Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2004:AO2157

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
21-01-2004
Datum publicatie
23-01-2004
Zaaknummer
21-003428-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof heeft verdachte voor een zeer geweldadige poging tot doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-003428-03

Uitspraak dd.: 21 januari 2004

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de meervoudige kamer te Zwolle van 17 juli 2003 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 7 januari 2004 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd dat:

(zie voor de inhoud van de dagvaarding bijlage IIa en voor de inhoud van de wijziging van de telastelegging bijlage IIb)

Indien in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat telastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 primair en 2 telastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

(zie voor de inhoud van de bewezenverklaring bijlage III)

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is telastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven

ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde:

Het medeplegen van:

Poging tot:

Doodslag.

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Het hof acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden- dat verdachte zich met [medeverdachte 1] heeft schuldig gemaakt aan een zeer gewelddadige poging tot doodslag. Verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn met een vooropgezet plan naar de woning van [slachtoffer] gegaan om aldaar in te breken. [Medeverdachte 2] is de woning door een raam naar binnen geklommen en heeft verdachte en [medeverdachte 1] via een deur de toegang tot het huis verschaft. Verdachte is als eerste, gevolgd door [medeverdachte 2], naar de bovenverdieping van de woning gegaan en heeft daar de bewoner [slachtoffer] aangetroffen. Vervolgens hebben verdachte en [medeverdachte 2] [slachtoffer] geslagen en geschopt, waarbij zij een houten knuppel en halters hebben gebruikt. Tevens heeft verdachte [slachtoffer] in een wurggreep genomen waardoor het slachtoffer geen lucht meer kreeg. [Slachtoffer] heeft aan dit geweld een hersenschudding, diepe barst- en scheurwonden en kneuzingen overgehouden. [Slachtoffer] heeft zich verzet en is daarbij over de synthetische vloerbedekking gesleurd, waardoor er brandblaren op zijn knieën en ellebogen zijn ontstaan. Verdachte en [medeverdachte 1] hebben door aldus te handelen enorme gevoelens van angst en onrust bij het slachtoffer teweeggebracht. Hun handelwijze is voor [slachtoffer] dusdanig traumatisch geweest dat hij tot op heden kampt met psychische klachten.

Daarnaast houdt het hof bij de straftoemeting in aanmerking dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het besturen van een auto onder de invloed van alcohol en dat verdachte in het verleden bij herhaling is veroordeeld wegens het plegen van strafbare feiten, waaronder diefstal met geweld.

De vordering van [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 2.138,54 ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.951,83. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 1 primair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 45, 47, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het onder 1 primair en 2 telastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is telastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren .

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

de in beslag genomen voorwerpen

Gelast de teruggave aan de rechtmatige eigenaar van het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

bestelauto, merk Ford, kleur blauw.

de aan [benadeelde partij] toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van € 2.138,54 (tweeduizend honderdachtendertig euro en vierenvijftig cent).

Verwijst verdachte in de op de vordering gevallen kosten en bepaalt deze, voorzover aan de zijde van de benadeelde partij gevallen, op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij een bedrag te betalen van € 712,85 (zevenhonderdtwaalf euro en vijfentachtig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door dagen (veertien) 14 hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat inzoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr Schimmelpenninck-Mulder, voorzitter,

mrs Mannoury en Boerwinkel, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr Bouwman, griffier,

en op 21 januari 2004 ter openbare terechtzitting uitgesproken.