Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2004:AO4645

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
01-03-2004
Datum publicatie
01-03-2004
Zaaknummer
21-002537-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof is van oordeel dat verdachte - nadat hij zich actief en op grond van meerdere bronnen bij diverse bevoegde instanties ervan heeft vergewist of de aanvoer van eendenkuikens op 16 en 17 april 2001 was toegestaan - verontschuldigbaar in de veronderstelling heeft verkeerd dat een dergelijk vervoer in overeenstemming was met de op dat moment van kracht zijnde regelgeving. Van verdachte kon in redelijkheid niet worden gevergd dat hij op grond van de hem beschikbare en opgevraagde informatie verder diende te informeren naar de reikwijdte van de geldende vervoersverboden. Daarbij is door het hof mede in aanmerking genomen dat zelfs door de controleurs in het MKZ-gebied kennelijk het standpunt werd ingenomen dat de aanvoer van de eendenkuikens was toegestaan. Nu er sprake is van afwezigheid van alle schuld dient verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Wetsverwijzingen
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 22
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 25
Besluit vervoer van en naar besmette of van besmetting verdachte gebouwen en terreinen
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2004, 99K
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-002537-03

Uitspraak dd.: 1 maart 2004

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Arnhem

economische kamer

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank te Zwolle van 20 mei 2003 in de strafzaak tegen

DE MAATSCHAP [NAAM VERDACHTE],

[vestigingsplaats].

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 16 februari 2004 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd dat:

zij op of omstreeks 16 april 2001 en/of 17 april 2001 te [plaats], in [gemeente], dieren van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten of categorieën van dieren heeft vervoerd naar gebouwen en/of terreinen, waar een kenteken, als bedoeld in artikel 22, eerste lid van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, was geplaatst, immers heeft zij verdachte toen (ongeveer) 22.000 eenden(kuikens) laten vervoeren/aanvoeren/afleveren, dan wel vervoerd/aangeleverd/afgeleverd naar haar bedrijf, welk bedrijf was gevestigd op/aan perceel [straat en huisnummer] aldaar en alwaar, in verband met de besmetverklaring met de ziekte mond- en klauwzeer, één of meer exemplaren van eerder bedoeld kenteken waren aangebracht, terwijl dit vervoer middels een aan haar, verdachte, gerichte brief van 31 maart 2001 door de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees was verboden, namelijk was in die brief vermeld dat op alle soorten of categorieën van dieren en voertuigen een vervoersverbod gold naar het bedrijf van verdachte, ingevolge artikel 3, onderdeel b van het Besluit vervoer van en naar besmette of van besmetting verdachte gebouwen en terreinen.

Indien in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het telastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op of omstreeks 16 april 2001 en/of 17 april 2001 te [plaats], in [gemeente], dieren van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten of categorieën van dieren heeft vervoerd naar gebouwen en/of terreinen, waar een kenteken, als bedoeld in artikel 22, eerste lid van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, was geplaatst, immers heeft zij verdachte toen (ongeveer) 22.000 eenden(kuikens) laten vervoeren/aanvoeren/afleveren, dan wel vervoerd/aangeleverd/afgeleverd naar haar bedrijf, welk bedrijf was gevestigd op/aan perceel [straat en huisnummer] aldaar en alwaar, in verband met de besmetverklaring met de ziekte mond- en klauwzeer, één of meer exemplaren van eerder bedoeld kenteken waren aangebracht, terwijl dit vervoer middels een aan haar, verdachte, gerichte brief van 31 maart 2001 door de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees was verboden, namelijk was in die brief vermeld dat op alle soorten of categorieën van dieren en voertuigen een vervoersverbod gold naar het bedrijf van verdachte, ingevolge artikel 3, onderdeel b van het Besluit vervoer van en naar besmette of van besmetting verdachte gebouwen en terreinen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is telastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 25 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, begaan door een rechtspersoon.

Strafbaarheid van de verdachte

Door en namens verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep het verweer gevoerd dat verdachte dient te worden ontslagen van rechtsvervolging nu haar geen verwijt valt te maken met betrekking tot de haar telastegelegde handelingen. Verdachte zou immers bij diverse bevoegde instanties hebben geïnformeerd naar de toelaatbaarheid van het transport, alvorens zij op 16 en 17 april 2001 eendenkuikens heeft laten aanvoeren.

Het hof overweegt hieromtrent volgt. Vooropgesteld dient te worden dat de telastegelegde feiten zich hebben afgespeeld in een periode waarin de MKZ-crisis Nederland in zijn greep had. In dat kader was bijzondere regelgeving, waaronder diverse vervoersverboden, van kracht om de verdere verspreiding van mond- en klauwzeer een halt toe te roepen. In casu verdient met name aandacht het Besluit vervoer naar of van besmette of besmetting verdachte gebouwen en terreinen. Artikel 2 van dit besluit luidt, voor zover te dezen van belang:

Als soorten of categorieën van dieren, producten of voorwerpen, waarvan het vervoer is verboden van gebouwen en terreinen waar een kenteken als bedoeld in artikel 22, eerste lid van de wet is geplaatst, worden aangewezen:

(…)

b. bij mond en klauwzeer: alle soorten of categorieën van dieren, voertuigen, vlees of kadavers van herkauwers of varkens, diervoeders, gereedschap, voorwerpen of andere stoffen welke dragers van smetstof kunnen zijn.

(…)

Het door de raadsman gevoerde verweer dient te worden bezien in het licht van de diverse verklaringen die naar aanleiding van deze zaak zijn afgelegd. Daarbij heeft het hof in het bijzonder gelet op de hierna te noemen feiten en omstandigheden, volgend uit het in de wettelijke vorm door [naam verbalisanten], beiden ambtenaar van de Algemene Inspectiedienst, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, opgemaakt hoofdproces-verbaal, genummerd 3368 en gesloten op 28 augustus 2001, met bijlagen.

De [verdachte] werd op 21 maart 2001 geconfronteerd met een MKZ-verdachtverklaring. Verdachte is van deze verklaring op de hoogte gesteld middels een brief, afkomstig van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (RVV) en gedateerd 21 maart 2001 (proces-verbaal, bijlage 2). In deze brief is verdachte onder meer kenbaar gemaakt – als houder van verdachte dieren – verplicht te zijn ervoor zorg te dragen dat de dieren hun verblijfplaats niet verlaten. Op 22 maart 2001 is wederom een brief naar verdachte uitgegaan (proces-verbaal, bijlage 3). Met deze brief, afkomstig van RVV, wordt verdachte ingelicht over het vervoersverbod van (onder meer) alle categorieën van dieren van en naar het bedrijf. Diezelfde dag werden de zich op het terrein van verdachte bevindende runderen geruimd en zijn er – ook volgens de verklaring van de vertegenwoordigers van verdachte – kentekenen geplaatst op het bedrijf, als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Verdachte had die dag ook nog 15.000 vleeskuikens aanwezig, die niet werden geruimd. Op 29 maart 2001 heeft de maatschap een ontheffing aangevraagd bij het RVV om deze op het bedrijf aanwezige (eenden)kuikens voor de slacht af te kunnen voeren. Deze ontheffing is op 12 april 2001 afgegeven, waarna de kuikens naar een slachthuis zijn vervoerd.

Nadat laboratoriumonderzoek uitwees dat de voor mond- en klauwzeer gevoelige dieren op het bedrijf van verdachte daadwerkelijk besmet waren met MKZ, is verdachte een schriftelijke besmetverklaring toegezonden, gedateerd 31 maart 2001 (proces-verbaal, bijlage 4). In deze brief wordt het van kracht zijnde vervoersverbod van alle categorieën dieren nogmaals bevestigd. De vertegenwoordigers van verdachte hebben ter terechtzitting in hoger beroep overigens verklaard dat zij dit schrijven pas na de telastegelegde periode hebben ontvangen. De besmetverklaring van het bedrijf is uiteindelijk op 31 mei 2001 per brief opgeheven (proces-verbaal, bijlage 5)

Op 16 en 17 april 2001 heeft verdachte in strijd met de toen geldende voorschriften eendenkuikens, afkomstig van [naam leverancier], zonder vergunning laten aanvoeren op het bedrijf.

De raadsman heeft ter terechtzitting in eerste aanleg diverse producties overgelegd en hiernaar ter terechtzitting in hoger beroep verwezen. Het hof heeft kennisgenomen van deze producties, waarvan de inhoud, voor zover in deze zaak relevant, hieronder wordt weergegeven.

Productie 1: een afschrift van het MKZ-dossier, afkomstig van de website van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, gedateerd 25 maart 2001 en inhoudende, voor zover te dezen van belang:

‘Landelijke vervoersbeperkingen

Vervoer met inbegrip van verplaatsing over de openbare weg zonder vervoermiddel, is verboden als het gaat om:

(…)

pluimvee (uitzonderingen: wel toegestaan zijn – onder voorwaarden – 1-op-1 transporten van pluimvee naar het slachthuis en 1-op-1 transporten van eendagskuikens naar een pluimveebedrijf)’

(…)

Strengere maatregelen in ingesloten gebieden

In alle ingesloten gebieden geldt met ingang van 25 maart (het hof begrijpt: 2001), 8:00 uur het volgende:

(…)

Vervoer met inbegrip van verplaatsing over de openbare weg zonder vervoermiddel, is verboden als het gaat om:

(…)

pluimvee (uitzonderingen: wel toegestaan zijn – onder voorwaarden – 1-op-1 transporten van pluimvee naar het slachthuis en 1-op-1 transporten van eendagskuikens naar een pluimveebedrijf (…))

(…).’

Productie 2: een document, afkomstig van het Productschap voor pluimvee en eieren (PPE) te Zeist en gedagtekend 16 april 2001, inhoudende, voor zover te dezen van belang:

‘In de toezichtsgebieden [plaats] en [plaats] is de afvoer van pluimvee toegestaan indien het bedrijf van herkomst óf het bedrijf van bestemming een bedrijf is waar geen evenhoevigen worden gehouden. (…) De aanvoer van pluimvee is alleen toegestaan op bedrijven zonder evenhoevigen.

(…)’

De vertegenwoordiger van verdachte, [naam vertegenwoordiger], heeft ter terechtzitting in hoger beroep onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:

Ik maak deel uit van [verdachte] te [plaatsnaam, gemeente]. Het klopt dat ik op 16 en 17 april 2001 eendenkuikens heb laten aanvoeren op mijn bedrijf. De brieven van het RVV van 21 en 22 maart 2001, inhoudende de MKZ-verdachtverklaring van ons bedrijf, heb ik ontvangen. Via mijn broer ontving ik desgevraagd in die periode per fax telkens de actuele berichtgeving van de website van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Op 25 maart 2001 kwam een dergelijke fax binnen, waarin onder meer is te lezen dat 1-op-1 transporten van eendagskuikens naar een pluimveebedrijf waren uitgezonderd van het toen geldende vervoersverbod (het hof begrijpt: productie 1). Naar aanleiding van deze berichtgeving hebben wij ook geïnformeerd bij het Productschap voor pluimvee en eieren. Mijn raadsman heeft bij aan de economische politierechter een document van het PPE overgelegd (het hof begrijpt: productie 2). Dit document houdt onder meer in dat de aanvoer van pluimvee in de toezichtsgebieden [plaats] en [plaats] is toegestaan op bedrijven zonder evenhoevigen. Na de ruiming op 22 maart 2001 hadden wij uitsluitend pluimvee op ons bedrijf en dus geen evenhoevigen. Ik beschouwde het bedrijf op 16 en 17 april 2001 dan ook als een pluimveebedrijf zonder evenhoevigen.

Inmiddels hadden wij ook al twee brieven ontvangen van de RVV, gedateerd 10 en 12 april 2001, waarin ons werd medegedeeld dat ons bedrijf op de juiste wijze was ontsmet (het hof begrijpt: proces-verbaal, bijlage 11). Ik heb toen nog gebeld naar het RVV-crisiscentrum en het crisiscentrum te [plaats]. Er werd mij door de telefoon telkens verteld dat het 1-op-1 transport van pluimvee was toegestaan. Ook heb ik nadere informatie ingewonnen bij de leverancier van de kuikens. Deze had geïnformeerd bij de bevoegde instanties en te horen gekregen dat het vervoer van de eendenkuikens doorgang kon vinden. Toen de kuikens vervolgens op 16 en 17 april 2001 werden aangevoerd, is er nog een controle geweest door de marechaussee, die de ring van het MKZ-gebied bewaakte, en de RVV. Zij gaven gewoon toestemming om de kuikens aan te voeren.

Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden – in onderling verband beschouwd – en in het bijzonder de inhoud van de hiervoor weergegeven verklaring van de vertegenwoordiger van verdachte in combinatie met de inhoud van de door de raadsman in eerste aanleg overgelegde producties, is het hof van oordeel dat verdachte – nadat hij zich actief en op grond van meerdere bronnen bij diverse bevoegde instanties ervan heeft vergewist of de aanvoer van eendenkuikens op 16 en 17 april 2001 was toegestaan – verontschuldigbaar in de veronderstelling heeft verkeerd dat een dergelijk vervoer in overeenstemming was met de op dat moment van kracht zijnde regelgeving. Van verdachte kon in redelijkheid niet worden gevergd dat hij op grond van de hem beschikbare en opgevraagde informatie verder diende te informeren naar de reikwijdte van de geldende vervoersverboden. Daarbij is door het hof mede in aanmerking genomen dat zelfs door de controleurs in het MKZ-gebied kennelijk het standpunt werd ingenomen dat de aanvoer van de eendenkuikens was toegestaan. Nu er sprake is van afwezigheid van alle schuld dient verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en de artikelen 22 en 25 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en artikel 3 van het Besluit vervoer naar of van besmette of besmetting verdachte gebouwen en terreinen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het telastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is telastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit als hiervoor vermeld.

Verklaart verdachte niet strafbaar en ontslaat verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Aldus gewezen door

mr Verheugt, voorzitter,

mrs Vegter en Nunnikhoven, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr Beaujean, griffier,

en op 1 maart 2004 ter openbare terechtzitting uitgesproken.