Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2004:AO4520

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
13-01-2004
Datum publicatie
01-03-2004
Zaaknummer
02-02424
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In verzet heeft belanghebbende aangevoerd dat hij beroepsmilitair is en hij door zijn werkgever (het Ministerie van Defensie) regelmatig naar het buitenland wordt uitgezonden en dat hierdoor de verzetstermijn met één dag is overschreden. Het hof acht het aannemelijk dat belanghebbende in verband met deze uitzendingen naar het buitenland niet in staat was binnen de termijn van zes weken bij het hof in verzet te komen. De termijnoverschrijding kan gelet op vorenstaande in redelijkheid niet aan belanghebbende verweten worden. Derhalve moet niet-ontvankelijk verklaring van het verzet met toepassing van artikel 6:11 Awb achterwege blijven.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:7, geldigheid: 2004-01-13
Algemene wet bestuursrecht 6:9, geldigheid: 2004-01-13
Algemene wet bestuursrecht 6:11, geldigheid: 2004-01-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2004-0414

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

Zevende enkelvoudige belastingkamer

nummer 02/02424 (verzetschrift)

Uitspraak op verzet

1. De uitspraak waarvan verzet

Het verzetschrift van [X], wonende te [Z] (hierna: belanghebbende), is ontvangen op 25 april 2003.

Het richt zich tegen de met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gedane uitspraak van de twaalfde enkelvoudige belastingkamer van dit hof van 12 maart 2003 op het beroep van belanghebbende. Een fotokopie van die uitspraak, waarbij belanghebbende in zijn beroep niet-ontvankelijk is verklaard, is aan deze uitspraak gehecht.

2. Behandeling van het verzet

Tot de stukken waarop het hof bij de beoordeling van het verzet acht slaat behoren het beroepschrift van belanghebbende.

Belanghebbende is gehoord ter zitting van het hof te Arnhem op 7 januari 2004. De ambtenaar is met schriftelijke kennisgeving niet verschenen.

3 .De vaststaande feiten

Het afschrift van de aangevallen uitspraak van de ambtenaar is met dagtekening 23 november 2001 op 26 november 2001 verzonden.

Bij brief van 2 juni 2002 heeft belanghebbende zich tot het hof gewend. Die brief is ter griffie ontvangen op 5 juni 2002.

Bij de in verzet bestreden uitspraak van 12 maart 2003 van de twaalfde enkelvoudige belastingkamer is belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in het beroep.

Bij brief van 24 april 2003 heeft belanghebbende verzet aangetekend. Die brief is ter griffie ontvangen op 25 april 2003.

4. Beoordeling van het verzet

4.1.De termijn voor het indienen van een verzetschrift bedraagt ingevolge artikel 6:7 van de Awb zes weken.

4.2. Een verzetschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een verzetschrift eveneens tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn van zes weken ter post is bezorgd, mits het niet laten dan één week na afloop van die termijn is ontvangen (artikel 6:9 Awb).

4.3. Gelet op de datum van de uitspraak op het verzetschrift is het op 25 april 2003 ter griffie van het hof ontvangen verzetschrift niet tijdig ingekomen.

4.4. In verzet heeft belanghebbende aangevoerd dat hij beroepsmilitair is en hij door zijn werkgever (het Ministerie van Defensie) regelmatig naar het buitenland wordt uitgezonden en dat hierdoor de verzetstermijn met één dag is overschreden. Het hof acht het aannemelijk dat belanghebbende in verband met deze uitzendingen naar het buitenland niet in staat was binnen de termijn van zes weken bij het hof in verzet te komen. De termijnoverschrijding kan gelet op vorenstaande in redelijkheid niet aan belanghebbende verweten worden. Derhalve moet niet-ontvankelijk verklaring van het verzet met toepassing van artikel 6:11 Awb achterwege blijven.

4.5. Belanghebbende betoogt dat hij zich reeds bij brief van 17 december 2001 tot het hof heeft gewend. Ter bewijze daarvan overlegt hij een afschrift van de brief (bijlage 1). Bedoelde brief is door het hof nimmer ontvangen. Het kan echter niet uitgesloten worden dat dit het gevolg is geweest, zoals belanghebbende aanvoert, van onvolledige vermelding van de postcode. Nu belanghebbende dat postcode onvolledig heeft vermeld in navolging van de eveneens onvolledige vermelding in de uitspraak op bezwaar - de letters ontbreken (bijlage 2) - kan termijnoverschrijding in redelijkheid niet aan hem verweten worden en moet niet-ontvankelijk verklaring van het beroep wegens termijnoverschrijding met toepassing van artikel 6:11 Awb achterwege blijven.

4.6 Het verzet van belanghebbende is derhalve gegrond. Dit brengt mee dat de uitspraak van de twaalfde enkelvoudige belastingkamer waartegen verzet was gedaan vervalt en dat het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

5. Beslissing

Het gerechtshof verklaart het verzet gegrond

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken te Arnhem op 13 januari 2004 door mr. drs. F.J.P.M. Haas, lid van de zevende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. D.N.N. Jansen als griffier.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(D.N.N. Jansen) (F.J.P.M. Haas)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 13 januari 2004

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.