Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2003:AP1406

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
23-12-2003
Datum publicatie
11-06-2004
Zaaknummer
99/687
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Civielrechtelijk appèl ter zake van een vordering van een benadeelde partij in strafproces (421 lid 4 Sv). Vermeerdering/verandering van eis; bewijslevering. Welk processueel régime geldt?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 23 december 2003

Rolnummer: C99/687 H

kenmerk rechtbank: parketnr 07.007063-98

HET GERECHTSHOF TE ARNHEM, zesde civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante, hierna te noemen: [appellante],

procureur: mr. J.C.N.B. Kaal,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde, hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr. J.M. Bosnak.

1. HET GEDING IN HOGER BEROEP

[appellante] is bij exploot van 31 augustus 1999 in hoger beroep gekomen van het vonnis dat op 1 juni 1999 door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Zwolle werd gewezen in de strafzaak tegen [geïntimeerde], waarin zij zich als benadeelde partij had gevoegd. [appellante] heeft bij memorie van grieven (met producties) drie grieven opgeworpen en heeft daarbij haar eis vermeerderd. [geïntimeerde] heeft [appellante]s vorderingen in appèl bij memorie van antwoord bestreden. Nadat [appellante] bij akte haar eis nogmaals had gewijzigd heeft [geïntimeerde] een antwoordakte genomen. Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

2. BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

2.1. Het volgende staat in dit hoger beroep vast.

(a) Partijen hebben in de periode van maart 1987 tot 9 januari 1995, met enkele onderbrekingen, met elkaar samengeleefd. Aanvankelijk woonden zij in [woonplaats A] en later aan boord van een schip, dat [woonplaats B] als thuishaven had.

(b) Op 5 mei 1998 heeft [appellante] bij de politie aangifte gedaan dat [geïntimeerde] haar gedurende dat samenleven meermalen en na beëindiging daarvan nog eenmaal had verkracht, haar ook anderszins had mishandeld en haar van haar vrijheid had beroofd.

(c) De officier van justitie bij de rechtbank te Zwolle heeft [geïntimeerde] gedagvaard voor de meervoudige strafkamer en hem daarbij onder meer primair tenlastegelegd dat hij [appellante] meermalen heeft verkracht, en subsidiair dat hij haar meermalen heeft mishandeld.

(d) [appellante] heeft zich in het daarop gevolgde strafproces gevoegd als benadeelde partij in de zin van de artt. 51a e.v. van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) en heeft met bijstand van haar advocaat schadevergoeding van [geïntimeerde] gevorderd.

2.2 Bij het bestreden vonnis heeft de meervoudige strafkamer van de rechtbank [geïntimeerde] vrijgesproken van de primair tenlastegelegde verkrachtingen en het hem subsidiair tenlastegelegde mishandelen van [appellante] in de periode van 10 juli 1992 tot 1 maart 1995 bewezen verklaard. De rechtbank heeft [appellante]s vorderingen tot vergoeding van (a) immateriële schade en (b) kosten van rechtshulp gedeeltelijk (tot een bedrag van f 2.500,- respectievelijk f 110,-) toegewezen en het ter zake daarvan meer gevorderde afgewezen. Zij heeft [appellante] niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot vergoeding van (c) behandelingskosten/ psychiatrische hulp.

2.3 In dit appèl legt [appellante] de vorderingen a) tot en met c) opnieuw ter beoordeling voor. Zij vordert thans na vermeerdering van eis vergoeding van:

(a) immateriële schade tot een bedrag van f 35.000,- = € 17.355,-, te vermeerderen met wettelijke rente;

(b) kosten van rechtshulp tot een bedrag van f 2.023,09 = € 1.488,22;

(c) medische/psychologische behandelingskosten tot een bedrag van f 3.625,- = € 1.644,95, te vermeerderen met wettelijke rente.

3. De ontvankelijkheid van het hoger beroep.

a) ontvankelijkheid wat betreft de immateriële schade:

3.1 [geïntimeerde] erkent de door de rechtbank bewezenverklaarde mishandelingen (het aan haar haren trekken en/of tegen het hoofd en/of het lichaam slaan en/of schoppen en/of trappen) in de door de rechtbank aangenomen periode (10 oktober 1992 tot 1 maart 1995). Bij zijn antwoordakte van 15 oktober 2002 onder 3 bestrijdt hij echter dat hij zich aan ander onrechtmatig handelen jegens [appellante] heeft schuldig gemaakt.

Volgens [geïntimeerde] volgt uit de artt. 51a ev., 361 en 421 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) dat bij beoordeling van de vraag of hij onrechtmatig jegens [appellante] heeft gehandeld en bij bepaling van de omvang van de schade die zij zou hebben geleden, alleen acht mag worden geslagen op de bewezenverklaring: zowel de handelingen die plaatsvonden buiten de bewezenverklaarde periode (dus het gestelde handelen in de periode voor 10 oktober 1992) als andere dan de bewezenverklaarde gedragingen (in het bijzonder de verkrachtingen waarvan hij werd vrijgesproken), moeten volgens hem dus buiten beschouwing blijven.

De rechtbank had [appellante] dus niet-ontvankelijk had moeten verklaren in haar vordering onder a) voorzover die vordering betrekking had op niet bewezenverklaard handelen; volgens [geïntimeerde] ligt in de motivering van de rechtbank, te weten dat “de rechtstreekse schade ten gevolge van het tenlastgelegde onder 1 subsidiair in aanmerking voor vergoeding komt”, besloten dat de rechtbank dit ook - zonder zulks uit te spreken – heeft gedaan. Het bepaalde in art 421 lid 4 Sv staat om die reden aan de ontvankelijkheid van [appellante] in haar appel van het onder a) gevorderde in de weg, aldus nog steeds [geïntimeerde].

3.2 Het hof overweegt daarop als volgt.

Volgens art 361 lid 3 Sv dient de rechtbank, indien zij bepaalt dat de benadeelde partij geheel of ten dele niet-ontvankelijk is in haar vordering, tevens te bepalen dat de vordering slechts kan worden aangebracht in een procedure voor de burgerlijke rechter; aangenomen wordt dat de benadeelde partij daartoe een nieuwe procedure in eerste aanleg moet starten. Het is deze strekking van art 361 Sv die [geïntimeerde] op het oog heeft in het kader van zijn beroep op niet-ontvankelijkheid van [appellante].

3.3 Opmerking verdient allereerst, dat het in r.o. 3.1. cursief weergegeven citaat uit het strafvonnis, waar [geïntimeerde] betekenis aan wil toekennen, niet juist is weergegeven, zodat zijn betoog reeds daarom niet zonder meer opgaat. Voorts heeft te gelden dat het door [geïntimeerde] verdedigde standpunt, dat een beslissing tot afwijzing van (een deel van) de vordering van een benadeelde partij in voorkomende gevallen moet worden opgevat als een impliciete niet-ontvankelijkverklaring, zou meebrengen dat de appèl-rechter telkens – en wel voor elk onderdeel van een in appèl voorgelegde vordering - moet bezien of de rechter in eerste aanleg op goede gronden tot afwijzing van de vordering is overgegaan, of juist de niet-ontvankelijkheid had moeten uitspreken. De benadeelde partij zal bij die stand van zaken ook in onzekerheid kunnen verkeren over de wijze waarop een voor haar nadelige beslissing opnieuw in rechte moet worden voorgelegd. Deze onzekerheid strookt niet met de - bij invoering van de Wet Terwee beoogde en hierna nog nader te bespreken – verbetering van de positie van de benadeelde partij in het strafproces.

Het hof neemt dan ook, met verwerping van het verweer van [geïntimeerde], de uitspraak van de rechtbank tot afwijzing van “het meer gevorderde” tot uitgangspunt. Van die beslissing kon [appellante] overeenkomstig het bepaalde in artikel 421 lid 4 Sv in hoger beroep komen, zij kan in dit appèl worden ontvangen.

3.4 Afzonderlijke behandeling behoeft nog de vraag, of [appellante] ook kan worden ontvangen in haar vordering, voorzover zij die in hoger beroep heeft vermeerderd.

Bij zijn beslissing op dit punt stelt het hof voorop dat uit artikel 421 lid 3 Sv volgt dat de mogelijkheid om de aanvankelijk ingestelde vordering in hoger beroep te vermeerderen en/of nieuwe onderdelen daaraan toe te voegen is uitgesloten, als die vordering gevoegd wordt behandeld met het hoger beroep van de strafzaak. De strafrechter, oordelend in hoger beroep, zal de benadeelde partij in de vermeerderde vordering niet ontvankelijk moeten verklaren.

Art 421 lid 4 Sv luidt echter:

“Indien geen hoger beroep is ingesteld, kan de benadeelde partij tegen het deel van het vonnis waarbij haar vordering is afgewezen, tegen deze afwijzing in hoger beroep komen bij (…) het gerechtshof. De tweede afdeling van de Zesde Titel van Boek II is niet van toepassing. De bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering inzake het rechtsgeding in hoger beroep en cassatie zijn van overeenkomstige toepassing. (…)”

In de onderhavige appèlprocedure zijn dus niet de artikelen 332 t/m 335 Sv van toepassing, maar de bepalingen van boek I titel 7 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (“Van het regtsgeding in hooger beroep bij de arrondissementsregtbanken, de hoven en den hoogen raad" (sedert de wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) getiteld: Hoger Beroep). Van die titel maakte tot 1 januari 2002 artikel 347 lid 1 (oud) Rv deel uit, waarin is bepaald dat in hoger beroep zal worden geprocedeerd op de wijze als voor de eerste aanleg is voorgeschreven. Een verandering of vermeerdering van eis is dus toegelaten op de voet van art 134 oud Rv (en, naar huidig recht, van artikel 353 lid 1 jo 130 lid 1 Rv).

3.5 De aldus in de wet neergelegde regeling heeft tot gevolg dat de mogelijkheid van de benadeelde partij om in hoger beroep haar eis te vermeerderen afhankelijk is van de vraag, of de verdachte c.q. het Openbaar Ministerie al dan niet in de strafzaak hoger beroep hebben ingesteld. Dit verschil berust naar het oordeel van het hof op een keuze van de wetgever. Het hof onderbouwt dit oordeel als volgt.

3.6 De beperkingen die in artikel 421 lid 3 Sv (en overigens ook in artikel 361 lid 3 Sv) worden gesteld aan de vordering van de benadeelde partij zijn ingegeven door de wens van de wetgever om te voorkomen dat de civiele vordering de strafzaak zou “overvleugelen” (Kamerstukken II 1989-1990 21345, nr. 3, p.11). De behandeling van een civiele vordering in het strafgeding moest ondergeschikt blijven aan het eigenlijke strafgeding; de strafprocedure mocht niet teveel worden belast door de behandeling van de civiele vordering. Indien die vordering niet toewijsbaar was zonder nader onderzoek, diende de benadeelde niet-ontvankelijk te worden verklaard in die vordering om vertraging van de strafzaak te voorkomen.

3.7 Art 421 lid 4 Sv dankt zijn ontstaan aan een amendement. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met dit amendement werd beoogd te voorkomen dat (zoals voorheen het geval was) een benadeelde partij, wier vordering door de rechter in de eerste aanleg ongegrond was verklaard (het hof begrijpt: werd afgewezen), geen mogelijkheid meer had om dat oordeel van die rechter te laten toetsen. Het hof verwijst in dit verband naar het voorlopig verslag van de kamercommissie (TK 1991-1992, 21 345, nr. 4, pag. 9):

“(…) Een onderdeel dat alom kritiek heeft ondervonden is de keuze (…) om de benadeelde partij geen zelfstandig rechtsmiddel (…) tegen het op haar betrekking hebbende deel van het vonnis van de strafrechter te geven. (…) Had de benadeelde de vordering voor de burgerlijke rechter aanhangig gemaakt dan was deze mogelijkheid wel aanwezig geweest. Nu uit onder andere proceseconomisch oogpunt de vordering strafrechtelijk gevoegd aanhangig wordt gemaakt en aldus al een procedure wordt uitgespaard is het niet goed te verdedigen dat de benadeelde deze mogelijkheid wordt onthouden. Ook spoort het niet met de breed onderbouwde strekking van het wetsvoorstel om de positie van het slachtoffer in ons strafrechtelijk systeem te versterken. Indien de strafprocedure zich om principiële redenen zou verzetten tegen het zelfstandig instellen van hoger beroep, wat is er dan voor bezwaar om de vordering civielrechtelijk in hoger beroep verder uit te procederen? (…)”.

De minister van justitie zag in de voorgestelde beroepsmogelijkheid bezwaren. In de memorie van antwoord heeft de minister hierover onder meer geschreven (t.a.p. nr. 5 vanaf pag. 7 onderaan):

“Een (…) bezwaar tegen een eigen rechtsmiddel van de benadeelde partij is dat het de samenhang tussen de strafzaak en de civiele vordering doorbreekt. Vaak zal de strafrechter in zijn straftoemeting rekening houden met een eventuele toewijzing van de civiele vordering. Wordt in hoger beroep onafhankelijk van de beslissing in de strafzaak, over de civiele vordering een nieuwe beslissing genomen, dan wordt deze relatie doorbroken. Dit bezwaar doet zich ook voor als, zoals deze leden suggereren, de beslissing in hoger beroep door een civiele rechter wordt genomen.”

Nu het amendement is aanvaard, moet aangenomen worden dat de door de minister daartegen ingebrachte bezwaren onder ogen zijn gezien, maar niet doorslaggevend zijn geacht. Daarmee is aanvaard dat de samenhang tussen de civiele procedure en de strafzaak wordt prijsgegeven in geval van een appèl uit hoofde van art 421 lid 4 Sv.

3.8 Opgemerkt zij nog, dat de redenen voor de beperkingen die zijn gesteld aan de vordering van de benadeelde partij (kort weergegeven in r.o. 3.6) ontbreken in het appèl ex art 421 lid 4 Sv: het door de wetgever onwenselijk geachte “overvleugelen” van de strafzaak kan zich uit de aard der zaak niet voordoen indien behandeling van het hoger beroep van de civiele vordering geheel los van de strafzaak plaatsvindt, terwijl de strafprocedure ook niet wordt beïnvloed of vertraagd indien voor de beoordeling van de civiele vordering extra verrichtingen (bewijslevering bijvoorbeeld) zijn vereist.

3.9 Dat het belang van de benadeelde partij – in dit geval [appellante] – is gediend met het toelaten van een vermeerdering van eis, is evident: daarmee wordt voorkomen dat over de gestelde schade bij verschillende rechterlijke colleges moet worden geprocedeerd. Op dit onderdeel van haar vordering zou dit er toe leiden dat dit hof in appèl zou moeten vaststellen welk deel van de immateriële schade moet worden toegerekend aan de mishandelingen in de bewezenverklaarde periode, terwijl de rechter in eerste aanleg zou moeten bepalen welke (verdere) immateriële schade [appellante] heeft geleden door (alsnog in dat geding bewezen) feiten en of zij aanspraak kan maken op wettelijke rente, waaronder ook rente over de door het hof toegewezen schadebedragen.

Dat het bovenvermelde bezwaar zich niet zou hebben voorgedaan als [appellante] duidelijk had gemaakt welk deel van haar schade betrekking had op de verkrachtingen en welk deel op de mishandelingen, zoals [geïntimeerde] in zijn memorie van antwoord onder 12 betoogt, wordt door het hof verworpen.

Niet alleen is de door [geïntimeerde] verdedigde splitsing bij immateriële schade als deze moeilijk denkbaar, maar bovendien zou het probleem daarmee niet zijn ondervangen, nu de strafrechter het mishandelen van [appellante] slechts gedeeltelijk – in een bepaalde periode - bewezen heeft geacht. Dat [geïntimeerde] door de wijze van procederen van [appellante] in zijn verdediging is geschaad, wordt dan ook verworpen.

3.10 Al het voorgaande leidt het hof tot het oordeel dat [appellante] in haar vordering a) - ook voorzover zij deze heeft vermeerderd – ontvankelijk is in haar hoger beroep.

Nu het verzet van [geïntimeerde] tegen de vermeerdering van eis wordt verworpen, is die vermeerderde vordering ook inzet van het hoger beroep.

Ad b) ontvankelijkheid wat betreft de kosten van rechtsbijstand.

3.11 De vordering tot vergoeding van kosten van rechtsbijstand heeft [geïntimeerde] met dezelfde argumenten bestreden als de vordering onder a). Zijn betoog faalt dus ook op dezelfde gronden.

Ook wat dit onderdeel van de vordering betreft, zal het hof bij zijn beoordeling van de vermeerderde eis uitgaan.

Ad c) ontvankelijkheid wat betreft de kosten van medische/psychiatrische hulp.

3.12 [geïntimeerde] heeft er terecht op gewezen dat de rechtbank [appellante] expliciet niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar vordering tot vergoeding van deze kosten. De rechtbank heeft daarbij bepaald dat zij dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen; het bepaalde in artikel 421 lid 4 SV staat aan een hoger beroep van die beslissing in de weg.

3.13 [appellante] heeft echter bij nadere akte aangegeven deze vordering door middel van vermeerdering van eis in dit hoger beroep te willen voorleggen.

Zoals al in ro. 3.4. t/m 3.10 werd overwogen, kan [appellante] – nu zij ontvankelijk is in haar hoger beroep van de vorderingen onder a) en b) - in beginsel haar eis overeenkomstig het bepaalde in artikel 134 oud Rv vermeerderen.

Uit het betoog van [geïntimeerde] dat de regeling van de benadeelde partij wordt omzeild c.q. het bepaalde in artikel 361 lid 3 SV daardoor volstrekt overbodig en zinloos wordt, maakt het hof op, dat hij van mening is dat de vermeerdering van eis op dit punt – die er toe leidt dat dit onderdeel van de vordering alsnog aan de appèlrechter wordt voorgelegd - strijdig is met een goede procesorde.

3.14 Bij zijn beoordeling op dit punt verwijst het hof allereerst naar hetgeen onder 3.9 werd overwogen. Hoewel het hof onder ogen ziet dat de in die rechtsoverweging besproken bezwaren tegen afsplitsing van een deel van de vordering zich in veel mindere mate voordoen bij de hier gevorderde medische kosten, is het hof niettemin van oordeel dat het belang van [appellante] bij een geconcentreerde behandeling van haar vordering zo groot is, dat de vermeerdering van eis niet strijdig geacht moet worden met de goede procesorde. [geïntimeerde] stelt wel dat hij niet mag worden geschaad in zijn verdediging, maar licht niet toe dat zulks gebeurt indien de vermeerdering van eis wordt toegelaten. Zonder toelichting kan het hof niet inzien dat zijn belang bij een afzonderlijke behandeling van dit onderdeel opweegt tegen [appellante]s belangen bij een geconcentreerde behandeling.

De conclusie van het voorgaande is dat [appellante] ook op dit onderdeel in haar vordering ontvankelijk is.

4. Inhoudelijke beoordeling van de vordering.

4.1 Op de afzonderlijke onderdelen van de vordering van [appellante] oordeelt het hof voorts als volgt.

(ad. a): De immateriële schade

4.2 [appellante] stelt dat [geïntimeerde] haar gedurende acht jaar – te weten vanaf haar twintigste tot haar achtentwintigste lichamelijk en psychisch heeft mishandeld en haar heeft gedwongen tot (lees: het ondergaan van) seksuele handelingen.

Zij heeft door die feiten ernstige psychische schade opgelopen: zij lijdt aan een groot gebrek aan zelfvertrouwen, heeft problemen met het aangaan van stabiele relaties, kampt met onzekerheids-, paniek- en minderwaardigheidsgevoelens, heeft last van een verstoord zelfbeeld, faalangst, ernstige problemen met de seksualiteit en schuld- en schaamtegevoelens, is chronisch depressief (mvg § 9, § 12 en pag. 8) en heeft zich langdurig onder psychologische behandeling moeten stellen.

4.3 [geïntimeerde] erkent in de memorie van antwoord (§ 10) zijn aansprakelijkheid ter zake van het mishandelen van [appellante] in de periode van 10 juli 1992 tot 1 maart 1995, voor zover het betreft het meermalen aan haar haren trekken en/of tegen het hoofd en/of het lichaam slaan en/of stompen en/of trappen. [geïntimeerde] bestrijdt echter dat er sprake is geweest van andere mishandelingen en verkrachtingen.

Voorts bestrijdt hij dat [appellante] ook thans niet in staat is en stabiele relatie op te bouwen, angst heeft om zich aan eventuele partners te binden, op seksueel gebied geremd is en bij de minste vorm van kritiek terugvalt; hij bestrijdt ten slotte dat [appellante] ook na december 1999 nog psychologische behandeling heeft ondergaan.

4.4 Het hof stelt voorop dat de door de rechtbank uitgesproken bewezenverklaring in zoverre van belang is, dat van die feiten overeenkomstig het bepaalde in artikel 188 oud Rv (thans 161 Rv) het dwingend bewijs geleverd is. Nu de wet dit niet uitsluit is tegenbewijs op grond van het bepaalde in 178 oud Rv (thans 151 lid 2Rv) in beginsel mogelijk, maar [geïntimeerde] heeft deze feiten bij memorie van antwoord ook nog erkend. In zoverre staat het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] jegens [appellante] in dit hoger beroep dan ook vast.

4.5 Wat betreft de verkrachtingen en mishandelingen die volgens [appellante] hebben plaatsgevonden tussen 1987 en 10 mei 1992 draagt zij de bewijslast.

Anders dan [geïntimeerde] meent, staat de omstandigheid dat hij van deze feiten werd vrijgesproken niet aan verdere bewijslevering in dit hoger beroep in de weg. Ook hier geldt dat de procedure niet langer valt onder de werking van het Wetboek van Strafvordering, doch onder die van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

[appellante] heeft van haar stellingen bewijs aangeboden. Ook heeft zij verwezen naar het proces-verbaal in de strafzaak. In dat proces verbaal is het volgende te vinden:

I. In haar strafaangifte (productie 2 bij memorie van grieven, dossier-paragraaf 1.1. blz. 1 t/m 15) heeft [appellante] het volgende verklaard (na de geciteerde passage wordt telkens verwezen naar de pagina van het proces verbaal van aangifte waarin de passage staat):

(i) “In juni 1987 ben ik voor de eerste keer door [geïntimeerde] mishandeld.(…) Dit gebeurde op de slaapkamer (…) toen ik probeerde om naar onze woonkamer te gaan hield hij mij tegen. [geïntimeerde] duwde mij terug op bed en hij pakte een fles Fanta (…),(…) hij schudde de inhoud over mij heen. (…) [geïntimeerde](…) pakte mijn hoofdharen vast. Hij sleepte mij aan mijn haren door de kamer en sloeg mij met zijn tot vuist gebalde hand in mijn gezicht. Ik wilde weg, maar dat stond hij niet toe en als ik probeerde weg te lopen sleurde hij mij weer aan mijn haren terug.” (p. 2 midden);

(ii) “Op 11 april 1989 zijn wij (…) in ondertrouw gegaan. Wij zouden in augustus van dat jaar (…) trouwen. [geïntimeerde] wilde niet dat mijn ouders daar bij zouden zijn, maar dat durfde ik hen niet te vertellen. [geïntimeerde] wilde dat ik dat tegen mijn ouders zou zeggen en hij heeft mij voortdurend geprobeerd daartoe te dwingen. Begin juni 1989 ben ik voor die druk gezwicht. [geïntimeerde] belde mijn ouders. (…) Ik wilde (…) niet vertellen dat ze niet op onze trouwerij mochten komen (…). Diezelfde avond kwamen mijn ouders uit [woonplaats C] naar [woonplaats A].(…) Na dat telefoontje begon [geïntimeerde] op een verschrikkelijke manier ruzie met mij te maken. Hij schreeuwde (…) en hij begon mij weer te slaan. (…) Door de ramen van de woonkamer kon ik zien dat mijn ouders voor de deur stonden. (…) Uiteindelijk heb ik de voordeur op een kier geopend. [geïntimeerde] stond achter mij en dat maakte mij bang. Zo bang dat ik niet wilde dat mijn ouders mij goed konden zien, maar ook zo bang dat ik hen niet binnen wilde laten. [geïntimeerde] wilde maar dat ik tegen hen zou zeggen dat ze niet op de trouwerij mochten komen. (…) omdat ik bang was dat ik dan weer door hem geslagen zou gaan worden (…) heb [ik] toen maar gezegd dat wij dat niet wilden. (…) Mijn ouders waren sowieso al niet gelukkig met de hele situatie, maar die avond heeft hen heel veel verdriet gedaan. Mijn vader heeft mij daarna een brief gestuurd. (…) Die brief heb ik (…) bewaard. (…) (bijlage bij deze aangifte, opmerking verbalisant)” (p. 4/5/6)

(iii) “Tot 18 juni 1989 ging het redelijk (…). Op de avond van de 18e zaten [geïntimeerde] en ik (…) in de tuin. (…) Zo maar ineens kreeg ik een klomp van [geïntimeerde] tegen mijn gezicht. (…) Die klomp raakte mij zo hard dat ik boven mijn linkeroog een bloedende wond kreeg” (p. 6);

(iv) “Vanaf de zomer van 1992 ben ik diverse keren door [geïntimeerde] verkracht. (…) Ik had door vermoeidheid helemaal geen behoefte aan sex. [geïntimeerde] wel. En dus gebeurde het ook gewoon. Ik had daar niets tegen in te brengen. (…) Hij begreep niet dat ik niet met hem wilde (…) Dus dwong hij mij gewoon om met hem te vrijen. (…) Hij trok mijn benen uit elkaar als ik ze bij elkaar hield om sex met hem te voorkomen, maar niets hielp. Of hij trok aan mijn haren(…) dan greep hij mijn haar vast en trok dat naar achteren. (…) Het enige wat ik op zo’n moment wilde, was voorkomen dat ik weer door [geïntimeerde] in elkaar geslagen zou worden. Dus liet ik mij dan verkrachten. Dat was een “keuze”. Of geslagen worden, of verkracht.” (p. 8)

(v) “(…) op een keer stond hij ineens met een cola-fles naast het bed. Dat was op een avond in de winter van 1993/1994(…) [geïntimeerde] kwam boven op mij zitten (…). Ik verzette me, maar dat hielp niets. Op een gegeven moment had hij met een hand allebei mijn handen boven mijn hoofd vast. [geïntimeerde] is sterker dan ik (…) [geïntimeerde] scheurde mijn onderbroek met zijn (…) hand kapot. (…) [geïntimeerde] pakte de fles weer en de hals van die fles is een harde, ronde rand. Die schuurde hij omhoog langs mijn benen en door de pijn die dat veroorzaakte, deed ik mijn benen in een reflex uit elkaar. [geïntimeerde] stootte met de fles door en duwde de hals van die fles in mijn vagina. Dat deed ontzettend pijn (…)” (p. 9/10);

(vi) “Op [datum] 1994 werd mijn moeder 50 jaar. Ze gaf een groot feest op [datum] 1994 (…). Ik wilde daar naar toe, maar [geïntimeerde] wilde niet (…). Om te voorkomen dat ik toch zou gaan, maakte [geïntimeerde] ons schip los en ging midden op de IJssel voor anker liggen. Ik zat dus vast en kon geen kant op.” (p. 10);

(vii) “In de zomer van 1993 voeren [geïntimeerde] en ik (…) naar Texel. … in (…)(een) kwade bui die steeds meer in hevigheid toenam, begon [geïntimeerde] mij weer te mishandelen. Hij probeerde mij te wurgen door met zijn handen mijn nek vast te pakken en daarin te knijpen, hij sloeg mij en ik was bang dat hij mij zou vermoorden.” (p. 11);

(viii) “(…) in de nacht van 8 op 9 januari 1995 (…) kreeg ik weer klappen en werd ik opnieuw mishandeld.” (p. 12);

(ix) “In de nacht van 4 op 5 februari 1995 [het hof begrijpt: na de beëindiging van de samenwoning van partijen] werd ik wakker omdat iemand mij op mijn mond zoende. Ik schrok (…) en zag dat [geïntimeerde] naast mijn bed stond. (…) Ik kon niet weg omdat ik dan langs [geïntimeerde] moest en dat hij dat niet zou toestaan. Ik durfde niet te gillen, want ik was bang dat (…) ik mijn hulpgeroep niet zou overleven. (…) het was puur lijfsbehoud(…) Ik stemde in alle voorstellen van [geïntimeerde] toe …. Wij hadden die nacht zelfs sexueel kontakt (…). Ik wilde in niets laten blijken dat ik hem niet geloofde, want voor mijn gevoel was elk spoor van twijfel aan zijn bedoelingen gevaarlijk voor mij.” (p. 12/13);

(x) “In 1996 heeft [geïntimeerde] mij nog eens een keer zoiets geflikt. ik voer met [X.] op de “[...]” en we lagen in [plaats D]. … ik ging alleen [uit het café] naar het schip terug. … . Op het moment dat ik het vooronder binnenstapte zag ik [geïntimeerde] op het bovenste bed liggen” (p. 13).

(xi) “Ik kan denk ik nog wel een hele tijd doorvertellen over de ellende die ik met [geïntimeerde] heb meegemaakt. Feit is dat ik vaak door hem ben verkracht, mishandeld en van mijn vrijheid ben beroofd. Hij sloeg mij altijd (…) of hij stompte (…) mij op mijn neus. Die bloedde dan (…). Dat deed hij meestal in de auto, dan haalde hij ineens met zijn rechtervuist uit en raakte mij vol op mijn neus. Hij schopte mij ook vaak in mijn onderbuik, de streek van mijn baarmoeder.” (p. 14).

II. [geïntimeerde] heeft in het kader van het onderzoek naar de aangifte van [appellante] onder meer het volgende verklaard (na de tekst wordt telkens de dossier-paragraaf waarin de geciteerde passages staan vermeld):

(xii) “De reden dat mijn relaties met genoemde vrouwen [hof: waaronder [appellante]] eindigden lag vaak in de agressiesfeer. Over het algemeen kwam die agressie van mijn kant. (…) Vaak was een heel klein iets in staat om mij agressief te maken. Ik weet dat ik in dat soort buien de vrouwen waar ik op dat moment een relatie mee had mishandelde. (…) Ik kan me voorstellen dat die vrouwen, door mijn agressieve gedrag bang voor mij zijn of zijn geweest.(…) Zij hadden maar te accepteren wat ik zei” (op 8 juli 1998, dossier-paragraaf 1.18.)

(xiii) “Ik heb gisteren al gezegd dat ik buien heb waarin ik mij agressief naar mijn partner gedraag. Tijdens die buien is het verschillende keren voorgekomen dat de vrouw waar ik op dat moment een relatie mee had, door mij geslagen of geduwd werd. Als ik tegen hen aan duwde, vielen ze soms en dan deed het daardoor pijn.” (op 9 juli 1998, dossier-paragraaf 1.19).

(xiv) “Het klopt dat ik een keer door de politie in [woonplaats A] ben aangehouden omdat ik (…) [appellante] [appellante] met een klomp verwondingen toegebracht had. Dat gebeurde op een avond in de zomer(…). Op een gegeven moment maakte ik mij (…) kwaad. Ik maakte een schoppende beweging. (…) een van de klompen die ik droeg schoot van mijn voet en die raakte het voorhoofd van [appellante]. Een snee in haar voorhoofd was daar het gevolg van. (…) Begin 1995 vertrok zij [hof: [appellante]](…) voorgoed (…). Ik denk dat er in de nacht voorafgaande aan haar vertrek wel iets gebeurd is, maar ik weet dat niet meer. We zullen wel ruzie hebben gehad of zoiets. (…) In de tijd na haar vertrek, ben ik [appellante] blijven zoeken. (…) Toen ik in Friesland rondreed (...) kwam ik langs een bordje met de aanduiding "[plaats E]". Op dat moment had ik zo’n ingeving van “verdomd, ze kon ook wel eens bij [Y.] en [Z.] zitten.” Ik ben toen naar hun schip gereden. (…) Daar zag ik de auto van [appellante] (…). Ik (…) ben aan boord van het schip van [Y.] en [Z.] (…) geklommen. Ik(…) kwam zo bij de slaapkamer waar [appellante] sliep. Ik maakte [appellante] wakker(…). [appellante] schrok van mijn aanwezigheid. Ze zei dat het tussen ons echt niet meer ging (…).(Wij) hebben (…) die nacht 2 keer gemeenschap gehad. (…)

(xv) “Ik heb [appellante] (…) diverse keren geslagen. (…) Ik sloeg haar altijd om onduidelijke redenen. Als ik mijzelf niet meer onder controle had, uit onmacht of wat dan ook (…) .” (op 14 juli 1998, dossier-paragraaf 1.20).

De brieven die je mij nu laat zien ,(…) zijn inderdaad door mij geschreven (…) . Ik heb er heel wat aan [appellante] geschreven en ik ken dus de inhoud daarvan niet meer. Maar uit wat je me nu voorleest merk ik wel dat ik toen ik dat schreef inderdaad nogal een schuldgevoel had over wat ik [appellante] had aangedaan. Ik heb je dan ook al eerder verteld dat ik mij wel kon voorstellen dat [appellante] zich door mijn mishandelingen bedreigd heeft gevoeld. (…) Resumerend kan ik dus stellen dat ik de vrouwen waarover ik in mijn verklaringen heb gesproken best wel eens geslagen en mishandeld heb. Dat daardoor een sfeer van bedreiging voor hen ontstond, begrijp ik ook wel.(…)”. (op 15 september 1998, dossier-paragraaf 1.21).

III. In de bij het proces-verbaal van de politie gevoegde brieven, die [geïntimeerde] aan [appellante] heeft geschreven, staat onder meer:

(xvi) “[appellante]! (…) ik ga gewoon werken, dus je hebt best de gelegenheid om wat spullen e.d. te pakken. Dit kan je doen in veiligheid, die angst hoef je dus dan even niet te hebben.(…)

Ik laat verder aan jou over de beslissing die er gaat vallen òf met elkaar òf zonder. Ik beloof je ik ga in ieder geval weer onder behandeling van het RIAGG (…) ik wil voor je vechten (…)

P.S. wees niet bang Ik zal je nooit meer slaan anders dood ik mezelf” (brief van 19 juni 1989, dossier-paragraaf 1.2).

(xvii) “Na zo’n 24 uur na het gebeuren gaat het tot me doordringen wat voor een vreselijke lul ik ben. Ik ben je niet waard, je bent uniek en ik heb het niet het recht om je te slopen. Want dat heb ik dus gedaan, de afgelopen twee jaar. Het leven moet elke dag een hel voor je zijn geweest, met steeds de angst, wat gaat die me nu weer aan doen!. Ik ben helemaal niets waard en heb niet het recht om ook maar enige claim op je te leggen.” (brief van 20 juni 1989, dossierparagraaf 1.3)

(xviii) “Het leven is niet eerlijk voor ons. Niet voor jou omdat je beter verdient en dat al bijna negen jaar niet kreeg.(…) Je haat me en terecht, en ik verlang zo naar je, ook terecht. Geef me alsjeblieft nog een kans uit te leggen waarom ik zo ben en dan mag je gaan, je bent vrij en dat verscheurt mijn hart.(…) hoe kan ik jou dit (…) aan doen? Het geeft me achteraf het gevoel dat ik dood wil, ik ben alles kwijt (…) Het is een heel diep gat waarin je in komt te liggen als je partner weg is (…) Je mag altijd terugkomen. Ik wil dat heel graag, meer dan wat dan ook.(…). Een relatie met je – (…) welke andere dan vroeger dan ook – is het liefste wat ik wil. Hiermee wil ik (…) aangeven dat er vanaf nu geen drang of dwang meer op jouw lieve lijfje terecht komt. (…) Hou nog van me, (…) geef me hoop, geef me leven. (brief van 17 januari 1995 dossierparagraaf 1.8).

(xix) [appellante], ik moet jou (…) geen pijn doen (…) Als ik je sla en verneder doe ik mezelf verdriet. (ongedateerde brief dossierparagraaf 1.11).

IV. In een eveneens daarbij gevoegde brief van de vader van [appellante] aan zijn dochter, gedateerd 14 juni 1989 ( dossierparagraaf 1.12.) staat het volgende:

(xx) "Je weet wat mijn (en ons) beginsel is geweest bij alles wat er gebeurd is. (…) Ik heb je beslissingen gerespecteerd (…) Totdat we vorige week maandagavond opeens door toedoen van (…) [geïntimeerde] uit jouw mond moesten vernemen dat we niet welkom zijn bij jullie huwelijk en ook verder niet meer in de [adres] (hof: het adres waar [appellante] en [geïntimeerde] woonden) hoeven te verschijnen.”

V. In het proces verbaal van de strafzaak bevindt zich ook een verklaring die op 30 juni 1998 is afgelegd door [naam] (dossierparagraaf 1.15.). Daarin staat onder meer het volgende:

(xxi) "Ik heb samengewoond met [Y.] en in die periode voeren wij met een tweemast charter tjalk onder de naam "[...]" (…). Op 8 januari 1995 (…) (heeft) [Y.] [appellante] (…) gezegd dat als er wat zou zijn, zij altijd bij ons welkom was. (…) Eén of twee dagen later stond [appellante] 's morgens ineens voor onze neus. Wij lagen toen met ons schip in [plaats E] (…). [appellante] was helemaal overstuur. (…) [appellante] vertelde mij dat [geïntimeerde] haar in (…) de nacht voordat zij bij ons aankwam, overboord had willen gooien en haar keel had dichtgeknepen. (…)

[appellante] is uiteindelijk een maand of drie gebleven (…). [geïntimeerde] wist niet waar [appellante] was, maar zij was bang dat hij haar, zoals hij veel vaker had gedaan, op zou zoeken. (…)

Ongeveer een maand nadat [appellante] bij ons gekomen was, is [geïntimeerde] op een nacht bij ons aan boord geweest. Dat bleek de volgende morgen pas. (…) aan het ontbijt (…) zat [appellante] te huilen (…). [Y.] heeft [geïntimeerde] die morgen (…) gebeld. (…) Ongeveer 10 minuten later belde [geïntimeerde] terug. Hij kreeg mij aan de lijn (…). [geïntimeerde] vertelde mij tijdens dat telefoongesprek dat hij (…) dacht (…) dat [appellante] ook wel eens bij ons kon zijn. Hij was naar [plaats E] gereden en daar had hij de wagen van [appellante] (…) zien staan. [geïntimeerde] vertelde dat hij aan boord was geklommen (…) [appellante] was die morgen helemaal overstuur en ze huilde.”

4.6 Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen leidt het hof, behoudens tegenbewijs, af dat [geïntimeerde] [appellante] ook in de periode van 1987 tot 10 juli 1992 heeft mishandeld, niet alleen lichamelijk, maar ook psychisch. Het hof heeft bij dat laatste in het bijzonder het oog op de wijze waarop hij de band tussen [appellante] en haar ouders heeft trachten te doorbreken door [appellante] (op de in bewijsmiddelen (ii) en (xx) weergegeven en door [geïntimeerde] niet weersproken wijze) te dwingen haar ouders - onder meer bij het toentertijd tussen hem en [appellante] geplande huwelijk - buiten te sluiten.

Uit de bewijsmiddelen (xvi) t/m (xix) blijkt voorts dat [geïntimeerde], telkens als [appellante] de relatie wenste af te breken, zijn uiterste best deed om haar weer terug te halen, door haar brieven te sturen waarin hij op indringende wijze spijt betuigde en beterschap beloofde. Aangenomen mag worden dat daardoor de periode waarin de relatie – en de mishandelingen – voortduurde(n) is verlengd en de door [appellante] opgelopen schade vergroot.

4.7 Wat de gestelde verkrachtingen betreft is het hof van oordeel dat in de onder (ix), (xiv), (xv), (xviii) en (xxi) weergegeven bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien vooralsnog genoegzaam bewijs voorhanden is dat [geïntimeerde] [appellante] in de nacht van 4 op 5 februari 1995 heeft verkracht. Uit de verklaring van [appellante] (ix) en uit de brief van [geïntimeerde] van 17 januari 1995 (xviii) blijkt dat [geïntimeerde] begreep dat zijn relatie met [appellante] ten einde was. Uit de verklaring van [geïntimeerde] blijkt verder dat hij vervolgens naar [appellante] op zoek is gegaan, dat hij op een gegeven moment heeft ontdekt dat zij bij vrienden op de “[...]” zat en dat hij toen onuitgenodigd en zelfs onaangekondigd ’s nachts in die boot is ingeklommen en [appellante] in haar slaapkamer heeft verrast.

Uit de verklaringen van zowel [appellante] als [geïntimeerde] blijkt dat [appellante] schrok toen ze hem naast haar bed aantrof en dat ze hem heeft meegedeeld dat “het niet meer tussen hen ging”. Uit die verklaringen blijkt ten slotte dat [geïntimeerde] vervolgens gemeenschap met [appellante] heeft gehad.

4.8 Dat dit sexuele contact vrijwillig plaatsvond zoals [geïntimeerde] tegenvoer de politie heeft verklaard – of dat hij dat mocht menen – wordt door het hof verworpen.

Ook indien [appellante] na de zojuist geciteeerde mededeling geen verdere bezwaren heeft gemaakt of weerstand heeft geboden, moet [geïntimeerde] redelijkerwijs hebben begrepen dat de daarop gevolgde sexuele gemeenschap niet vrijwillig was. Bij dit oordeel neemt het hof niet alleen de zojuist omschreven gang van zaken in aanmerking, maar ook de omstandigheid dat [geïntimeerde] wist, althans had kunnen en moeten weten – waarbij verwezen wordt naar bewijsmiddel (xv) - dat [appellante] zich door de eerder voorgevallen mishandelingen bedreigd voelde en aan hem geen tegenwerking durfde bieden.

4.9 Het vooralsnog bewezen geachte handelen van [geïntimeerde] is onrechtmatig jegens [appellante]. Het hof neemt op grond van de inhoud van de - als productie 5 bij memorie van grieven overgelegde - brief van de psycholoog Mentzel-van Oostenbrugge van 14 mei 1999 ook aan dat [appellante] door dit handelen van [geïntimeerde] de in die brief genoemde gevolgen voor [appellante] heeft gehad.

Gelet op al het voorgaande is het hof van oordeel dat het door de rechtbank toegewezen bedrag aan immateriële schade te laag is. Het is van oordeel dat de schade die [appellante] heeft geleden door de tot dusverre – behoudens tegenbewijs – bewezen geachte handelingen van [geïntimeerde], gezien de verstrekkende gevolgen die dit voor [appellante] heeft gehad, moet worden bepaald op € 7.500,-.

4.10 Wat de overige verkrachtingen betreft is er naast de verklaring van [appellante] - tegenover de betwisting daarvan door [geïntimeerde] - vooralsnog onvoldoende bewijs voorhanden.

Het hof zal [appellante] desgewenst dan ook in de gelegenheid stellen tot het leveren van nader bewijs op dit punt.

[geïntimeerde] zal vervolgens in staat gesteld worden om – indien hij dit wenst - (tegen) bewijs te leveren, zowel tegen hetgeen het hof voorshands bewezen heeft geacht, als tegen eventueel door [appellante] te leveren nader bewijs.

(ad b): kosten van rechtshulp

4.11 Grief II richt zich tegen de beslissing van de rechtbank om de door [appellante] gevorderde vergoeding van de kosten van rechtsbijstand af te wijzen voor zover die het bedrag van de eigen bijdrage van f 110,- te boven gaan. [appellante] stelt zich op het standpunt dat de kosten van rechtsbijstand op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW volledig voor vergoeding in aanmerking komen.

[geïntimeerde] stelt daartegenover dat [appellante], afgezien van de eigen bijdrage, geen vermogensschade lijdt en dat de kosten waarvan zij vergoeding vordert niet als buitengerechtelijke kosten zijn aan te merken, maar als proceskosten. Hij is voorts van mening dat het overgrote deel van de uren gemaakt is ter voorbereiding van de zaak; deze uren zijn niet als buitengerechtelijke kosten aan te merken en komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking. Hij verwijst in dat verband voorts naar “Voorwerk II”.

4.12 Het hof stelt voorop dat op behandeling van de vordering van de benadeelde partij in het strafproces het bepaalde in artikel 592a SV en niet het bepaalde in de artikelen 56 en 57 oud Rv van toepassing is. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 592a SV – dat deel uitmaakte van de Wet Terwee – blijkt dat de rechter met de kosten van bijstand die de benadeelde partij heeft gemaakt volledig rekening dient te houden, voorzover die kosten niet onnodig zijn gemaakt (TK 1991-1992, 21 345, nr. 4, p. 27 en nr. 9, p. 8).

Voor de beoordeling van de kosten die [appellante] in de strafprocedure heeft gemaakt, kan Voorwerk II dus niet als uitgangspunt dienen.

[appellante] heeft bij memorie van grieven een urenstaat ingebracht met een verklaring van de daarop vermelde werkcodes van haar advocaat (productie 7 bij memorie van grieven). Daaruit blijkt dat de advocaat van [appellante] in de periode van 23 oktober 1998 tot en met 15 juli 1999 in totaal 3,1 uur aan de zaak heeft besteed. Het hof leidt uit de werkcodes en de vermelde data af dat de kosten zijn gemaakt in de strafzaak. Tot deze kosten rekent het hof ook de vergoeding voor de tijd die op 2 juli 1999 en op 15 juli 1999 door de raadsman van [appellante] is besteed aan bestudering van een ingekomen stuk en correspondentie met zijn client en met de wederpartij.

[appellante] gaat onweersproken uit van een uurtarief van f 325,-, te vermeerderen met 6% kantoorkosten en met 19% BTW, in totaal een bedrag van f 1.270,86. Er is niet gesteld of gebleken dat deze kosten geheel of ten dele onnodig zijn gemaakt.

Blijkens de urenspecificatie heeft de advocaat van [appellante] op 19 juli 1999 tijd besteed aan “ontwerp processtuk”. Aangenomen kan worden dat dit processtuk de dagvaarding in hoger beroep was. De daaraan verbonden kosten alsmede de na die dag gemaakte kosten vallen onder de kosten waarover het hof uit hoofde van het bepaalde in art 56 oud Rv beslist. [appellante] heeft namelijk niet toegelicht dat dit kosten zijn waarvoor het – op de procedure in appèl toepasselijke - artikel 57 oud Rv geen vergoeding pleegt in te sluiten.

4.13 Het bedrag van f 1.270,86 kan op [geïntimeerde] kan worden verhaald. Het hof gaat voorbij aan het verweer van [geïntimeerde] dat [appellante] geen hogere kosten van rechtsbijstand heeft dan de eigen bijdrage. Uit het overgelegde bewijs van toevoeging (productie 6 bij memorie van grieven) blijkt namelijk dat de toevoeging slechts voorwaardelijk is verleend en dat er onder de werking van de toevoeging geen vergoeding voor kosten van rechtshulp zal worden toegekend indien zal blijken dat deze kosten op een derde ([geïntimeerde]) kunnen worden verhaald. Dit verklaart ook dat advocaat geen rekening heeft verzonden aan [appellante] en dat [appellante] tot nu toe geen hoger bedrag aan kosten van rechtsbijstand heeft betaald dan de bij toevoeging vastgestelde eigen bijdrage, zodat het hof [geïntimeerde]’ verweer op dat punt verwerpt. Grief II slaagt in zoverre dat de vordering tot vergoeding van kosten van rechtsbijstand tot een bedrag van (f 1.270,86 -/- f 110,-) f 1.160,86/€ 526,78 zal worden toegewezen.

(c): kosten van medische behandeling/psychiatrische hulp.

4.14 [appellante] maakt aanspraak op vergoeding van behandelingen door een psycholoog die zij in 1999 heeft ondergaan. Zij stelt ter onderbouwing van die vordering, dat zij pas in 1998 aangifte durfde doen, dat zij daarna – onder meer in verband met de aanstaande behandeling van de strafzaak - volledig is ingestort en zich onder behandeling van een psycholoog heeft moeten stellen.

De vordering wordt door [geïntimeerde] in zoverre betwist, dat hij betoogt dat [appellante] niet heeft aangetoond dat zij ook ná 14 mei 1999 behandelingen heeft ondergaan.

4.15 In de reeds eerder genoemde brief van Mw. Mentzel-van Oostenbrugge (productie 5) schrijft die psycholoog dat [appellante] vanaf 26 januari 1999 door haar werd behandeld en dat zij verwachtte dat die behandeling nog langer zou duren. De eveneens bij memorie van grieven overgelegde nota’s (productie 8) betreffen consulten bij de genoemde psycholoog vanaf 26 januari 1999 tot en met 14 december 1999. Daarmee staan de tot aan die datum gegeven behandelingen vast. De nota’s (prod. 8 bij memorie van grieven) betreffen een totaalbedrag van f 2.125,-/ € 964,28. In zoverre is de vordering – als onvoldoende weersproken - toewijsbaar. [appellante], die bij akte van 17 september 2002 te kennen heeft gegeven dat zij op dat moment niet langer onder behandeling was, heeft echter tot nu toe tegenover de betwisting door [geïntimeerde] onvoldoende onderbouwd dat zij zich ook ná 14 december 1999 nog onder behandeling van hulpverleners heeft moeten stellen. Om haar in staat te stellen dit alsnog te doen en om [geïntimeerde] in staat te stellen daarop te reageren zal een comparitie van partijen worden gelast. Voorafgaand aan die comparitie dient [appellante] (kopieën van) nota’s waaruit die behandelingen blijken aan het hof en aan [geïntimeerde] te verstrekken.

4.16 Tegen de (vermeerderde) eis tot vergoeding van wettelijke rente is geen afzonderlijk verweer gevoerd. Deze rente wordt gevorderd telkens vanaf de datum waarop de verschillende bedragen door [appellante] verschuldigd werden. [appellante] heeft echter tot nu toe de verschillende bedragen en de bedoelde data niet gespecificeerd. Ook daartoe zal de comparitie van partijen worden benut. Voorafgaand aan die comparitie dient [appellante] een schriftelijke specificatie aan het hof en aan [geïntimeerde] te verstrekken.

BESLISSING

Het hof:

1) laat [appellante] toe tot het leveren van bewijs waaruit volgt dat zij afgezien van de verkrachting in de nacht van 4 op 5 februari 1995, in de periode van 1987 tot 1 maart 1995 nog een of meermalen is verkracht door [geïntimeerde];

2) laat [geïntimeerde] toe tot het leveren van tegenbewijs tegen het door het hof als vaststaand aangenomen door hem gepleegde mishandelingen van [appellante] in de periode van 1987 tot 19 juli 1992;

gelast daartoe een getuigenverhoor - te beginnen aan de zijde van [appellante] indien zij bewijs wenst te leveren - ten overstaan van mr. H.E. de Boer, die met het oog daarop tot raadsheer-commissaris wordt benoemd, te houden ter terechtzitting in het Paleis van Justitie, Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een door de raadsheer-commissaris te bepalen dag en uur;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 13 januari 2004 om de procureurs in staat te stellen opgave te doen van de verhinderingen van hun partijen en de advocaten en voor de procureur van [appellante] voor opgave voorts van de namen en de verhinderingen van de te horen getuigen;

gelast partijen – desgewenst deugdelijk vertegenwoordigd - ter gelegenheid van het eerste getuigenverhoor ter terechtzitting te verschijnen met het oog op hetgeen in rechtsoverweging 4.15 (slot) en 4.16 (slot) is overwogen;

stelt [appellante] in de gelegenheid om uiterlijk veertien dagen vóór de te houden comparitie van partijen bewijsstukken als bedoeld in rechtsoverweging 4.15 en een specificatie als bedoeld in rov. 4.16. te doen toekomen aan de griffier van dit hof (onder vermelding van het rolnummer en de comparitiedatum) en in afschrift aan de procureur van [geïntimeerde];

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. De Boer, De Brauw-Huydecoper en Bax-Stegenga, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 december 2003 in bijzijn van de griffier.

De zaak is inmiddels geroyeerd.