Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2004:AO5917

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-01-2004
Datum publicatie
19-03-2004
Zaaknummer
99/633
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

[appellant] houdt [geïntimeerden] op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk voor de (letsel)schade die hij heeft geleden en lijdt als gevolg van het hem als schepeling op het destijds aan [geïntimeerden] in eigendom toebehorende Nederlandse zeeschip “Dina Jacoba” op 21 januari 1994 te Ancona, Italië, overkomen ongeval. [appellant], als scheepskok/matroos in dienst van [geïntimeerden], is aan dek van dat daar aan de kade liggende schip bekneld geraakt tussen de door vier bemanningsleden uitgelegde loopplank en de opbouw van het schip. [appellant] verwijt [geïntimeerden] dat deze als werkgever niet de zorg heeft betracht die hem ten opzichte van de veiligheid van de zich aan boord van het schip bevindende [appellant] betaamde. De ligging van de loopplank was volgens [appellant] noch aan de wal noch aan boord voldoende gezekerd. Ook had kapitein [geïntimeerde sub 2] hem moeten sommeren zich in veiligheid te stellen en moeten waarschuwen de loopplank niet beet te pakken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2004, 299
S&S 2004, 86
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 januari 2004

derde civiele kamer

rolnummer 1999/633

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

A r r e s t

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr J.M. Bosnak,

tegen

1. [geïntimeerde sub 1],

2. [geïntimeerde sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

procureur: mr J.C.N.B. Kaal.

1. Het geding in eerste instantie

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar het vonnis van 19 mei 1999 dat de arrondissementsrechtbank te Zwolle tussen appellant (hierna te noemen: [appellant]) als eiser en geïntimeerden (hierna te noemen: [geïntimeerden]) als gedaagden heeft gewezen. Van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij exploot van 17 augustus 1999 heeft [appellant] aan [geïntimeerden] aangezegd van voormeld vonnis in hoger beroep te komen, met gelijktijdige dagvaarding van [geïntimeerden] voor dit hof teneinde te horen vorderen dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest:

a. voor recht zal verklaren dat [geïntimeerden] onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld;

b. voor recht zal verklaren dat [geïntimeerden] aansprakelijk zijn voor de door [appellant] als gevolg van het hem op 21 januari 1994 overkomen ongeval geleden en nog te lijden schade;

c. [geïntimeerden] zal veroordelen tot het vergoeden van de door [appellant] als gevolg van vorenbedoeld onrechtmatig handelen geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade, nader op te maken bij staat;

d. [geïntimeerden] zal veroordelen in de kosten van het geding, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] drie grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de zaak voor verdere behandeling zal verwijzen naar de rechtbank te Zwolle.

2.3 Bij memorie van antwoord hebben [geïntimeerden] verweer gevoerd en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met veroordeling van [appellant] in de kosten van - naar het hof begrijpt - het hoger beroep.

2.4 Ten slotte hebben partijen de stukken aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest.

3 De vaststaande feiten

Aangezien geen grief is gericht tegen de vaststelling van de feiten in rechtsoverweging 1 van het bestreden vonnis, zal ook het hof van die feiten uitgaan, met dien verstande dat het hof “Acona” leest als “Ancona”.

Voorts staat vast dat het schip “Dina Jacoba” is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 2, lid 1, van Boek 8 BW, zodat het een zeeschip betreft in de zin van dat wetboek.

4 De beoordeling van het hoger beroep

4.1 [appellant] houdt [geïntimeerden] op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk voor de (letsel)schade die hij heeft geleden en lijdt als gevolg van het hem als schepeling op het destijds aan [geïntimeerden] in eigendom toebehorende Nederlandse zeeschip “Dina Jacoba” op 21 januari 1994 te Ancona, Italië, overkomen ongeval. [appellant], als scheepskok/matroos in dienst van [geïntimeerden], is aan dek van dat daar aan de kade liggende schip bekneld geraakt tussen de door vier bemanningsleden uitgelegde loopplank en de opbouw van het schip. [appellant] verwijt [geïntimeerden] dat deze als werkgever niet de zorg heeft betracht die hem ten opzichte van de veiligheid van de zich aan boord van het schip bevindende [appellant] betaamde. De ligging van de loopplank was volgens [appellant] noch aan de wal noch aan boord voldoende gezekerd. Ook had kapitein [geïntimeerde sub 2] hem moeten sommeren zich in veiligheid te stellen en moeten waarschuwen de loopplank niet beet te pakken.

4.2 De rechtbank heeft geoordeeld dat de vordering van [appellant] is getroffen door het beroep op verjaring van [geïntimeerden] en wel op grond dat de aanvaringsbepalingen van Boek 8 BW te dezen toepasselijk zijn en derhalve de verjaringstermijn van twee jaar van artikel 8:1790 BW, terwijl van stuiting van de verjaring niet is gebleken.

4.3 Hiertegen komt [appellant] op met zijn eerste grief. Hij wijst erop dat zijn vordering niet op aanvaring is gebaseerd doch op tekortschieten van de eigenaar in de zorg voor de veiligheid van een persoon aan boord. [appellant] verwijst hiervoor naar het arrest van de Hoge Raad van 8 november 1996, NJ 1998, 297 (“Zilverstad”).

4.4 Zo hier louter vanwege de omstandigheid dat het ongeval aan boord van de “Dina Jacoba” zich in een Italiaanse haven heeft voorgedaan, sprake zou zijn van een rechtsverhouding met een internationaal karakter, zo heeft niettemin te gelden dat de vordering naar Nederlands recht moet worden beoordeeld. Aangezien artikel 2 lid 3 van de Arbeidsomstandighedenwet, welk artikellid in werking is getreden op 19 december 1991, bepaalt dat het bij of krachtens die wet bepaalde mede van toepassing is op arbeid die geheel of ten dele buiten Nederland wordt verricht door personen, werkzaam aan boord van zeeschepen die op grond van Nederlandse rechtsregels gerechtigd zijn de Nederlandse vlag te voeren, is er grond om Nederlands recht toe te passen met betrekking tot de zorg die de eigenaar van het zeeschip betaamde met betrekking tot de veiligheid van [appellant] bij diens arbeid aan boord van de “Dina Jacoba”. Uit hoofde van het hier toepasselijke Nederlandse commune internationaal privaatrecht - de Wet Conflictenrecht Onrechtmatige Daad is op dit van vóór zijn inwerkingtreding daterende geval niet van toepassing - moeten de gevolgen beoordeeld worden naar Nederlands recht, nu beide partijen in Nederland zijn gevestigd en de rechtsgevolgen van het ongeval zich geheel in Nederland voordoen. Partijen hebben ten aanzien van het op de vordering van [appellant] toepasselijke recht niet van een andere zienswijze blijk gegeven.

4.5 Ingevolge deze eerste grief dient door het hof de samenloop van de op onrechtmatige daad, in casu handelen van de scheepseigenaar in strijd met de hem betaamde zorgplicht voor de veiligheid van een persoon aan boord, gegronde vordering van [appellant] met een vordering op grond van aanvaring te worden beoordeeld. Dit leidt tot de vraag of [appellant] de door hem ten gevolge van dit ongeval opgelopen schade uitsluitend op grond van de aanvaringsbepalingen op [geïntimeerden] kan verhalen, zoals [geïntimeerden] betogen.

4.6 Uitgangspunt is dat van exclusieve werking van een wettelijke regeling slechts sprake kan zijn indien de wet zulks voorschrijft of onvermijdelijk meebrengt (zie HR 15 november 2002, NJ 2003, 48). In de parlementaire geschiedenis is de vraag of de bijzondere regeling inzake de aanvaring van een zeeschip de mogelijkheid om op grond van artikel 6:162 BW te ageren onder ogen gezien en bevestigend beantwoord (Parlementaire Geschiedenis Boek 8, p. 571 en 572). Nu [appellant] zich voor de aansprakelijkheid van [geïntimeerden] voor zijn schade baseert op de wettelijke regeling van art. 6:162 BW, kunnen [geïntimeerden] zich niet met vrucht beroepen op de aan de wettelijke regeling van de aanvaring verbonden verjaring. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte het verjaringsberoep van [geïntimeerden] aanvaard. Grief 1 is gegrond.

4.7 Het hof houdt de zaak echter verder aan zich, aangezien het bestreden vonnis een eindvonnis is dat niet strekte tot onbevoegdverklaring. Terugwijzing naar de rechtbank is dan niet mogelijk.

4.8 Het ongeval waarbij [appellant] bekneld is geraakt, heeft kunnen ontstaan doordat de loopplank met de landzijde is komen te rusten tegen of is blijven haken achter een op de kade aanwezige rail van een walkraan (zie het door [geïntimeerde sub 2] opgemaakte rapport van het ongeval, overgelegd bij conclusie van repliek), zodat de loopplank - toen het schip door de deining naar de wal werd verzet - in de richting van het huis van het schip opschoof. Bij het uitleggen van de loopplank was kennelijk wel voorzien, dat de afstand tussen schip en kade door de deining veranderlijk was. Immers waren er door [B.] op de kade nabij die rail houten blokjes of planken gelegd die kennelijk moesten bewerkstelligen dat de daarop gelegde loopplank, waaraan aan die zijde een rol was bevestigd, niet tegen de rail vast zou komen te staan of daarachter zou haken (zie dagvaarding in eerste aanleg onder 16 en conclusie van antwoord onder 14 in verbinding met pagina 4 van de verklaring van [appellant] bij de politie en het rapport van [geïntimeerde sub 2], beide overgelegd bij conclusie van repliek). Die voorziening is niet toereikend gebleken, want de loopplank is van de blokken of planken geraakt en wél op de rail gestuit of - zo het rapport van [geïntimeerde sub 2] - daarachter blijven haken.

4.9 In dit licht leest het hof het verwijt van [appellant] aan [geïntimeerden] terzake van onvoldoende zekering van de loopplank in die zin dat de loopplank niet dusdanig was uitgelegd en bevestigd dat deze niet plotseling met de scheepszijde in de richting van een persoon aan dek van het schip kon komen. Dat verwijt is juist, want kennelijk was daarvoor bij het uitleggen van de loopplank onvoldoende zorggedragen. Dat de loopplank met de “landzijde” van de blokken of planken is afgeraakt door een omstandigheid waarmee [geïntimeerden] bij het uitleggen daarvan geen rekening behoefden te houden is gesteld noch gebleken.

4.10 [appellant] is vervolgens, al dan niet op verzoek van de zich aan de wal bevindende [B.], de positie van de loopplank gaan aanpassen. Hij is er daarbij kennelijk niet op bedacht geweest dat de loopplank toen tegen de rail aan kon komen of daarachter was vastgeraakt en heeft er niet voor gezorgd zich niet tussen het scheepseinde van de loopplank en het huis van het schip te bevinden. Volgens [appellant] had de kapitein [geïntimeerde sub 2], die toen ook op de kade was, hem moeten verbieden de loopplank beet te pakken.

Ook dit verwijt is gegrond. [geïntimeerde sub 2], die blijkens het door hem opgemaakte rapport van het ongeval had gezien dat de loopplank niet meer goed lag en dus verlegd moest worden, moest als kapitein zorgdragen voor de veiligheid van [appellant] bij het aanpassen van de ligging van de loopplank, te meer omdat hij wist of had moeten weten dat [appellant] een onervaren matroos was. Uit zijn rapport maakt het hof op dat [geïntimeerde sub 2] had bemerkt dat [appellant] aan boord handelingen zou gaan verrichten om de loopplank te verleggen. [B.], die met [geïntimeerde sub 2] op de kade was, had immers [appellant] gevraagd daaraan een “trek” te geven. Dat betekent dat hij, [geïntimeerde sub 2], toezicht had moeten uitoefenen op het recht leggen van de loopplank, waarbij hij [appellant] had kunnen en moeten waarschuwen bij het aanvatten van de loopplank niet tussen het scheepseinde daarvan en het huis van het schip te gaan staan. Gesteld noch gebleken is dat hij dit toezicht aan een ander kon en mocht overlaten. [geïntimeerde sub 2] is blijkens zijn rapport echter verder gegaan met het uitladen van boodschappen uit de auto van de scheepsagent.

4.11 [geïntimeerden] beroepen zich tevergeefs op eigen schuld van [appellant] aan het ongeval. Eventuele fouten van [appellant] als schepeling aan boord van een zeeschip die hebben bijgedragen tot het ontstaan van de schade waarvan hij op grond van onrechtmatige daad van zijn werkgever vergoeding vordert, kunnen immers slechts aan hem worden toegerekend indien de schade in belangrijke mate het gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid (zie HR 12 april 2002, NJ 2003, 138, S&S 2002,95 en HR 9 mei 2003 RvdW 2003/91, S&S 2003,123). De stellingen van [geïntimeerden] omtrent de toedracht van het ongeval sluiten niet in dat de schade een gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van [appellant].

5 Slotsom

Elk van de beide de door [appellant] aan [geïntimeerden] gemaakte verwijten is gegrond en toereikend om [geïntimeerden] aansprakelijk te oordelen voor de door [appellant] als gevolg van het ongeval van 21 januari 1994 geleden en nog te lijden schade. De gevraagde verklaringen voor recht kunnen derhalve worden verleend. Niet bestreden is dat [appellant] ten gevolge van het tekortschieten van [geïntimeerden] in de zorg voor zijn veiligheid aan boord schade heeft geleden, zodat ook de vordering tot veroordeling tot het vergoeden van de daardoor door [appellant] geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat, toewijsbaar is. Het bestreden vonnis moet worden vernietigd. [geïntimeerden] zullen als de in het ongelijk gestelde partij verwezen worden in de kosten van beide instanties.

Beslissing

Het hof rechtdoende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Zwolle van 19 mei 1999 en

opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat [geïntimeerden] door de gedragingen als vermeld in rov. 4.8, 4.9 en 4.10 onrechtmatig jegens [appellant] hebben gehandeld;

verklaart voor recht dat [geïntimeerden] aansprakelijk zijn voor de door [appellant] als gevolg van het hem op 21 januari 1994 overkomen ongeval geleden en nog te lijden schade;

veroordeelt [geïntimeerden] tot het vergoeden van de door [appellant] als gevolg van vorenbedoeld onrechtmatig handelen geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade, nader op te maken bij staat;

veroordeelt [geïntimeerden]in de kosten van het geding in beide instanties, aan de zijde van [appellant] in eerste aanleg begroot op € 279,08 voor verschotten en € 780,- voor salaris van de procureur en in hoger beroep op € 253,89 voor verschotten en € 771,- voor salaris van de procureur, in totaal € 2.083,79,

waarvan € 1,934,05 op de voet van art. 57 (oud) Rv. te betalen aan de griffier van het hof door overmaking op rekeningnummer 1923.25.752 t.n.v. DS 533 arrondissement Arnhem, postbus 9030, 6800 EM Arnhem,

zijnde € 1.551,- aan salaris van de procureur, € 233,69 aan in debet gesteld griffierecht en

€ 149,53 wegens dagvaardingskosten,

en € 149,74 aan [appellant] wegens het door deze betaalde vastrecht.

verklaart dit arrest, wat betreft voormelde veroordelingen, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs Makkink, Tjittes en Haak en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 januari 2004.