Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2003:AO5549

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
07-10-2003
Datum publicatie
08-08-2006
Zaaknummer
306/2003
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof wijst af verzoek nihilstelling kinderalimentatie, nu in het vrij te laten bedrag daar rekening mee is gehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

7 oktober 2003

Familiekamer

Rekestnummer 306/2003

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Beschikking

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te Tiel,

verzoekster, verder te noemen “de vrouw”,

procureur mr P.A.M. de Jong,

tegen

[verweerder],

wonende te Oud-Beijerland,

verweerder, verder te noemen “de man”,

procureur mr F.J. Boom.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank te Arnhem van 20 januari 2003, uitgesproken onder rekest/zaaknummer 89246 FA RK 02-11844.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 17 april 2003, is de vrouw in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De vrouw verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, die beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de man gedurende de schuldsaneringsregeling aan zijn verplichtingen met betrekking tot de onderhoudsplicht van de kinderen moet blijven voldoen, althans een zodanige regeling te treffen met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht, kosten rechtens.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 6 juni 2003, heeft de man het verzoek in hoger beroep van de vrouw bestreden. Hij verzoekt het hof om het verzoek in hoger beroep van de vrouw af te wijzen als zijnde ongegrond en de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van het hoger beroep, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.

2.3 De mondelinge behandeling heeft op 16 september 2003 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, de vrouw bijgestaan door mr A. Quispel, advocaat te Oud-Beijerland, en de man bijgestaan door mr C.N.M. Schep, eveneens advocaat te Oud-Beijerland.

2.4 Het hof heeft kennis genomen van de overige stukken, waaronder een brief van de bewindvoerder WSNP aan de man van 25 juni 2003 en van het derde verslag van deze bewindvoerder van 14 augustus 2003.

3 De vaststaande feiten

ten aanzien van partijen

3.1 Partijen zijn op 31 januari 1992 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van de rechtbank te Dordrecht van 22 november 2000 is echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 28 februari 2001 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2 Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

- Mandy, op 15 juli 1992 en

- Emmely, op 21 mei 1997,

over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen.

3.3 Bij voormelde echtscheidingsbeschikking is voorts bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van genoemde minderjarigen een bedrag van ƒ 175,-/€ 79,41 per kind per maand zal voldoen. Deze bijdrage bedroeg ingevolge de wettelijke indexering in 2002 € 85,81 per kind per maand.

3.4 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank te Arnhem op 17 juli 2002, heeft de man van deze bijdrage wijziging verzocht. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de bijdrage met ingang van 12 juli 2002, en voor zolang op de man de schuldsaneringsregeling van toepassing is, op nihil gesteld.

ten aanzien van de man

3.5 De man is alleenstaand. Het inkomen van de man bedraagt blijkens de salarisspecificatie van februari, maart en april 2003 € 1.883,34 bruto per maand,

te vermeerderen met onregelmatigheidstoeslag, overwerk en vakantietoeslag

De man is tegen ziektekosten verzekerd krachtens de Ziekenfondswet.

3.6 Bij vonnis van de rechtbank te Dordrecht van 13 februari 2002 is ten aanzien van de man de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken. De totale schuldenlast per 6 maart 2002 bedroeg € 23.144,97.

3.7 De lasten van de man bedroegen in 2002 per maand:

- € 349,79 aan huur;

- € 14,90 aan premie aanvullende ziekenfondsverzekering.

ten aanzien van de vrouw

3.8 De vrouw vormt met de kinderen van partijen een gezin.

4 De motivering van de beslissing

4.1 In de eerste plaats is aan de orde de vraag of zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van het eerste lid van artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek (verder: “BW”). Omdat gebleken is dat met ingang van 13 februari 2002 ten aanzien van de man de WSNP-regeling van toepassing is, is naar het oordeel van het hof in dit geval sprake van een relevante wijziging van omstandigheden in de zin van het eerste lid van artikel 1:401 BW die een hernieuwde beoordeling van de behoefte en de draagkracht rechtvaardigt.

4.2 De man betwist niet dat behoefte bestaat aan een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

4.3 De man stelt dat zijn draagkracht ontoereikend is om de vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te betalen. De man stelt dat, nu de WSNP-regeling op hem van toepassing is, hij geen draagkracht meer heeft om alimentatie te betalen. Handhaving van de alimentatieverplichting jegens hem houdt in dat hij minder aflossingscapaciteit heeft, waardoor hij mogelijk financieel klem komt te zitten, met als gevolg dat de rechtbank de schuldsaneringsregeling beëindigt en hij alsdan van rechtswege failliet zal zijn. Hij heeft er belang bij dat zo spoedig mogelijk de openstaande schulden worden voldaan. Het is ook in het belang van de kinderen dat hij in de gelegenheid wordt gesteld via schuldsanering schoon schip te maken. Na ommekomst van drie jaar zal de man volledig zijn inkomen tot zijn beschikking hebben, waaruit hij afhankelijk van zijn draagkracht alimentatie kan betalen. Hij betwist de stelling van de vrouw dat hij ten onrechte opgenomen zou zijn in de schuldsaneringsregeling. De vrouw heeft er baat bij dat hij nu meer aflost via de WSNP-regeling en dat kan alleen wanneer hij geen kinderalimentatie betaalt.

4.4 De vrouw stelt dat de alimentatieverplichting van de man ook bij de toepassing van de WSNP-regeling blijft bestaan. Bovendien is bij het vonnis van de rechtbank te Dordrecht waarbij de schuldsaneringsregeling ten aanzien van de man definitief van toepassing is verklaard, door de rechter-commissaris bij de berekening van het vrij te laten bedrag een bedrag van € 164,07 opgenomen ten behoeve van de door de man te betalen alimentatie. Daarnaast is zij van mening dat ten aanzien van de man ten onrechte de schuldsaneringsregeling van toepassing is omdat hij, gezien zijn inkomen en totale schuldenlast, in staat moet worden geacht om zijn schulden te betalen. Er dient ook rekening gehouden te worden met haar belangen en die van de kinderen.

4.5 Voor zover de vrouw in hoger beroep aan de orde stelt (zie appèlrekest onder 10-12) dat de man ten onrechte toepassing van de WSNP-regeling ten aanzien van hem heeft verzocht en het oordeel van de rechtbank bestrijdt dat de man niet ten onrechte is toegelaten tot die regeling, laat het hof die stellingen buiten bespreking. Het onderhavige hoger beroep is immers niet gericht tegen het vonnis van de rechtbank te Dordrecht van 13 februari 2002 – waarbij ten aanzien van de man de definitieve schuldsaneringsregeling is uitgesproken en welk vonnis inmiddels kracht van gewijsde heeft verkregen –, zodat het hof niet bevoegd is zich hieromtrent uit te laten.

4.6 Voorts overweegt het hof als volgt. Bij beschikking van de rechter-commissaris in de rechtbank te Dordrecht van 13 februari 2002 is de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vastgesteld op € 891,49. Bij die beschikking heeft de rechter-commissaris op grond van artikel 295 lid 3 van de Faillissementswet (verder: “Fw”) de beslagvrije voet verhoogd met een nominaal bedrag van € 187,66, bepaald dat van het totaalbedrag van € 1.079,15 maandelijks een bedrag van € 35,11 aan vakantiegeld wordt ingehouden, en bepaald dat van het inkomen van de man maandelijks aldus een vrij te laten bedrag van € 1.044,05 buiten de boedel blijft. Daarbij heeft de rechter-commissaris onder meer bepaald dat gelding heeft “het vrij te laten bedrag volgens de aangehechte berekening”, in welke berekening van dit vrij te laten bedrag een bedrag van € 164,07 is opgenomen ten behoeve van door de man te betalen alimentatie. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van de zaak voor dit hof is gebleken dat de bewindvoerder de rechter-commissaris een nieuw voorstel heeft gedaan met betrekking tot de berekening van het vrij te laten bedrag, waarin ervan is uitgegaan dat de man geen alimentatieverplichting meer jegens de vrouw heeft, maar is niet gebleken dat hierop al een reactie is gegeven en, zo ja, wat die reactie inhield.

4.7 Het voorgaande betekent allereerst dat, nu het door de rechter-commissaris voor alimentatieverplichtingen bestemde (niet geïndexeerde) bedrag van € 164,07 de beslagvrije voet overtreft en buiten de boedel blijft, de man ingevolge voornoemde beschikking – zolang deze van kracht is – in beginsel verplicht is dit bedrag maandelijks aan de vrouw te betalen, en wel met ingang van 13 februari 2002. De schulden die tijdens de looptijd van de schuldsaneringsregeling ontstaan vallen immers als hoofdregel buiten de werking daarvan en zal de schuldenaar zelf uit eigen middelen moeten voldoen, met het oog waarop de rechter-commissaris in het onderhavige geval boven het altijd vrij te laten gedeelte van de inkomsten van de man specifiek voor alimentatieverplichtingen een nominaal bedrag heeft vastgesteld (vgl. Memorie van Antwoord, Kamerstukken II, 22696, nr. 6, blz. 4).

4.8 De verplichting van de man om de vrouw maandelijks een bedrag van € 164,07 te betalen heeft ingevolge artikel 295 lid 3 Fw evenwel een looptijd tot het moment waarop het saneringsplan is vastgesteld, tenzij – en voor zover – de rechter-commissaris ook daarin eenzelfde nominaal bedrag met dezelfde bestemming heeft vastgesteld. Een vóór de vaststelling van het saneringsplan gegeven beschikking te dezer zake verliest immers haar kracht zodra de uitspraak houdende de vaststelling van het saneringsplan kracht van gewijsde heeft verkregen (artikel 343 lid 3 onder a en lid 4 Fw). Uit het bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van de zaak voor dit hof overgelegde (derde) verslag van de bewindvoerder van 14 augustus 2003 is het hof gebleken dat inmiddels een saneringsplan is vastgesteld. Dit plan zelf is evenwel niet overgelegd, zodat het hof opheldering wenst met betrekking tot de navolgende vragen:

- op welke datum is het saneringsplan vastgesteld?

- wanneer heeft de daarop betrekking hebbende uitspraak kracht van gewijsde verkregen?

- is in dit plan boven het altijd vrij te laten gedeelte van de inkomsten van de man specifiek voor alimentatieverplichtingen een nominaal bedrag vastgesteld en, zo ja, welk bedrag?

Te dien einde wil het hof inzage in dit plan en zal daarom dienovereenkomstig in het dictum van deze uitspraak bepalen.

4.9 Voor zover de vrouw betoogt dat de alimentatieplicht van de man na ingang van de schuldsaneringsregeling (dus na 13 februari 2002), zowel wat betreft de looptijd als de hoogte daarvan, verder zou kunnen strekken dan het door de rechter-commissaris bepaalde – tot de datum van vaststelling van het saneringsplan geldende – nominale bedrag van € 164,07, kan het hof de vrouw daarin niet volgen. De vrouw heeft immers geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit zou moeten worden afgeleid dat de draagkracht van de man in het onderhavige geval anders dan aan de hand van het buiten de boedel te laten bedrag zou moeten worden vastgesteld. Gelet op de hoogte van het hiervoor (onder 4.6) genoemde vrij te laten bedrag (€ 1.044,05) – waarvan te dezer zake dan een bedrag van € 164,07 moet worden afgetrokken – en de bij de bepaling van de draagkracht van de man te hanteren bijstandsnorm voor een alleenstaande, het daarbij behorende draagkrachtpercentage en de hiervoor (onder 3.7) vermelde lasten van de man, acht het hof de man vanaf 13 februari 2002 niet in staat enige andere bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van Mandy en Emmely te betalen dan een bedrag van € 164,07 over de periode vanaf die datum tot aan de datum van vaststelling van het schuldsaneringsplan, dit laatste tenzij – en voor zover – in dit plan boven het altijd vrij te laten gedeelte van de inkomsten van de man specifiek voor alimentatieverplichtingen een nominaal bedrag is vastgesteld.

4.10 Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

5 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

5.1 bepaalt dat de man binnen veertien dagen na heden, dus vóór 21 oktober 2003, het schuldsaneringsplan zal overleggen door toezending daarvan in fotokopie aan de wederpartij en aan het hof, waarna de vrouw gelegenheid wordt geboden om – zonodig – op de inhoud hiervan te reageren, en wel binnen een termijn van veertien dagen na ontvangst van dit plan;

5.2 houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van der Kwaak, Hooft Graafland en Wammes en is op 7 oktober 2003 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.