Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2003:AO6631

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-11-2003
Datum publicatie
08-08-2006
Zaaknummer
2003/701
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof neemt in beschouwing, tekortschieten bewindvoerder, indruk van de schuldenaar ter zitting, het niet noemen van wetsartikelen, het ambtshalve toepassen van beëindiging, het al dan niet van te voren waarschuwen door de rechter-commissaris en het te betalen griffierecht in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 november 2003

eerste civiele kamer

rekestnummer 2003/701

GERECHTSHOF TE ARNHEM

Arrest

in de zaak van:

H.

wonende te Amsterdam,

appellante,

procureur: mr. B.J. Schadd.

1 Het verloop van de schuldsaneringsregeling

1.1 Bij vonnis van de rechtbank te Zutphen van 23 oktober 2001 is ten aanzien van

appellante (hierna te noemen: H.) de definitieve toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken. Hierbij is tot rechter-commissaris benoemd mr. W.H. Westhuis en tot bewindvoerder J.A. Pitstra.

1.2 Bij vonnis van de rechtbank te Zutphen van 17 september 2003 is de

toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van H. op voordracht van de rechter-commissaris beëindigd. In het faillissement, waarin H. van rechtswege zal komen te verkeren met ingang van de datum dat dit vonnis in kracht van gewijsde zal zijn gegaan, is tot rechter-commissaris benoemd mr. W.H. Westhuis en tot curator J.W. Kleiboer.

1.3 Het hof verwijst naar Iaatstgenoemd vonnis, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij ter griffie van het hof op 25 september 2003 per gewone post ingekomen

verzoekschrift is H. in hoger beroep gekomen van het vonnis van 17 september 2003. Zij heeft het hof verzocht haar een termijn te gunnen om de gronden voor het beroep nader aan te vullen en voorts heeft zij verzocht het voormelde vonnis te vemietigen en de toepassing van de schuldsaneringsregeling onverkort van toepassing te verklaren, zulks onder ontslag van de huidige bewindvoerder met gelijktijdige benoeming van een bewindvoerder te Amsterdam.

2.2 Het hof heeft kennisgenomen van de bij het verzoekschrift behorende stukken, aismede van een brief d.d. 22 oktober 2003, met bijlagen, van M. van Marie, namens de huidige bewindvoerder J.W. Kleiboer.

Op 10 november 2003 is ter griffie van het hof per fax en op 11 november 2003 per koerier ontvangen een akte overlegging producties tevens inhoudende aanvullende gronden van de procureur d.d. 9 november 2003.

Op 11 november 2003 is vervolgens nog een akte overlegging producties d.d. 11 november 2003 van de procureur ter griffie van het hof ontvangen.

2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 november 2003,

waarbij H. is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. R.A. Korver, advocaat te Amsterdam. Mr. Korver heeft de zaak bepleit mede aan de hand van pleitnotities en heeft deze overgelegd. Als tolk voor H. is verschenen A. Voorts is verschenen namens de bewindvoerder haar kantoorgenoot M. van Marie.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 Het hoger beroep is tijdig ingesteld.

3.2 Op de schuldenaar rust de verplichting op grond van artikel 327 Faillissementswet (Fw) in verbinding met artikel 105 Fw om alle inlichtingen te verschaffen die door de bewindvoerder of de rechter-commissaris worden gevraagd. Daarbij kan, indien de schuldenaar zuiks in verband met de aard van de aan hem gestelde vragen en de door de bewindvoerder of rechter-commissaris aan hem verstrekte aanwijzingen wist of behoorde te weten, van hem worden verwacht dat hij ook bepaalde inlichtingen verschaft waarom niet uitdrukkelijk is gevraagd. Daarnaast bestaat ook een meer algemene verplichting tot het verschaffen van die inlichtingen waarvan de schuldenaar weet of behoort te begrijpen dat zij van belang zijn voor een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling. Het niet nakomen van deze verplichting kan aanleiding vormen tot de beëindiging van de schuldsaneringsregeling op grond van het bepaalde in artikel 350 lid 3, aanhef en onder c Fw. Als maatstaf dient hierbij te gelden of, in het licht van de overige omstandigheden van het geval, het niet verstrekken van de inlichtingen een duidelijke aanwijzing vormt dat bij de schuldenaar de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt.

3.3 In de onderhavige zaak is uit de processtukken en het verhoor ter terechtzitting bij het hof het volgende gebleken. Hagos zou per 1 december 2001 WIW gedetacheerd worden via de Stichting StartWerk. Zij had daarvoor de arbeidsovereenkomst reeds ondertekend. H. wilde uiteindelijk geen 36 uur per week werken en trok zich terug. Alternatieven om uiteindelijk tot een WIW-dienstverband to komen, maar wellicht op een ander moment, heeft ze alle afgewezen (brief Stichting StartWerk 20 november 2001). Sedertdien heeft zij geen inkomsten uit arbeid gehad. H. heeft, zoals zij ter zitting in hoger beroep heeft erkend, de bewindvoerder hierover niet geïnformeerd. Volgens de bewindvoerder ontdekte zij eerst in juli 2003 dat H. niet werkte.

Voorts is gebleken dat H. tot twee maal toe de bewindvoerder niet heeft geïnformeerd over haar verhuizing, eerst binnen Apeldoorn en vervolgens van Apeldoorn naar Amsterdam. Via andere instanties kwam de bewindvoerder er achter dat H. was verhuisd.

3.4 De achteraf gegeven verklaring van H. dat zij om medische redenen geen 36 uur kon werken acht het hof onvoldoende aannemelijk geworden, temeer nu in het rapportageformulier van de Dienst Samenleving Apeldoom wordt vermeld dat H. nimmer gedurende het inpassingstraject heeft aangegeven dat haar gezondheidsklachten dusdanig problematisch waren dat zij niet op full time basis zou kunnen werken. Ook indien er sprake was geweest van medische redenen waarom H. niet full time kon werken, had H. dit met de bewindvoerder moeten bespreken, hetgeen zij heeft nagelaten.

H. heeft nog aangevoerd dat in het kader van haar arbeidsmedische beoordeling is geconcludeerd dat, alvorens op verantwoorde wijze aan een traject richting arbeidsmarkt wordt begonnen, een psychodiagnostisch- en capaciteitenonderzoek zeker zeer zinvol en verstandig is. De rapportage dienaangaande heeft zij overgelegd. Het hof gaat hieraan voorbij, omdat het arbeidsmedisch onderzoek plaatsvond op 23 augustus 2002 en het rapport dateert van 30 augustus 2002, derhalve ver na 1 december 2001.

H. heeft in hoger beroep aangevoerd dat haar niet thans, twee jaar na dato, nog kan worden verweten dat zij het arbeidscontract heeft verbroken, zonder dat zij eerder hierover is aangesproken. De waarnemend bewindvoerder heeft ter zitting van het hof verklaard dat de bewindvoerder er niet van op de hoogte was dat H. het arbeidscontract had verbroken. Eerst in juli 2003 kwam zij daarvan op de hoogte, naar aanleiding van een brief d.d. 23 juli 2003 van de rechtbank aan de bewindvoerder waarin werd gevraagd hoe het mogelijk was dat H. een bijstandsuitkering ontvangt terwijl zij per 1 december 2001 zou gaan werken.

Hoewel het hof met H. van oordeel is dat niet aannemelijk is dat de bewindvoerder twee jaar lang (via de postblokkade) niet heeft kunnen bemerken dat H. bijstandsuitkering ontving en naar aanleiding daarvan bij H. had moeten informeren hoe die uitkering kon samengaan met haar inkomsten uit arbeid, neemt dit niet weg dat H. zelf is tekortgeschoten ten aanzien van de op haar rustende inlichtingenverplichting. Zij had niet zonder overleg met de bewindvoerder mogen afzien van de reeds getekende arbeidsovereenkomst, temeer nu zij blijkens het proces-verbaal van 23 oktober 2001 ten tijde van de toelatingszitting bij de rechtbank had verklaard dat ze een baan zou krijgen voor twee jaar via de gemeente Apeldoorn. Bovenal had zij de bewindvoerder moeten informeren dat zij wilde afzien van de baan.

Daarnaast had H. moeten openstaan voor alternatieven om uiteindelijk tot een WIW-dienstverband te komen, aithans in ieder geval haar redenen voor het afzien van alternatieven met de bewindvoerder moeten bespreken.

Voor zover door H. nog is aangevoerd dat de bewindvoerder haar niet elk halfjaar zou hebben aangeschreven met verzoeken om informatie gaat het hof daaraan voorbij. De bewindvoerder heeft, aan de hand van in het geding gebrachte kopieen, voldoende aannemelijk gemaakt dat dit wel is gebeurd.

3.5 Het hof is van oordeel dat H. de op haar rustende informatieverplichting onvoldoende is nagekomen. Daarnaast heeft zij niet voldaan aan de verplichting om zich actief in te zetten om inkomsten ten behoeve van de boedel te verwerven.

Hiermee is H. haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nagekomen. Dat de bewindvoerder zelf ook is tekortgeschoten door niet te rappelleren en niet (tijdig) te bemerken dat H. Niet werkte alsmede de

omstandigheid dat er weinig contact was met de verschillende bewindvoerders, geven aanleiding om daarmee rekening te houden bij de beoordeling van de verwijtbaarheid. Echter, gelet op de ernst van met name het niet melden van het opzeggen van het arbeidscontract is het hof van oordeel dat de schending van de informatieverplichting dermate ernstig is, dat daarin voldoende grond aanwezig is om de toepassing van de schuldsaneringsregeling te beëindigen.

3.6 Daar komt bij dat bij het hof onvoldoende de verwachting bestaat dat H. bij voortzetting van de schuldsaneringsregeling wel voldoende zal meewerken aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling. Het hof heeft zich hierbij mede gebaseerd op hetgeen is vermeld in de brief van Stichting StartWerk van 29 november 2001 en in het rapportageformulier van de Dienst Samenleving Apeldoom. Hierin wordt ondermeer vermeld dat H. niet op afspraken verschijnt en dat haar motivatie ontbreekt (in het kader van een sollicitatietraining), dat zij de voet dwars zet en niet vooraf overleg voert. In het rapportageformulier van de Dienst Samenleving Apeldoorn wordt ook vermeld dat er de afgelopen twee jaar zeer veel gesprekken met H. zijn gevoerd en dat is getracht haar duidelijk te maken dat haar opstelling ten opzichte van haar werk haar toekomst dwarsboomt. Gezien de opstelling van H. is het volgens de Dienst Samenleving Apeldoorn onmogelijk H. aan een werkgever aan te bieden.

Desgevraagd heeft H. ter terechtzitting van het hof verklaard dat zij thans wel begrijpt wat de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling inhouden. Naar het oordeel van het hof is dit, gelet op het voormelde, onvoldoende om anders te oordelen.

Het hof heeft twijfels of het H. duidelijk is dat zij de bewindvoerder moet informeren over alles wat van belang is voor een goed verloop van de schuldsaneringsregeling. Deze twijfel komt voort uit hetgeen hiervoor is vermeld, alsmede uit de indruk die het hof ter zitting heeft gekregen van H., terwijl daarnaast H. geen enkele indicatie heeft gegeven dat zij bij voortzetting van de schuldsaneringsregeling zich bewust is van de noodzaak en de omvang van de aan haar opgelegde verplichtingen en deze verplichtingen correct zal nakomen.

3.7 H. heeft een beroep gedaan op haar persoonlijke omstandigheden, waarvan de kern inhoudt dat zij een asielzoekster was die afgezien van een cursus Nederlands niet is begeleid met betrekking tot de sociale en culturele gebruiken in Nederland. Zo verkeerde H. in de veronderstelling dat het voldoende was om haar maatschappelijk werker te informeren over haar verhuizing.

Gelet op de omstandigheid dat H. reeds tien jaar in Nederland verblijft, acht het hof dit argument onvoldoende om als rechtvaardiging te kunnen dienen.

3.8 H. heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechter-commissaris zijn voordracht tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaaerinasipgeling_niet heeft gegrond op artikel 350 lid 3 sub c Fw, zodat deze grond niet eigenhandig door de rechtbank aan de beëindiging ten grondslag had mogen worden gelegd.

Nog afgezien van de omstandigheid dat de rechter-commissaris in zijn voordracht wel heeft vermeld dat H. de bewindvoerder niet heeft geïnformeerd over het verbreken van haar arbeidsovereenkomst met de Stichting StartWerk en haar afwijzing van alternatieven om tot een WIW-dienstverband te komen, waaruit volgt dat zij haar informatieverplichting niet naar behoren is nagekomen, overweegt het hof dat uit artikel 350, eerste lid, Fw, volgt dat de rechtbank ook ambtshalve de toepassing van de schuldsaneringsregeling kan beëindigen Dit verweer van H. wordt derhalve gepasseerd.

3.9 H. heeft ook aangevoerd dat zij niet op de hoogte was van het voomemen van de bewindvoerder om de rechter-commissaris te informeren omtrent beëindiging van de schuldsaneringsregeling en dat zij pas toen er sprake was van een zitting bij de rechtbank begreep dat dit aan de orde was. Volgens H. had zij eerst door de rechter-commissaris moeten worden gewaarschuwd en door de rechter-commissaris moeten worden gehoord; dit zou in andere arrondissementen wel gebeuren. De bewindvoerder heeft gemotiveerd weersproken dat in alle arrondissementen eerst gewaarschuwd wordt, waarop door H. niet meer is gereageerd.

Het hof is van oordeel dat er geen wettelijke verplichting bestaat inhoudende dat de rechter-commissaris of de bewindvoerder eerst de saniet moet waarschuwen alvorens een verzoek tot beëindiging in te dienen. Los daarvan rust op de saniet zelf de verplichting om spontaan aan de bewindvoerder te melden al hetgeen van belang kan zijn voor een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling.

3.10 Het verweer van H. dat in het bestreden vonnis geen melding is gemaakt van de wetsartikelen waarop de tussentijdse beëindiging is gebaseerd wordt terzijde gelaten, nu in het kader van de Faillissementswet geen verplichting bestaat het betreffende wetsartikel te vermelden. Daarnaast kan uit de inhoud van het bestreden vonnis de wettelijke grondslag waarop de beslissing is gebaseerd worden afgeleid.

3.11 De omstandigheid dat H. niet is gehoord door de rechtbank, is in hoger beroep gecorrigeerd, nu zij ter terechtzitting van het hof haar standpunt heeft kunnen toelichten. Haar stelling op dit punt kan derhalve worden gepasseerd.

3.12 Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling bij het hof heeft H. bij monde van haar procureur verweer gevoerd tegen (de hoogte van) het berekende griffierecht. Hierbij is een beroep gedaan op het geliikheidsbeginsel; volgens H. berekenen andere hoven geen griffierecht in.schuldsaneringszaken en biedt de Faillissementswet geen basis voor het vaststellen van griffierecht.

H. dient naar het oordeel van het hof in dit verzoek niet-ontvankelijk te worden verklaard. Gelet op artikel 25, eerste lid, Wet Tarieven Burgerlijke Zaken (WTBZ), kan tegen de beslissing van de griffier terzake bij verzoekschrift in verzet worden gekomen. H. dient derhalve een andere procedure te volgen indien zij het niet eens is met (de hoogte van) het in rekening gebrachte griffierecht.

Ten overvloede overweegt het hof dat in een andere zaak die bij dit hof heeft gediend waar in verzet was gekomen van het in hoger beroep in rekening gebrachte vastrecht inzake een hoger beroep van een tussentijdse beëindiging van een schuldsaneringsregeling, dit verzet ongegrond is verklaard. Kort gezegd overwoog het hof dat artikel 15, lid 1, WTBZ niet meebrengt dat evenals in eerste aanleg ook in hoger beroep geen griffierecht verschuldigd is, omdat in hoger beroep, anders dan in eerste aanleg, het verzoekschrift moet worden ingediend door een procureur. Het hof zag geen aanleiding of te wijken van de hoofdregel weergegeven in de tweede volzin van artikel 2, lid 1, WTBZ, inhoudende dat voor de indiening van een verzoekschrift anders dan bedoeld in artikel 14, derde lid, WTBZ of een verweerschrift, voor iedere instantie een vast recht wordt geheven. (zie Hof Amhem 1 november 2001, NJ 2002, 49)

3.13 Het hof betrekt in zijn oordeel niet de kwestie met betrekking tot de (vermeende) achterstand in de boedelafdracht. In hoger beroep is gebleken dat de bedoelde achterstand is gebaseerd op het inkomen dat H. zou hebben genoten als zij het dienstverband had voortgezet. Blijkens de stukken heeft H. wel de maandelijkse boedelbijdrage van € 29,16 voldaan.

3.14 Alles overziende is het hof van oordeel dat het hoger beroep faalt. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het verzoek desondanks zou moeten worden toegewezen is onvoldoende gebleken. De omstandigheid dat H. bij beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling in staat van faillissement zal komen te verkeren, is voor het hof geen reden om anders te oordelen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

verklaart H. niet-ontvankelijk in haar verzet tegen (de hoogte van) het in rekening gebrachte vastrecht;

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Zutphen van 17 september 2003.

Dit arrest is gewezen door mrs. Houtman, Groen en De Kroon en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 november 2003.