.

proceskosten:

Belanghebbendes proceskosten zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op € 18 aan reis- en verblijfkosten.

beslissing:

Het Gerechtshof:

- verklaart het beroep ongegrond voor zover dat betrekking heeft op de aanslag over het jaar 2000;

- verklaart het beroep gegrond voor zover dat betrekking heeft op de aanslag over het jaar 1999;

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep voor zover die betrekking heeft op de aanslag over het jaar 1999;

- vermindert de aanslag over het jaar 1999 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van f. 82.753 en overigens met inachtneming van de elementen die bij het vaststellen daarvan in aanmerking zijn genomen;

- gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht van € 29;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van € 18 en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2004 door mr.drs. F.J.P.M. Haas, lid van de zevende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. K. van der Leij als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(K. van der Leij) (F.J.P.M. Haas)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 28 januari 2004

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het Gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.