Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2004:AO6408

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-01-2004
Datum publicatie
29-03-2004
Zaaknummer
99-03484
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2007:BA7178, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vragen of belanghebbendes onroerende zaak belang heeft bij de uitoefening van de waterbeheersingstaak door het waterschap doordat het waterbezwaar oplevert voor lager gelegen delen van het gebied waarin het waterschap het waterkwantiteitsbeheer voert en of daaraan voor het waterschap kosten zijn verbonden. Belanghebbende verdedigt, zoals het Hof verstaat, het standpunt dat zijn perceel geen direct of indirect belang heeft bij de taakuitoefening door het waterschap, dat zijn perceel voor het waterschap geen kosten veroorzaakt en dat zijn perceel derhalve moet worden ingedeeld in een niet betalende omslagklasse.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2004, 524
FutD 2004-0642
Belastingblad 2004/488
V-N 2004/30.1.19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

eerste meervoudige belastingkamer

nummer 99/03484 (waterschapsomslagen)

U i t s p r a a k

op het beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de secretaris/directeur van het waterschap Veluwe (hierna: de Ambtenaar) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aan hem opgelegde aanslag in de waterschapsomslagen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 31 december 1998 en aanslagnummer [01] voor het jaar 1998 een aanslag in de waterschapsomslagen opgelegd van ƒ 80.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. De Ambtenaar heeft de aanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

De Ambtenaar heeft een vertoogschrift ingediend.

1.4. De eerste mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 29 november 2001 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede [de Ambtenaar]. Ter zitting is aan de Ambtenaar verzocht schriftelijke inlichtingen te geven met betrekking tot de vragen of de onroerende zaak van belanghebbende waterbezwaar oplevert voor lager gelegen percelen binnen het gebied van het waterschap en, zo ja, of hieraan voor het waterschap kosten zijn verbonden. Het onderzoek ter zitting is vervolgens geschorst en het vooronderzoek hervat.

1.5. De onder 1.4 bedoelde schriftelijke inlichtingen zijn bij brief van 24 april 2002 namens de Ambtenaar ingediend. Belanghebbende heeft bij brief van 31 maart 2003 een reactie ingediend.

1.6. De tweede mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 19 december 2003 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede [de Ambtenaar].

1.7. De Ambtenaar heeft in de tweede zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota moet als hier ingelast worden aangemerkt.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende is eigenaar van een onroerende zaak gelegen aan de [a-weg 1 te Z]. Het betreft een woonhuis met tuin en een stuk bosgrond. Het betreffende perceel beslaat in totaal een oppervlakte van 2,76 hectaren. Het perceel is gelegen circa twee kilometer ten noordoosten van de kern [Z], in een bosrijk villawijkje dat grenst aan de aaneengesloten bosgebieden ‘[z’se-bos]’ en ‘[b-bos]’. Deze bestaan uit gemengd loof- en naaldbos.

2.2. Het gebied waarin het perceel is gelegen is eerst in 1997, bij de instelling van het waterschap Veluwe, in waterschapsverband gebracht. Tot en met 1996 werden met betrekking tot het perceel derhalve geen aanslagen opgelegd in de omslagheffing van enig waterschap.

2.3. De onderhavige aanslag in de omslagheffing gebouwd betreft uitsluitend de taakuitoefening door het waterschap op het gebied van het waterkwantiteitsbeheer. Bij de taakuitoefening op het gebied van de waterkeringszorg heeft het perceel, gegeven de hoogteligging, geen enkel belang.

2.4. De hoogteligging van het perceel is circa 80 meter boven Normaal Amsterdams Peil (+NAP) op maaiveldniveau. De grondsoort is haarpodzol (een soort zand). Het perceelgebied is niet ontwateringsbehoeftig. De grondwaterspiegel ligt ter plaatse van het perceel circa 40 meter onder maaiveld. Het neerslagoverschot van het perceelgebied wordt door middel van percolatie via de zandige bodem volledig afgevoerd naar dit diepe grondwater. Van bovengrondse afstroming is geen sprake.

2.5. Het perceel is niet aangesloten op de riolering. Niet alleen het neerslagoverschot, maar ook vuilwater wordt via de bodem afgevoerd naar het diepe grondwater.

2.6. Het grondwater wordt vanuit het perceelgebied via ondergrondse afstroming naar lager gelegen percelen afgevoerd. Uit een zogeheten isohypsenkaart van het onderhavige deelgebied van het waterschap, die deel uitmaakt van de stukken, blijkt dat het perceel ongeveer aan de noord-oostelijke zijde van de hoogste isohypse ligt. Ter plaatse van het perceel ligt de grondwaterspiegel op circa 40 meter +NAP. Zowel in westelijke, noordelijke als oostelijke richting ligt de grondwaterspiegel van het omringende gebied lager.

2.7. Ter hoogte van het perceelgebied wordt het naastgelegen lagere gebied van het waterschap (globaal) gevormd door het oostelijke gebied van het waterschap met als westelijke grens de overgang van het [c-massief] naar de bebouwde gronden en landbouwgronden onmiddellijk ten westen van het [q’s-kanaal], als oostelijke grens de [d-rivier], als noordelijke grens de lijn tussen de gemeente [Q] en de [d-rivier] en als zuidelijke grens de kern [R]. Op maaiveldniveau bestaat tussen het perceelgebied en dit lagere gebied een verschil in hoogteligging van (80 – 10 =) 70 meter. De afstand tussen het perceelgebied en het lagere gebied bedraagt circa 30 kilometer, zodat het verhang vrij groot is. De verschillen in de grondwaterstanden zijn eveneens vrij groot. Terwijl de grondwaterspiegel zich in het perceelgebied op circa 40 meter + NAP bevindt, is deze in het lagere gebied tussen 14 en 5 meter + NAP gelegen. Het verschil met de grondwaterstand in het perceelgebied bedraagt gemiddeld derhalve ongeveer 30 meter.

2.8. In de directe omgeving van het perceel zijn geen watergangen, welke door het waterschap De Veluwe worden beheerd. De dichtstbijzijnde watergangen zijn de [e-spregen/e-beek] (die circa 5 km ten noorden van het perceel ontspringen), de [f-beek] (idem op circa 6 km ten noordoosten van het perceel) en de [g-sprengen] (idem op circa 7 km ten oosten van het perceel). Deze watergangen staan op hun beurt in verbinding met het aangrenzende watergangenstelsel van de [d-vallei].

2.9. De aanslag is als volgt berekend. De heffingsmaatstaf is blijkens artikel 9 van de Omslagverordening Waterschap Veluwe (hierna: de Verordening), zoals deze voor het onderhavige belastingjaar luidt, de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het tijdvak waarbinnen het desbetreffende belastingjaar valt. Deze waarde bedraagt ƒ 695.000. Blijkens artikel 5, tweede lid, van de Omslagklassenverordening Waterschap Veluwe 1997 (hierna: de Omslagklassenverordening) zijn voor de gebouwde onroerende zaken drie omslagklassen ingesteld, waarin de betreffende onroerende zaken voor de omslagheffing worden ingedeeld. De onderhavige onroerende zaak is ingedeeld in omslagklasse 7, waarvoor ingevolge artikel 6, tweede lid, van de Omslagklassenverordening, de vermenigvuldigingsfactor 0,7 geldt. Het tarief van de omslag gebouwd bedraagt blijkens artikel 10 van de Verordening, voor elke volle ƒ 5.000 van de heffingsmaatstaf: voor het waterkwantiteitsbeheer

ƒ 0,82. Met inachtneming van het voorgaande is de aanslag berekend op

(ƒ 695.000 : ƒ 5.000 =) 139 x 0,7 x ƒ 0,82 = ƒ 79,79 = afgerond ƒ 80.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vragen of belanghebbendes onroerende zaak belang heeft bij de uitoefening van de waterbeheersingstaak door het waterschap doordat het waterbezwaar oplevert voor lager gelegen delen van het gebied waarin het waterschap het waterkwantiteitsbeheer voert en of daaraan voor het waterschap kosten zijn verbonden. Belanghebbende verdedigt, zoals het Hof verstaat, het standpunt dat zijn perceel geen direct of indirect belang heeft bij de taakuitoefening door het waterschap, dat zijn perceel voor het waterschap geen kosten veroorzaakt en dat zijn perceel derhalve moet worden ingedeeld in een niet betalende omslagklasse.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting geen nieuwe argumenten of verweren toegevoegd.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en van de aanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Partijen zijn het erover eens dat water, dat vanuit het gebied waarin belanghebbendes perceel is gelegen ondergronds wordt afgevoerd, in lager gelegen delen van het beheersgebied van het waterschap kwel veroorzaakt en dat een deel van dit water uiteindelijk terecht komt in de Veluwse sprengen, dat wil zeggen in watergangen die door het waterschap worden beheerd.

4.2. In het licht van hetgeen hiervoor onder 2.4 tot en met 2.8. is vermeld staat hiermee naar het oordeel van het Hof vast dat belanghebbendes perceel, als onderdeel van het als waterstaatkundige eenheid te beschouwen perceelgebied waarvan het deel uitmaakt, waterbezwaar oplevert voor lager gelegen delen van het gebied waarin het waterschap het waterkwantiteitsbeheer voert.

4.3. Belanghebbende baseert zijn standpunt dat zijn perceel niettemin zelfs niet enig belang heeft bij de uitoefening van de waterbeheersingstaak door het waterschap, respectievelijk geen kosten veroorzaakt voor het waterschap naar het Hof verstaat onder meer hierop, dat door het in de nabijheid van zijn perceel gelegen drinkwaterstation [Z] relatief grote hoeveelheden grondwater worden onttrokken en dat zijn perceel op verzoek van het waterschap, vanuit ecologische overwegingen niet is aangesloten op de riolering. Een eventueel overschot aan water komt in zijn visie ten goede aan de – ook op de Veluwe dreigende – te lage grondwaterstand. Voor zover er al van enig belang bij de taakuitoefening door het waterschap sprake is, is dat naar zijn oordeel verwaarloosbaar gering. Tegenover de door zijn perceel veroorzaakte kosten staan baten, zodat er per saldo van kostenveroorzaking geen sprake is.

4.4. De Ambtenaar heeft deze stellingen van belanghebbende gemotiveerd bestreden. Dat door het drinkwaterstation [Z] grondwater wordt onttrokken neemt niet weg dat vanuit het perceel en het gebied waarvan dat perceel deel uitmaakt neerslagoverschot en vuilwater worden afgevoerd op het grondwater en dat dit grondwater afstroomt naar lager gelegen delen van het gebied waarin het waterschap het waterkwantiteitsbeheer voert. Evenmin doet hieraan af dat een eventueel overschot aan water helpt voorkomen dat de grondwaterstand te laag zou worden, wat er van deze stelling vanuit ecologisch standpunt ook zij. Dat er tegenover de door belanghebbendes perceel veroorzaakte kosten baten zouden staan wordt door de Ambtenaar gemotiveerd betwist.

4.5. Met de Ambtenaar is het Hof van oordeel dat belanghebbendes stellingen niet afdoen aan het feit dat zijn perceel waterbezwaar oplevert voor lager gelegen delen van het gebied waarin het waterschap het waterkwantiteitsbeheer voert. Tussen partijen is immers niet in geschil dat uit het perceelgebied afkomstig water via ondergrondse afstroming in lager gelegen delen van het waterschapsgebied kwel veroorzaakt en dat een deel van dat water uiteindelijk in de Veluwse sprengen terecht komt.

4.6. Nu tussen partijen vast staat dat een deel van het uit het perceelgebied afkomstige water uiteindelijk in de Veluwse sprengen terecht komt heeft de Ambtenaar voldoende aannemelijk gemaakt dat aan het door belanghebbendes perceel veroorzaakte waterbezwaar voor het waterschap kosten zijn verbonden. De sprengen zijn immers natuurlijk gevormde watergangen, waarvan de dimensionering rechtstreeks samenhangt met de hoeveelheid regenwater en grondwater die daarop worden afgevoerd en waarvan het beheer bij het waterschap ligt. Dat aan het beheer van de onderhavige sprengen voor het waterschap kosten zijn verbonden wordt door belanghebbende niet betwist. De door belanghebbende gestelde baten die tegenover de bedoelde kosten zouden staan zijn door hem tegenover de gemotiveerde betwisting door de Ambtenaar onvoldoende aannemelijk gemaakt.

4.7. Met inachtneming van het voorgaande is het Hof van oordeel dat belanghebbendes perceel door de Ambtenaar terecht is ingedeeld in omslagklasse 7: gebouwde onroerende zaken, gelegen in gebieden die belang hebben bij het watergangenstelsel.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan te Arnhem op 28 januari 2004 door mr. N.E. Haas, voorzitter, mr. drs. A.M. van Amsterdam en prof. mr. dr. J.A. Monsma, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. Delnooz-Engels als griffier.

(J.M.H. Delnooz-Engels) (N.E. Haas)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 28 januari 2004

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

– de naam en het adres van de indiener;

– de dagtekening;

– de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

– de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.