Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2004:AO3152

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
27-01-2004
Datum publicatie
06-02-2004
Zaaknummer
02/486
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het betreft de voortzetting van de procedure in hoger beroep inzake een vordering tegen zogenaamde marketing-managers van het piramidespel "Titan", ingesteld door de Vereniging voor haar leden die aan dit spel hebben deelgenomen en als schadevergoeding hun inleg door de marketing managers vergoed willen zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 januari 2004

tweede civiele kamer

rolnummer 2002/486

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

de vereniging

Vereniging tegen Piramidespelen,

gevestigd te Enschede,

principaal appellante,

incidenteel geïntimeerde,

procureur: mr. P.C. Plochg,

tegen:

1. [geïntimeerde sub 1], ,

2. [geïntimeerde sub 2],

3. [geïntimeerde sub 3],

4. [geïntimeerde sub 4],

5. [geïntimeerde sub 5],

principaal geïntimeerden, incidenteel appellanten,

procureur: mr. J.M. Bosnak

6. [geïntimeerde sub 6],

7. [geïntimeerde sub 7],

principaal geïntimeerden, incidenteel appellanten,

procureur: mr. F.P. Lomans,

8. [geïntimeerde sub 8],

principaal geïntimeerde, incidenteel appellant,

procureur: mr. P.M. Wilmink,

9. de gezamenlijke erven van [geïntimeerde sub 9],

principaal geïntimeerden, incidenteel appellanten,

procureur: mr. J.E. Brands,

10. [geïntimeerde sub 10],

principaal geïntimeerde,

11. [geïntimeerde sub 11],

principaal geïntimeerde,

12. [geïntimeerde sub 12],

principaal geïntimeerde,

13. [geïntimeerde sub 13],

principaal geïntimeerde,

14. [geïntimeerde sub 14],

principaal geïntimeerde,

15. [geïntimeerde sub 15],

principaal geïntimeerde,

16. [geïntimeerde sub 16],

principaal geïntimeerde,

nrs. 10 t/m 16 niet in hoger beroep verschenen.

1 Voortzetting van de procedure in hoger beroep

1.1 Ter uitvoering van het tussenarrest van dit hof van 9 september 2003 heeft de Vereniging stukken ter griffie van het hof gedeponeerd.

1.2 Aan (principaal) geïntimeerden nrs. 1 t/m 5, 6 en 7 respectievelijk 9 is akte verleend van hun reactie op de ter griffie gedeponeerde stukken.

1.3 Aan de Vereniging is akte verleend van haar reactie op de in het vorige nummer bedoelde reacties.

1.4 Hierna hebben partijen de stukken aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest.

2 Voortzetting van de beoordeling van het geschil in hoger beroep

2.1 Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 9 september 2003 (hierna te noemen: het tussenarrest). Volhard wordt bij hetgeen in dat arrest is overwogen en beslist.

2.2 Ter uitvoering van het tussenarrest heeft de Vereniging op 2 oktober 2003 de gevraagde stukken ter griffie van het hof doen deponeren (deels originelen, deels kopieën). Voor zover geïntimeerden nrs. 1 t/m 5 betogen dat de stukken niet in aanmerking kunnen komen omdat zij na de in het tussenarrest genoemde dag van 30 september 2003 ter griffie zijn gedeponeerd, wordt dit betoog verworpen, mede omdat zij tevens inhoudelijk verweer hebben gevoerd waaruit blijkt dat zij de stukken hebben ingezien, zodat zij door de late indiening kennelijk niet in hun verdediging zijn benadeeld. Het hof is overigens van oordeel dat het feitelijke tijdstip van deponeren niet dusdanig laat is geweest, dat de mogelijkheid van tijdige reactie daardoor wezenlijk is bemoeilijkt.

2.3 In rechtsoverweging 3.13 (eerste alinea) van het tussenarrest heeft het hof de Vereniging in de gelegenheid gesteld stukken ter griffie te deponeren naar aanleiding van het verweer van (principaal) geïntimeerde nr. 6 ([geïntimeerde sub 6]), dat:

- er geen enkel bewijsstuk ter zake van het lid [A.] is;

- de handtekening op de kwitantie voor [B.] niet van [geïntimeerde sub 6] afkomstig is;

Geïntimeerde nr. 6 zou de gelegenheid krijgen tot reactie. Zij heeft geen reactie gegeven wat betreft het lid [A.] en het hof heeft geconstateerd dat de Vereniging (kopieën van) een ondertekend aanvraagformulier en bewijs van storting (voorzien van dezelfde handtekening onder het kopje "ontvanger") heeft gedeponeerd. In zoverre faalt het verweer van [geïntimeerde sub 6]. Wat betreft het lid [B.] heeft [geïntimeerde sub 6] gehandhaafd dat de handtekening onder de kwitantie niet de hare is en de Vereniging heeft dat niet met zoveel woorden (meer) weersproken. Bovendien heeft zij aangegeven af te zien van (nadere) bewijslevering met betrekking tot de in rechtsoverweging 3.13 van het tussenarrest behandelde onderwerpen. Gelet op hetgeen in dat tussenarrest onder 3.12 is overwogen (meer in het bijzonder dat de Vereniging geen grief heeft gericht tegen het door de rechtbank aangelegde criterium, inhoudende dat de desbetreffende persoon als marketing-manager moet zijn vermeld in de papieren en er een door hem/haar getekende kwitantie voor de inleg aanwezig moet zijn voor ten minste het van die marketing-manager gevorderde bedrag), is de vordering tegen [geïntimeerde sub 6] wat betreft het lid [B.] dan ook niet toewijsbaar. [geïntimeerde sub 6] heeft er nog op gewezen dat het hof in het tussenarrest niet is ingegaan op haar verweer wat betreft het ontbreken van een aanvraagformulier van het lid [C.]. Daarover wordt thans overwogen, dat zich in het door de vereniging aan het hof overgelegde procesdossier bevinden een aan [C.] gerichte brief, waarin hij wordt gefeliciteerd met zijn besluit om Titan-lid te worden en waarin wordt aangegeven dat [geïntimeerde sub 6] de "desbetreffende Marketing-Manager" is, alsmede een stortingsbewijs waarvan door [geïntimeerde sub 6] niet is betwist dat dit door haar is ondertekend. In rechtsoverweging 3.12 van het tussenarrest heeft het hof aangegeven, dat (naast de handtekening op de kwitantie) voldoende is dat - voor zover niet nadrukkelijk is betwist dat de desbetreffende marketing-manager bij de desbetreffende bijeenkomst actief is geweest - de betrokkenheid van de desbetreffende marketing-manager uit de bij de Vereniging voorhanden bewijsstukken kan worden afgeleid. Het hof is van oordeel dat van dat laatste hier sprake is, zodat het verweer van [geïntimeerde sub 6] ten aanzien van het lid [C.] faalt.

2.4 In rechtsoverweging 3.13 (derde alinea) van het tussenarrest heeft het hof de Vereniging in de gelegenheid gesteld stukken ter griffie te deponeren naar aanleiding van het verweer van (principaal) geïntimeerden nr. 9 (de erven [geïntimeerde sub 9]), dat ter zake van de bemoeienis van [geïntimeerde sub 9] ieder betalingsbewijs en ander bewijs ontbreekt. Wat betreft het thans in algemene zin verwoorde standpunt van de erven [geïntimeerde sub 9] dat kopieën geen bewijs vormen verwijst het hof voor zijn - definitief gegeven - andersluidende oordeel naar rechtsoverweging 3.12 van het tussenarrest. Voor het overige hebben de erven [geïntimeerde sub 9] zich niet (meer) verweerd met de stelling dat "ieder betalingsbewijs of ander bewijs ontbreekt". Voor zover nodig heeft het hof de stukken nog ingezien en daaruit volgt dat, uitgaande van het aangelegde criterium, de beslissing van de rechtbank op dit punt juist is.

2.5 In rechtsoverweging 3.13 (voorlaatste alinea) van het tussenarrest heeft het hof de Vereniging in de gelegenheid gesteld stukken ter griffie te deponeren naar aanleiding van het verweer van (principaal) geïntimeerde nr. 2 ([geïntimeerde sub 2]), die ter gelegenheid van het pleidooi heeft gesteld de stukken te hebben ingezien en vraagtekens te hebben bij het bewijs. Wat betreft de principaal geïntimeerden [geïntimeerde sub 4], [geïntimeerde sub 5], [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 3] verwijst het hof naar rechtsoverwegingen 3.12 en 3.13 van het tussenarrest, waaruit volgt dat toen reeds definitief aan het verweer van deze geïntimeerden is voorbijgegaan omdat zij geen voldoende specifieke verweren hadden gevoerd. De Vereniging behoefde dus geen onderbouwende stukken te hunnen aanzien te deponeren en het thans alsnog opgeworpen verweer van [geïntimeerde sub 3] komt niet meer voor beoordeling in aanmerking. Wat betreft het verweer van [geïntimeerde sub 2] overweegt het hof als volgt:

- met betrekking tot het lid [D.] dient de vordering te worden afgewezen, aangezien handtekeningen van [geïntimeerde sub 2] ontbreken, niet vaststaat dat [geïntimeerde sub 2] daadwerkelijk opdrachten voor een en ander heeft gegeven en de Vereniging te kennen heeft gegeven geen verder bewijs te willen leveren;

- wat betreft het lid [E.] ontbreekt een handtekening van [geïntimeerde sub 2] op het betalingsbewijs/kwitantie en dient de vordering in zoverre reeds hierom te worden afgewezen. Hetgeen de Vereniging overigens stelt kan in het midden blijven;

- blijkens de overgelegde stukken was de marketing-manager van het lid [G.] niet [geïntimeerde sub 2], maar [geïntimeerde sub 13]. Ook in zoverre dient de vordering van de Vereniging te worden afgewezen;

- aangaande het lid [F.] voert [geïntimeerde sub 2] aan, dat de vordering is ingesteld door [F.], de partner van degene met wie de overeenkomst is gesloten. Nu het aanvraagformulier en de kwitantie ook zijn gesteld op naam van "A. [F.]", waaruit moet worden afgeleid dat de overeenkomst met een "A. [F.]" is gesloten en op het aanvraagformulier als de naam van de partner "Helma" is ingevuld, is het verweer van [geïntimeerde sub 2] in zoverre onvoldoende onderbouwd. Voor zover [geïntimeerde sub 2] beoogt te stellen dat de volmacht aan de Vereniging is verstrekt door een ander dan A. [F.] overweegt het hof, dat uit rechtsoverweging 12 van het vonnis van de rechtbank 29 mei 2002 volgt, dat in eerste aanleg van A.J.M. [F.] - dezelfde naam als de naam op het aanvraagformulier - een originele volmacht is overgelegd. [geïntimeerde sub 2] heeft in hoger beroep niet aangevoerd dat de constatering van de rechtbank onjuist is en het algemene verweer van geïntimeerden ten aanzien van de volmachten is in rechtsoverweging 3.12 van het tussenarrest verworpen. Ook in zoverre kan het betoog van [geïntimeerde sub 2] hem niet baten.

2.6 Een en ander leidt tot de volgende - rechtstreeks uit de overwegingen van het eindvonnis van de rechtbank (nr. 7 e.v.), de overwegingen 3.9 - 3.13 van het tussenarrest en de overwegingen 2.3 - 2.5 van dit arrest voortvloeiende - veroordelingen in hoger beroep:

- (principaal) geïntimeerde nr. 1, zal worden veroordeeld tot betaling van het gehele in hoger beroep geëiste bedrag, zijnde € 15.787,02 (f 34.790,--);

- (principaal) geïntimeerde nr. 2, zal worden veroordeeld tot betaling van f 37.580,-- minus f 16.230,-- (de leden [D.], [E.] en [G.]) is € 9.688,21 (f 21.350,--);

- (principaal) geïntimeerde nr. 3, zal worden veroordeeld tot betaling van het gehele in hoger beroep geëiste bedrag van € 11.730,22 (f 25.850,--);

- (principaal) geïntimeerde nr. 4, zal worden veroordeeld tot betaling van het gehele in hoger beroep geëiste bedrag van € 7.632,58 (f 16.820,--);

- (principaal) geïntimeerde nr. 5, zal worden veroordeeld tot betaling van het gehele in hoger beroep geëiste bedrag van € 8.154,44 (f 17.970,-);

- (principaal) geïntimeerde nr. 6, zal worden veroordeeld tot betaling van f 67.280,-- minus f 21.660,-- (de leden [H.], [I.], [J.] en [B.]), is € 20.701,45 (f 45.620,--);

- (principaal) geïntimeerde nr. 7, zal worden veroordeeld tot betaling van f 117.500,-- minus f 5.990 ([K.]) is € 50.601,03 (f 111.510,--);

- (principaal) geïntimeerde nr. 8, zal worden veroordeeld tot betaling van het gehele in hoger beroep geëiste bedrag van € 29.377,74 (f 64.740,--);

- (principaal) geïntimeerden nr. 9, de erven zullen worden veroordeeld tot betaling van het gehele in hoger beroep geëiste bedrag van € 44.121,06 (f 97.230,00);

- (principaal) geïntimeerde nr. 10, zal worden veroordeeld tot betaling van het gehele in hoger beroep geëiste bedrag van € 37.010,32 (f 81.560,--);

- (principaal) geïntimeerde nr. 11, zal worden veroordeeld tot betaling van het gehele in hoger beroep geëiste bedrag van € 18.505,16 (f 40.780,--);

- (principaal) geïntimeerde nr. 12, zal worden veroordeeld tot betaling van het gehele in hoger beroep geëiste bedrag van € 8.449,38 (f 18.620,--);

- (principaal) geïntimeerde nr. 13, zal worden veroordeeld tot betaling van het gehele in hoger beroep geëiste bedrag van € 35.417,54 (f 78.050,--);

- (principaal) geïntimeerde nr. 14, zal worden veroordeeld tot betaling van het gehele in hoger beroep geëiste bedrag van € 5.436,28 (f 11.980,--);

- (principaal) geïntimeerde nr. 15, zal worden veroordeeld tot betaling van het gehele in hoger beroep geëiste bedrag van € 20.179,60 (f 44.470,--);

- (principaal) geïntimeerde nr. 16, zal worden veroordeeld tot betaling van het gehele in hoger beroep geëiste bedrag van € 21.577,24 (f 47.550,--).

2.7 Gelet op rechtsoverweging 3.14 van het tussenarrest, zullen principaal geïntimeerden nrs. 3 en 12 bovendien worden veroordeeld in kosten van beslag ter hoogte van € 215,46 (f 474,81) respectievelijk € 882,42 (f 1.944,60).

2.8 In rechtsoverweging 3.11 van het tussenarrest is geconstateerd dat alle grieven in incidenteel appèl behoudens de grieven IX en X van principaal geïntimeerden (het tussenarrest vermeldt abusievelijk principaal appellanten) 1 t/m 5, 6 en 7 ongegrond waren. Bij de uitzonderingen had ook grief IV van geïntimeerde nr. 9 dienen te worden vermeld. Thans staat vast dat de zojuist genoemde grieven IX en X voor een (klein) gedeelte gegrond zijn en voor het overige falen alsmede dat de zojuist genoemde genoemde grief IV faalt. De grieven 1 t/m 5 in principaal appèl zijn in het tussenarrest gegrond en grief 7 is ongegrond bevonden. Het hof is van oordeel dat grief 6 in principaal appèl voor het grootste deel gegrond is, nu de diverse geïntimeerden - ook die ter zake waarvan een gedeelte van de vordering is afgewezen - als de op hoofdpunten in het ongelijk gestelde partijen hebben te gelden. Gelet op de omvang van de afwijzing in eerste aanleg - ook indien wordt uitgegaan van het niet honoreren van het beroep op eigen schuld - van de vorderingen op principaal geïntimeerden nrs. 1 en 11 zal het hof de kosten wat hen betreft compenseren in die zin, dat iedere partij haar eigen kosten in die instantie draagt.

2.9 Een en ander heeft ten gevolge, dat de in eerste aanleg uitgesproken veroordelingen zullen worden verhoogd tot de in de overwegingen 2.6 en 2.7 vermelde bedragen met veroordeling van de principaal geïntimeerden in de proceskosten, behoudens principaal geïntimeerden nrs. 1 en 11, ten aanzien van wie de kosten zullen worden gecompenseerd. Het hof zal bij de kostenveroordeling rekening houden met het feit, dat méér gedaagden dan thans in het geding waren betrokken en zal voor de proceskostenveroordeling uitgaan van gecombineerde processtukken (en één gevorderd bedrag) aan de zijde van de Vereniging. Overzichtelijkheidshalve zullen de vonnissen van de rechtbank worden vernietigd en zal een nieuw dictum worden geformuleerd.

2.10 Het hof is van oordeel dat de uitkomst van het hoger beroep aanleiding geeft tot veroordeling van de principaal geïntimeerden in de kosten van het principaal appèl. Wat betreft het incidenteel appèl zullen de incidenteel appellenten worden veroordeeld in de kosten daarvan, behoudens incidenteel appellant nr. 2 . Het resultaat van zijn incidenteel appèl rechtvaardigt een compensatie van kosten in die zin, dat hij en de Vereniging ieder de eigen kosten dragen. Ook hier zal het hof voor de proceskosten uitgaan van één gecombineerde vordering in hoger beroep.

3 De beslissing

Het hof, rechtdoende in principaal en incidenteel hoger beroep,

vernietigt de vonnissen van de rechtbank te Almelo van 20 december 2000 en 29 mei 2002, voor zover tussen de partijen in dit hoger beroep gewezen en, opnieuw rechtdoende:

- veroordeelt principaal geïntimeerde sub 1, tot betaling aan de Vereniging van een bedrag van € 15.787,02;

- veroordeelt principaal geïntimeerde sub 2, tot betaling aan de Vereniging van een bedrag van € 9.688,21;

- veroordeelt principaal geïntimeerde sub 3, tot betaling aan de Vereniging van een bedrag van € 11.730,22;

- veroordeelt principaal geïntimeerde sub 4, tot betaling aan de Vereniging van een bedrag van € 7.632,58;

- veroordeelt principaal geïntimeerde sub 5, tot betaling aan de Vereniging van een bedrag van € 8.154,44;

- veroordeelt principaal geïntimeerde sub 6, tot betaling aan de Vereniging van een bedrag van € 20.701,45;

- veroordeelt principaal geïntimeerde sub 7, tot betaling aan de Vereniging van een bedrag van € 50.601,03;

- veroordeelt principaal geïntimeerde sub 8, tot betaling aan de Vereniging van een bedrag van € 29.377,74;

- veroordeelt principaal geïntimeerde sub 9, (de erven) tot betaling aan de Vereniging van een bedrag van € 44.121,06;

- veroordeelt principaal geïntimeerde sub 10, tot betaling aan de Vereniging van een bedrag van € 37.010,32;

- veroordeelt principaal geïntimeerde sub 11, tot betaling aan de Vereniging van een bedrag van € 18.505,16;

- veroordeelt principaal geïntimeerde sub 12, tot betaling aan de Vereniging van een bedrag van € 8.449,38;

- veroordeelt principaal geïntimeerde sub 13, tot betaling aan de Vereniging van een bedrag van € 35.417,54;

- veroordeelt principaal geïntimeerde sub 14, tot betaling aan de Vereniging van een bedrag van € 5.436,28;

- veroordeelt principaal geïntimeerde sub 15, tot betaling aan de Vereniging van een bedrag van € 20.179,60;

- veroordeelt principaal geïntimeerde sub 16, tot betaling aan de Vereniging van een bedrag van € 21.577,24;

veroordeelt alle genoemde geïntimeerden tot betaling aan de Vereniging van de wettelijke rente over de bedragen tot betaling waarvan zij jegens de Vereniging zijn veroordeeld, telkens te rekenen vanaf 1 mei 1997 tot aan de dag van betaling;

veroordeelt principaal geïntimeerde nr. 3 tot betaling aan de Vereniging van gemaakte kosten van beslag ter hoogte van € 215,46;

veroordeelt principaal geïntimeerde nr. 12 tot betaling aan de Vereniging van gemaakte kosten van beslag ter hoogte van € 882,42;

veroordeelt principaal geïntimeerden nrs. 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 12, 13, 14, 15 en 16 ieder in het te haren aanzien gemaakte gedeelte van de explootkosten van de Vereniging in eerste aanleg, zijnde:

- ten aanzien van geïntimeerde [geïntimeerde sub 2] € 60,17;

- ten aanzien van geïntimeerde [geïntimeerde sub 3] € 87,87;

- ten aanzien van geïntimeerde [geïntimeerde sub 4] € 99,46;

- ten aanzien van geïntimeerde [geïntimeerde sub 5] € 96,34;

- ten aanzien van geïntimeerde [geïntimeerde sub 6] € 83,39;

- ten aanzien van geïntimeerde [geïntimeerde sub 7] € 63,07;

- ten aanzien van geïntimeerde [geïntimeerde sub 8] € 66,36;

- ten aanzien van geïntimeerde de erven [geïntimeerde sub 9] € 56,47;

- ten aanzien van geïntimeerde [geïntimeerde sub 10] € 48,87;

- ten aanzien van geïntimeerde [geïntimeerde sub 12] € 77,78;

- ten aanzien van geïntimeerde [geïntimeerde sub 13] € 77,78;

- ten aanzien van geïntimeerde [geïntimeerde sub 14] € 106,37;

- ten aanzien van geïntimeerde [geïntimeerde sub 15] € 122,13;

- ten aanzien van geïntimeerde [geïntimeerde sub 16] € 93,00;

veroordeelt principaal geïntimeerden nrs. 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 12, 13, 14, 15 en 16 voorts ieder in hun eigen proceskosten alsmede één tweeëntwintigste gedeelte van de overige proceskosten van de Vereniging in eerste aanleg, welke proceskosten van de Vereniging (in totaal) worden begroot op € 3.396,54 wegens griffierecht en € 5.560,-- wegens salaris;

compenseert de proceskosten in eerste aanleg tussen de Vereniging en principaal geïntimeerden nrs. 1 en 11 aldus, dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

veroordeelt principaal geïntimeerden ieder in het te haren aanzien gemaakte gedeelte van de explootkosten van de Vereniging in hoger beroep, zijnde:

- ten aanzien van geïntimeerde [geïntimeerde sub 1] € 5,97;

- ten aanzien van geïntimeerde [geïntimeerde sub 2] € 5,97;

- ten aanzien van geïntimeerde [geïntimeerde sub 3] € 5,97;

- ten aanzien van geïntimeerde [geïntimeerde sub 4] € 5,97;

- ten aanzien van geïntimeerde [geïntimeerde sub 5] € 5,97;

- ten aanzien van geïntimeerde [geïntimeerde sub 6] € 5,97;

- ten aanzien van geïntimeerde [geïntimeerde sub 7] € 5,97;

- ten aanzien van geïntimeerde [geïntimeerde sub 8] € 5,97;

- ten aanzien van geïntimeerde de erven [geïntimeerde sub 9] € 77,56;

- ten aanzien van geïntimeerde [geïntimeerde sub 10] € 5,97;

- ten aanzien van geïntimeerde [geïntimeerde sub 11] € 5,97;

- ten aanzien van geïntimeerde [geïntimeerde sub 12] € 5,97;

- ten aanzien van geïntimeerde [geïntimeerde sub 13] € 5,97;

- ten aanzien van geïntimeerde [geïntimeerde sub 14] € 38,78;

- ten aanzien van geïntimeerde [geïntimeerde sub 15] € 77,56;

- ten aanzien van geïntimeerde [geïntimeerde sub 16] € 77,56;

veroordeelt principaal geïntimeerden voorts wat betreft het principaal appèl ieder in hun eigen proceskosten, in één negentiende gedeelte van het door de Vereniging in hoger beroep betaald griffierecht en in één zestiende gedeelte van de salariskosten van de Vereniging in het principaal appèl, welk griffierecht respectievelijk salaris (in totaal) wordt begroot op € 4.536,-- (griffierecht) respectievelijk € 5.672,50 (salaris);

veroordeelt de incidenteel appellanten [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 3], [geïntimeerde sub 4], [geïntimeerde sub 5], [geïntimeerde sub 6], [geïntimeerde sub 7], [geïntimeerde sub 8] en de gezamenlijke erven [geïntimeerde sub 9] wat betreft het incidenteel appèl ieder in hun eigen proceskosten alsmede in één negende gedeelte van de proceskosten van de Vereniging, welke laatste proceskosten (in totaal) worden begroot op € 2.836,25 wegens salaris;

compenseert de proceskosten in incidenteel appèl tussen de Vereniging en incidenteel appellant nr. 2 aldus, dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest wat betreft de daarin uitgesproken veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. Heisterkamp, Olthof en Van den Dungen en uitgesproken in tegenwoorigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van 27 januari 2004.

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

9 september 2003

tweede civiele kamer

rolnummer 2002/486

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

de vereniging

Vereniging tegen Piramidespelen,

gevestigd te Enschede,

principaal appellante,

incidenteel geïntimeerde,

procureur: mr. P.C. Plochg,

tegen:

1. [geïntimeerde sub 1],

2. [geïntimeerde sub 2],

3. [geïntimeerde sub 3],

4. [geïntimeerde sub 4],

5. [geïntimeerde sub 5],

principaal geïntimeerden, incidenteel appellanten,

procureur: mr. J.M. Bosnak

6. [geïntimeerde sub 6],

7. [geïntimeerde sub 7],

principaal geïntimeerden, incidenteel appellanten,

procureur: mr. F.P. Lomans,

8. [geïntimeerde sub 8],

principaal geïntimeerde, incidenteel appellant,

procureur: mr. P.M. Wilmink,

9. de gezamenlijke erven van [geïntimeerde sub 9],

principaal geïntimeerden, incidenteel appellanten,

procureur: mr. J.E. Brands,

10. [geïntimeerde sub 10],

principaal geïntimeerde,

11. [geïntimeerde sub 11],

principaal geïntimeerde,

12. [geïntimeerde sub 12],

principaal geïntimeerde,

13. [geïntimeerde sub 13],

principaal geïntimeerde,

14. [geïntimeerde sub 14],

principaal geïntimeerde,

15. [geïntimeerde sub 15],

principaal geïntimeerde,

16. [geïntimeerde sub 16],

principaal geïntimeerde,

nrs. 10 t/m 16 niet in hoger beroep verschenen.

1 De procedure in eerste aanleg

De rechtbank te Almelo heeft op 19 januari 2000, 20 december 2000, 8 augustus 2001 en 29 mei 2002 vonnissen gewezen tussen principaal appellante (verder te noemen: de Vereniging) als eiseres en onder meer principaal geïntimeerden als gedaagden. Van het tweede en het laatste vonnis is een afschrift aan dit arrest gehecht. Naar die vonnissen wordt verwezen voor de procesgang in eerste aanleg, de in die instantie genomen beslissing en de gronden daarvoor.

2 De procedure in hoger beroep

2.1 Bij exploten van 31 mei en 3 juni 2002 is de Vereniging in hoger beroep gekomen van de genoemde vonnissen van 20 december 2000 en 29 mei 2002 met dagvaarding van de onderscheiden geïntimeerden voor dit hof. In de appèldagvaarding heeft de Vereniging tegen de vonnissen zeven grieven aangevoerd en toegelicht en heeft zij – voor zover thans nog van belang - geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de vonnissen zal vernietigen en alsnog rechtdoende:

A. principaal geïntimeerde sub 1, zal veroordelen tot betaling aan de Vereniging van een bedrag van € 15.787,02;

B. principaal geïntimeerde sub 2, zal veroordelen tot betaling aan de Vereniging van een bedrag van € 17.053,06;

C. principaal geïntimeerde sub 3, zal veroordelen tot betaling aan de Vereniging van een bedrag van € 11.730,22;

D. principaal geïntimeerde sub 4, zal veroordelen tot betaling aan de Vereniging van een bedrag van € 7.632,58;

E. principaal geïntimeerde sub 5, zal veroordelen tot betaling aan de Vereniging van een bedrag van € 8.154,44;

F. principaal geïntimeerde sub 6, zal veroordelen tot betaling aan de Vereniging van een bedrag van € 30.530,34;

G. principaal geïntimeerde sub 7, zal veroordelen tot betaling aan de Vereniging van een bedrag van € 53.319,18;

H. principaal geïntimeerde sub 8, zal veroordelen tot betaling aan de Vereniging van een bedrag van € 29.377,74;

I. principaal geïntimeerde sub 9, (de erven) zal veroordelen tot betaling aan de Vereniging van een bedrag van € 44.121,06;

J. principaal geïntimeerde sub 10, zal veroordelen tot betaling aan de Vereniging van een bedrag van € 37.010,32;

K. principaal geïntimeerde sub 11, zal veroordelen tot betaling aan de Vereniging van een bedrag van € 18.505,16;

L. principaal geïntimeerde sub 12, zal veroordelen tot betaling aan de Vereniging van een bedrag van € 8.449,38;

M. principaal geïntimeerde sub 13, zal veroordelen tot betaling aan de Vereniging van een bedrag van € 35.417,54

M. principaal geïntimeerde sub 14, zal veroordelen tot betaling aan de Vereniging van een bedrag van € 5.436,28;

N. principaal geïntimeerde sub 15, , zal veroordelen tot betaling aan de Vereniging van een bedrag van € 20.179,60;

O. principaal geïntimeerde sub 16, zal veroordelen tot betaling aan de Vereniging van een bedrag van € 21.577,24;

P. alle genoemde geïntimeerden zal veroordelen tot betaling aan de Vereniging van de wettelijke rente over de bedragen tot betaling waarvan zij jegens de Vereniging worden veroordeeld, telkens te rekenen vanaf 1 mei 1997 tot aan de dag van betaling;

Q. alle genoemde geïntimeerden zal veroordelen in de kosten van de procedure zowel in eerste aanleg als in appèl, waaronder zijn begrepen de kosten van de te hunnen laste gelegde beslagen.

2.2 Geïntimeerden nrs. 1 t/m 5 hebben bij memorie van antwoord verweer gevoerd, hebben bewijs aangeboden, hebben onder aanvoering van tien grieven tegen de vonnissen incidenteel appèl ingesteld en hebben geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de Vereniging in haar vorderingen in eerste aanleg niet-ontvankelijk zal verklaren, althans de vorderingen van de Vereniging alsnog als zijnde ongegrond en of onbewezen zal afwijzen met veroordeling van de Vereniging in de kosten van de procedure in beide instanties.

2.3 Geïntimeerden nrs. 6 en 7 hebben bij memorie van antwoord verweer gevoerd, hebben bewijs aangeboden, hebben een productie overgelegd, hebben onder aanvoering van tien grieven tegen de vonnissen incidenteel appèl ingesteld en hebben geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de Vereniging in haar vorderingen in eerste aanleg niet-ontvankelijk zal verklaren, althans de vorderingen van de Vereniging alsnog als zijnde ongegrond en of onbewezen zal afwijzen, met veroordeling van de Vereniging in de kosten van de procedure in beide instanties.

2.4 Geïntimeerde nr. 8 heeft bij memorie van antwoord verweer gevoerd, heeft onder aanvoering van één grief tegen de vonnissen incidenteel appèl ingesteld en heeft geconcludeerd dat het hof in het principaal appèl zo nodig onder verbetering van gronden de vonnissen zal bevestigen met veroordeling van de Vereniging in de kosten van het hoger beroep en in incidenteel appèl de vonnissen zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de vorderingen van de Vereniging zal afwijzen met veroordeling van de Vereniging in de kosten van beide instanties.

2.5 Geintimeerden nr. 9 hebben bij memorie van antwoord verweer gevoerd, hebben onder aanvoering van vier grieven tegen de vonnissen incidenteel appèl ingesteld, hebben bewijs aangeboden en hebben geconcludeerd dat het hof het principaal appèl ongegrond zal verklaren subsidiair een eventuele uitvoerbaarverklaring bij voorraad slechts onder voorwaarden tot zekerheid van [geïntimeerde sub 9] toe zal staan en in incidenteel appèl de vonnissen zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog de Vereniging niet-ontvankelijk zal verklaren in de door haar ingestelde vordering althans haar deze zal ontzeggen, kosten rechtens.

2.6 De overige geïntimeerden zijn niet in hoger beroep verschenen. Tegen hen is verstek verleend.

2.7 Bij memorie van antwoord in incidenteel appèl heeft de Vereniging tegen het incidenteel appèl van de onder 2.2, 2.3, 2.4 en 2.5 bedoelde geïntimeerden verweer gevoerd met conclusie dat het hof het in incidenteel hoger beroep gevorderde zal afwijzen, met hoofdelijke veroordeling van incidenteel appellanten in de kosten van deze procedure in incidenteel appèl, uitvoerbaar bij voorraad.

2.7 Ter zitting van het hof van 6 mei 2003 hebben de Vereniging en de onder 2.2, 2.3 en 2.5 bedoelde principaal geïntimeerden hun zaak doen bepleiten, de Vereniging door mr. J. de Jong van Lier, advocaat te Enschede, de onder 2.2 bedoelde principaal geïntimeerden door mr. J. Schoneveld, advocaat te Zoetermeer, de onder 2.3 bedoelde principaal geïntimeerden door mr. R.F.W. van Seumeren, advocaat te Uden en de onder 2.5 bedoelde principaal geïntimeerden door mr. R.F. Thunnissen, advocaat te ‘s-Gravenhage. De advocaten hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht.

2.8 Hierna hebben partijen de stukken aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest.

3 Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.1 Het onderhavige geding betreft een vordering tegen zogenaamde marketing-managers van het piramidespel "Titan", ingesteld door de Vereniging voor haar leden die aan dit spel hebben deelgenomen en als schadevergoeding hun inleg door de marketing managers vergoed willen zien. De rechtbank heeft het handelen van de marketing managers jegens de genoemde leden onrechtmatig geoordeeld op de grond dat de marketing managers jegens genoemde leden onrechtmatig (strijdig met in ieder geval art. 7 van de Colportagewet) hebben gehandeld. Daarbij is 50% van de schade op grond van art. 6:101 BW aan de diverse benadeelden toegerekend. Voorts zijn op bewijskwesties enkele onderdelen van de vordering niet toewijsbaar geoordeeld. De grieven in principaal en incidenteel appèl stellen het oordeel van de rechtbank op diverse punten ter discussie.

3.2 Het hof zal eerst de grieven in incidenteel appèl - die de toewijsbaarheid van de vorderingen als zodanig betreffen - behandelen. Daarbij zal het hof de verschillende aangevoerde gronden bespreken en daarna ingaan op de grieven. Vervolgens komt voor zover nodig het principaal appèl ter sprake.

3.3 Het hof is van oordeel dat het lidmaatschap van Titan kan worden aangemerkt als een goed in de zin van art. 1 lid 1 onder b van de Colportagewet. Art. 1 lid 1 onder “b” van de Colportagewet omschrijft “goed” als: “een roerende zaak of een vermogensrecht dat geen registergoed is”. De deelnemers aan het piramidespel ontvangen naar het oordeel van het hof - tegen betaling - een vermogensrecht in de zin van deze wet. Het hof wijst op de (niet uitputtende) omschrijving van het begrip “vermogensrecht” in art. 3:6 van het Burgerlijk Wetboek; naar zijn oordeel is hetgeen een deelnemer aan het spel ontvangt te beschouwen als een recht dat ertoe strekt die deelnemer (mogelijk) stoffelijk voordeel te verschaffen. Dit komt in praktische zin tot uiting als het recht tot toetreding tot een zeker samenwerkingsverband waarbinnen nieuwe deelnemers worden gerecruteerd alsmede waarbinnen kan worden deelgenomen aan speciaal op die recrutering afgestemde trainingen, alles gericht op het verkrijgen van een deel van de door nieuwe deelnemers betaalde bijdragen aan het zogenaamde “winstsysteem”. Aan het oordeel van het hof dat hier sprake is van een vermogensrecht doet niet af dat van de gerechtigde een zekere inspanning wordt vereist, evenmin als het in het piramidespel besloten kanselement (hetgeen het hof overigens niet overheersend acht). Overigens zou hier ook kunnen worden gesproken van het “verlenen van een dienst” in de zin van art. 1 lid 1 onder “c” van de Colportagewet.

3.4 De stelling dat de managers niet hebben gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf wordt eveneens verworpen. Men handelde binnen Titan, dat zich in zijn documentatie afficheert als "Internationaal Marketing Bedrijf" en "Titan Marketing Maatschappij", immers binnen een op het stelselmatig werven van nieuwe leden en het verkrijgen van hun geldelijke bijdragen gerichte organisatie met daaraan gekoppeld een voor die activiteiten gefixeerde beloningsstructuur. Men maakte daarbij gebruik van een gedrukt aanvraagformulier, van professioneel georganiseerde wervingsbijeenkomsten en trainingscursussen alsmede van een systematische wijze van afhandelen van aanvragen en uitbetaling van gelden. Het handelen binnen dit organisatorische verband dient als handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf in de zin van de Colportagewet te worden beschouwd. Daarbij is niet van belang dat de managers niet hun hoofdactiviteit binnen Titan hadden, maar hun activiteiten in avonduren e.d. verrichten naast een "normaal" beroep (MvA bij Colportagewet, 11 106, ad art. 1), evenmin als van belang is dat zij niet juridisch aan Titan verbonden waren.

3.5 Wat betreft de vraag of degenen die tot het lidmaatschap van Titan werden overgehaald als "particulier" in de zin van art. 1 lid 1 onder c van de Colportagewet hebben te gelden overweegt het hof, dat naar zijn oordeel voor de positie van die personen dient te worden uitgegaan van de fase waarin werd getracht de desbetreffende persoon tot toetreding tot Titan te bewegen, dus de fase voorafgaand aan het "sluiten van de overeenkomst". Dit volgt uit de genoemde bepaling van de Colportagewet. Niet is gesteld dat de desbetreffende personen tot het moment van toetreding niet als "particulier" zouden gelden. Dat men na toetreding zelf als colporteur zou (kunnen) worden aangemerkt doet hieraan niet af.

3.6 Aangevoerd is voorts, dat de wervingsactiviteiten leiden tot het verkrijgen van een aanvraagformulier en dat voor het tot stand komen van de overeenkomst nog initiatieven van de gasten moeten worden genomen, zodat pas enige dagen na de presentatie een overeenkomst wordt gesloten. De Colportagewet richt zich echter tegen een bepaalde wijze van beïnvloeding van de wederpartij bij het tot stand komen van overeenkomsten en stelt slechts het vereiste dat de overeenkomst feitelijk “het onmiddellijk gevolg is van de werkzaamheden van een colporteur” (art. 24 Colportagewet). Niet is vereist dat de overeenkomst tijdens c.q. direct na het bezoek van of de bijeenkomst met de colporteur tot stand komt; ook een later tot stand gekomen overeenkomst kan een gevolg zijn van een beïnvloedingsproces als hier aan de orde. Daar komt bij, dat de marketing-managers weliswaar hebben gesteld dat het doorgaans enige dagen duurde voordat aspirant-deelnemers het aanvraagformulier hadden ingevuld en een persoonlijk gesprek met de marketing-manager hadden gevoerd, maar dat zij niet hebben gesteld dat die aspirant-deelnemers tot het nemen van bedenktijd werden verplicht of zelfs aangemoedigd. Zij hebben overigens evenmin gesteld dat het persoonlijk gesprek met de marketing-manager tot doel had, de aspirant-deelnemers te behoeden voor overijlde deelname. Tegen de achtergrond van het feit dat de marketing-manager geld zou ontvangen van de activiteiten van toekomstige deelnemers ligt meer voor de hand dat het persoonlijk gesprek was gericht op stimulering van deelname, aldus evenzeer als de presentatie een wervend karakter had en mede als colportage kan worden beschouwd.

3.7 In aansluiting op dit laatste wordt het verweer dat niet de marketing-managers, maar de junior en senior partners de colportage-activiteiten hebben verricht, verworpen. De marketingmanagers waren voor hun eigen beloning van de bijdragen van toekomstige deelnemers afhankelijk, zij hadden een aansturende functie in de organisatie alsmede bij de wervingsbijeenkomsten en zij vervulden ook feitelijk een rol bij het algemene en het individuele beïnvloedingsproces. Alvorens een junior-partner voor Titan kon werken was blijkens het "aanvraagformulier"(productie 4 bij conclusie van eis) een gesprek met een marketing-manager zelfs verplicht gesteld. Volgens de brochure "Bedrijfsgeheim" (productie 5 bij conclusie van eis) dienen junior-partners ten minste één maal per week hun marketing-manager te bellen, moet bij de marketing-manager worden gereserveerd voor presentaties (met gasten), moeten gasten van de junior-partner aan hem worden voorgesteld en beantwoordt hij zo nodig vragen van de gasten. Dat alles wijst op rechtstreekse betrokkenheid bij een op colportage gericht systeem. Hun rol in het geheel geeft voldoende aanleiding om de marketing-managers als colporteurs in de zin van art. 1 Colportagewet aan te merken. Het hof merkt daarbij op, dat niet de doorslag geeft of de marketing-managers al dan niet zelf de aspirant leden hebben meegenomen naar de wervingsbijeenkomsten. Uit de begripsomschrijving van art. 1, lid 1 onder "c" van de Colportagewet volgt immers dat (de rol bij) het "trachten te bewegen" de doorslag geeft en niet de wijze waarop de daar genoemde groep personen "ter plaatse van de aanprijzing aanwezig" is geraakt. Bovendien wordt nog overwogen, dat de artikelen 7 en 8 van de Colportagewet zich niet alleen richten tot respectievelijk tegen de feitelijke colporteur, maar ook tegen de onderneming die de colporteur doet handelen. Voor zover de marketing-managers al niet zelf als colporteurs hebben te gelden, geven deze bepalingen aanleiding om hen voor de vraag of zij wegens overtreding van de artikelen 7 en 8 van de Colportagewet onrechtmatig hebben gehandeld met colporteurs gelijk te stellen.

3.8 In algemene zin overweegt het hof ter zake van de toepasselijkheid van de Colportagewet nog, dat in de Nota naar aanleiding van het Eindverslag aan de Tweede Kamer ter zake van het wetsvoorstel tot verbieden van de piramidespelen het inroepen van de Colportagewet wordt genoemd als een juridisch middel dat gebruikt kan worden in de strijd tegen piramidespelen (Zitting 1997-1998, 25 523, nr. 5, blz. 6 en 9). Met de als uitvloeisel van dat wetsvoorstel tot stand gekomen Wet van 14 mei 1998 is beoogd het verbodsregime van de Wet op de kansspelen op de piramidespelen van toepassing te doen zijn teneinde die spelen tot een algeheel einde te brengen (Kamerstukken 1996/1997, wetsontwerp 25 523, Memorie van toelichting, blz. 4). Achtergrond van dit algehele verbod is, dat de aard van het spel meebrengt dat de winstkansen dalen naarmate het aantal deelnemers stijgt en het onontkoombaar is, dat het merendeel van de deelnemers het spel met een negatief resultaat zal beëindigen (genoemd kamerstuk, blz. 2-4). Met deze wet en haar maatschappelijke achtergrond zou niet te rijmen zijn, dat men zich - in de situatie vóór inwerkingtreding van die wet - bij een incidenteel ingrijpen op grond van algemene wetten meer beperkingen zou opleggen dan strikt noodzakelijk.

3.9 Aangaande het beroep op "eigen schuld" wordt het volgende overwogen. Met de Colportagewet heeft de wetgever beoogd volledige bescherming te bieden aan particulieren die - bewust - overeenkomsten sluiten onder invloed van overrompelende verkooptechnieken. Blijkens de behandeling van het wetsontwerp tot het verbieden van piramidespelen heeft de wetgever niet willen volstaan met regulering, maar is een algeheel en ongeclausuleerd verbod uitgevaardigd omdat, "ondanks het feit dat veel deelnemers waarschijnlijk wel ongeveer beseffen hoe het systeem functioneert, zij zich toch over (laten) halen tot deelname." (eerdergenoemde Nota naar aanleiding van het Eindverslag, blz. 2). Door kamerleden is daarbij gewezen op "agressieve verkoopmethoden" die het de burger moeilijk maken "zijn eigen verantwoordelijkheid te nemen" en op "veelal dubieuze praktijken waarbij grote groepen van de bevolking in naïeve verwachtingen op grond van onduidelijke, onjuiste of zelfs valse voorlichting" geld verliezen (Verslag, 25 253, nr. 4, blz. 1). Blijkens genoemde passages is de wetgever ervan uitgegaan dat het in algemene zin voor particulieren moeilijk is om weerstand te bieden tegen de overrompelende aanpak en de wervende wijze waarop het piramidespel wordt gepresenteerd, zelfs indien men ermee bekend is dat het verschijnsel als zodanig ter discussie staat, hetgeen voor de onderhavige gevallen overigens niet vaststaat. Het hof is van oordeel dat het met zowel de strekking van de Colportagewet als met de achtergrond van het verbod op piramidespelen niet goed verenigbaar zou zijn om op basis van algemene, niet op het concrete geval toegespitste, argumenten steeds een vast gedeelte van de door de marketing-managers te vergoeden schade voor rekening te laten van degenen die (mede) door toedoen van die marketing-managers tot deelname aan het piramidespel zijn bewogen. Wat betreft dit "bewegen" acht het hof uit de stellingen over en weer voldoende aannemelijk geworden, dat bij de wervingsbijeenkomsten structureel gebruik werd gemaakt van georganiseerde psychologische manipulatie, die gericht was op het wegnemen van drempels tegen toetreding. Het hof is van oordeel dat degenen die zich direct of indirect van deze technieken hebben bediend niet in redelijkheid de gevolgen van het slagen ervan op de gedupeerden kunnen afwentelen. Het beroep op eigen schuld (en het beroep op risicoaanvaarding) wordt dan ook integraal verworpen.

3.10 Door de erven [geïntimeerde sub 9] is in dit verband nog gewezen op de bijzondere hardheid van de aanspraak van de Vereniging jegens de weduwe [geïntimeerde sub 9], die part noch deel aan het piramidespel heeft gehad. Een en ander kan er echter niet aan afdoen dat de erfgenamen van wijlen [geïntimeerde sub 9] als opvolgers onder algemene titel (art. 3:80, lid 2 BW) de vermogensrechtelijke gevolgen van diens aansprakelijkheid hebben te dragen.

3.11 Uit het voorgaande vloeit de ongegrondheid voort van alle grieven in incidenteel appèl behoudens de grieven IX en X van principaal appellanten 1 t/m 5 en principaal appellanten 6 en 7. Tevens volgt hieruit de gegrondheid van de grieven I t/m IV van de Vereniging in principaal appèl.

3.12 Wat betreft de in de vorige rechtsoverweging bedoelde incidentele grieven IX en X overweegt het hof het volgende. Voor zover die grieven zijn gericht tegen de lastgeving aan de Vereniging wordt in hoger beroep niet meer gesteld dan dat geen originele overeenkomsten van lastgeving zijn aangetroffen. Niet wordt gesteld dat er (nadat de rechtbank een gedeelte van de vorderingen wegens ontbreken van of gebreken in de lastgevingsovereenkomst had afgewezen) geen stukken zijn waaruit de lastgeving kan blijken, dat de aangetroffen kopieën foutief zijn, dat de handtekening ontbreekt of iets dergelijks. Wel wordt gesteld dat de stukken "deels moeilijk of onleesbaar" zijn, maar dit wordt niet onderbouwd op een wijze, dat daaruit volgt bij welke overeenkomsten van lastgeving dit het geval zou zijn. Het hof ziet niet in waarom hier alleen originele stukken tot bewijs zouden kunnen dienen. In zoverre falen de grieven dus.

Inzake het verband tussen de gevorderde schade en de diverse incidenteel appellanten stelt het hof voorop, dat de Vereniging geen grief heeft gericht tegen het door de rechtbank aangelegde criterium, inhoudende dat de desbetreffende persoon als marketing-manager moet zijn vermeld in de papieren en er een door hem/haar getekende kwitantie voor de inleg aanwezig is voor ten minste het van die marketing-manager gevorderde bedrag. Voor zover de Vereniging in de memorie van antwoord in incidenteel appèl ("ad grief 10, opgeworpen door [geïntimeerde sub 6] c.s. en [geïntimeerde sub 1] c.s.") alsnog stelt dat geen getekende kwitantie is vereist, kan die stelling haar dus niet baten. Voor zover sommige incidenteel appellanten stellen dat voor het "zijn vermeld in de papieren" een essentieel vereiste is dat het aanvraagformulier door de desbetreffende marketing-manager is ondertekend, onderschrijft het hof deze stelling niet; het hof acht het voldoende dat - voor zover niet nadrukkelijk is betwist dat de desbetreffende marketing-manager bij de desbetreffende bijeenkomst actief is geweest - de betrokkenheid van de desbetreffende marketing-manager uit de bij de Vereniging voorhanden bewijsstukken kan worden afgeleid, zeker nu niet weersproken is dat originele stukken bij de Titan-organisatie berusten. Verder is het hof van oordeel dat, gelet op het feit dat de rechtbank de toegewezen bedragen heeft gespecificeerd en alvorens tot (gedeeltelijke) toewijzing van de vorderingen te komen stukken heeft ingezien welke - ook ten behoeve van de incidenteel appellanten - ter griffie waren gedeponeerd, een gespecificeerde betwisting van de bevindingen van de rechtbank kan worden gevergd. Zo kan niet worden volstaan met de enkele opmerking, dat stukken in originele vorm ontbreken. Ook stukken in kopie kunnen immers dienen tot bewijs, zeker indien niet wordt gesteld dat sprake is van falsificaties of dat de kopieën anderszins geen juist beeld geven. Voorts kan, gelet op het feit dat de principaal geïntimeerden het voorhanden zijnde bewijs hebben kunnen inzien, niet worden volstaan met het innemen van bij voorbeeld het standpunt dat minimaal de naam en handtekening onder de kwitantie dienen te staan, zonder dat daarbij wordt aangegeven in hoeverre er op dit punt bij de desbetreffende principaal geïntimeerde manco's zijn geconstateerd. Het hof zal dan ook alleen nader onderzoek instellen voor zover (ook) specifieke verweren in deze zin zijn gevoerd. Een aantal principaal geïntimeerden heeft dit gedaan.

3.13 Geïntimeerde nr. 6 heeft aangevoerd dat:

- er geen enkel bewijsstuk ter zake van het lid [A.] is;

- de handtekening op de kwitantie voor [B.] niet van [geïntimeerde sub 6] afkomstig is;

- de handtekening op het aanvraagformulier en de kwitantie voor [H.] niet van [geïntimeerde sub 6] afkomstig zijn;

- de handtekening op de kwitantie voor [I.] niet van [geïntimeerde sub 6] afkomstig is;

- de handtekening op de kwitantie voor [J.] niet van [geïntimeerde sub 6] afkomstig is;

- de handtekening op het aanvraagformulier van [L.] niet van [geïntimeerde sub 6] afkomstig is;

- er geen aanvraagformulier van [M.] is.

De Vereniging heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Daarbij heeft zij echter ten aanzien van [H.], [I.] en [J.] niet betwist dat de handtekening onder de kwitantie niet van [geïntimeerde sub 6] afkomstig is. Gelet op hetgeen onder 3.12 is overwogen, kan de vordering tegen [geïntimeerde sub 6] in zoverre niet worden toegewezen. Wat betreft [L.] faalt het verweer van [geïntimeerde sub 6] in verband met hetgeen onder 3.12 is overwogen. Voor het overige ([A.], [B.]) ziet het hof in het verweer van de Vereniging aanleiding om haar te gelasten de bewijsstukken waarop zij zich beroept ter griffie van het hof te doen deponeren. [geïntimeerde sub 6] zal in de gelegenheid worden gesteld bij akte in te gaan op het verweer van de Vereniging.

Geïntimeerde nr. 7 heeft aangevoerd dat de handtekening op de kwitantie voor [K.] niet van [geïntimeerde sub 7] afkomstig is. De Vereniging heeft dat niet betwist. Gelet op hetgeen onder 3.12 is overwogen komt de vordering tegen [geïntimeerde sub 7] in zoverre niet voor toewijzing in aanmerking.

Het hof begrijpt hetgeen namens de geïntimeerden nr. 9 bij hun repliek tijdens het pleidooi is gesteld aldus, dat zij zich op het standpunt stellen dat ter zake van de bemoeienis van [geïntimeerde sub 9] ieder betalingsbewijs en ander bewijs ontbreekt. Hoewel niet is gebleken dat de rechtbank geen onderzoek op dit punt heeft verricht (de post [N.] is immers niet toegewezen), zal het hof de Vereniging in de gelegenheid stellen de bewijsstukken van haar vordering op [geïntimeerde sub 9] ter griffie te deponeren, waarna de erven [geïntimeerde sub 9] in de gelegenheid zullen worden gesteld hun standpunt bij akte toe te lichten.

Geïntimeerde nr. 2 heeft ter gelegenheid van het pleidooi gesteld de stukken te hebben ingezien en vraagtekens te hebben bij het bewijs. Het hof ziet hierin aanleiding de Vereniging te gelasten de bewijsstukken van haar vordering op [geïntimeerde sub 2] ter griffie te deponeren. Geïntimeerden 1 t/m 5 zullen in de gelegenheid worden gesteld bij akte de bezwaren van [geïntimeerde sub 2] tegen het bewijs toe te lichten.

De Vereniging zal in de gelegenheid worden gesteld te reageren op de aktes zijdens de geïntimeerden nrs. 6, 9 en 1 t/m 5.

3.14 Grief V in principaal appèl is gegrond. De Vereniging heeft in hoger beroep stukken betrekkelijk tot de gelegde beslagen in het geding gebracht en daaruit blijkt dat ter zake van die beslagen de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen. De kosten van die beslagen zullen alsnog ten laste worden gebracht van de geïntimeerden ten laste van wie beslag is gelegd. Het betreft principaal geïntimeerde nr. 3 (een bedrag van f 474,81) en principaal geïntimeerde nr. 12 (een bedrag van f 1.944,60). Er zijn geen stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat beslag is gelegd ten laste van andere principaal geïntimeerden die nog in het geding zijn.

3.15 Aangaande grief VII in principaal appèl wordt overwogen dat niet valt in te zien waarom de Vereniging zekerheid zou dienen te stellen voor een hoger bedrag dan het bedrag waartoe de gedaagden zijn veroordeeld (incl. rente en proceskosten). In zoverre is de grief gegrond. Voor het overige is het hof van oordeel dat de argumenten die de rechtbank heeft aangevoerd ter onderbouwing van haar oordeel dat uitvoerbaar bij voorraadverklaring slechts tegen zekerheidsstelling kan worden uitgesproken, ook in hoger beroep nog gelden. De grief faalt dus in zoverre.

3.16 Met betrekking tot de principaal geïntimeerden die, hoewel in hoger beroep betrokken, daarin niet zijn verschenen geldt, dat hun verweren uit de eerste aanleg goeddeels in het bovenstaande aan de orde zijn gekomen. Voor het overige onderschrijft het hof hetgeen de rechtbank ten aanzien van hun verweren heeft overwogen. Gezien het hiervoor onder 3.9 overwogene dienen de niet opgekomen principaal geïntimeerden te worden veroordeeld tot betaling van het dubbele van het bedrag tot betaling waarvan zij door de rechtbank waren veroordeeld.

3.17 De slotsom luidt dat de zaak naar de rol zal worden verwezen voor het in rechtsoverweging 3.13 omschreven doel.

3.18 Iedere verdere beslissing, ook ten aanzien van de principaal geïntimeerden te wier aanzien reeds eindarrest zou kunnen worden gewezen, zal worden aangehouden.

4 De beslissing

Het hof, rechtdoende in principaal en incidenteel hoger beroep,

gelast de Vereniging de in rechtsoverweging 3.13 van dit arrest bedoelde stukken ter griffie van het hof te doen deponeren vóór 30 september 2003;

verwijst de zaak naar de rol van 21 oktober 2003 voor akte van de zijde van de geïntimeerden nrs. 6, 7, 9 en 1 t/m 5 als bedoeld in rechtsoverweging 3.13 van dit arrest;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Heisterkamp, Olthof en Van den Dungen en uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van 9 september 2003.