Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2003:AO4509

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
02-12-2003
Datum publicatie
27-02-2004
Zaaknummer
B392/03
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onder deze omstandigheden, waarbij het hof ook rekening houdt met het nieuwe huwelijk van de man als gevolg waarvan hij de zorg heeft (gehad) voor vier kinderen, het belang van de man dat hij na een termijn van ruim 16 jaar alimentatiebetaling van deze financiële last bevrijd wenst te worden en de man niet heeft gesteld dat hij onvoldoende draagkracht heeft om de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te kunnen voldoen, is het hof van oordeel dat beëindiging van de uitkering voor de vrouw met ingang van 1 september 2002 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet, maar met ingang van 1 januari 2004, alle bovenstaande factoren in aanmerking nemend, echter wel van de vrouw gevergd kan worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

2 december 2003

Familiekamer

Rekestnummer 392/2003

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Beschikking

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, verder te noemen “de man”,

procureur mr F.J. Boom,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster, verder te noemen “de vrouw”,

procureur mr F.J. Boom.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank te Zutphen van 25 februari 2003, uitgesproken onder zaaknummer 51047 FARK 02/2325.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 23 mei 2003, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De man verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat zijn alimentatieverplichting jegens de vrouw alsnog met terugwerkende kracht ingaande 1 september 2002, wordt beëindigd, althans een zodanige beslissing te nemen die het hof juist acht.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 7 juli 2003, heeft de vrouw het verzoek in hoger beroep van de man bestreden. De vrouw verzoekt het hof het verzoek in hoger beroep van de man af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, althans een zodanige beslissing te nemen die het hof juist acht.

2.3 De mondelinge behandeling heeft op 13 november 2003 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, de man bijgestaan door mr W.A.J.M. Staal, advocaat te Deventer, en de vrouw bijgestaan door mr F.A. Hendrikse-Voogt, advocaat te Zutphen.

2.4 Het hof heeft kennis genomen van de overige stukken, waaronder een brief van de procureur van de vrouw van 6 november 2003 met bijlagen.

3 De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 Partijen zijn op 1 juli 1978 met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk van partijen zijn geen kinderen geboren.

3.2 Uit een eerdere relatie van de vrouw is op 13 februari 1965 [M.] (verder te noemen “[M.]”) geboren. De man heeft [M.] erkend.

3.3 Uit een eerder huwelijk van de man is in 1970 [J.] en in 1973 [S.] geboren.

3.4 Bij vonnis van 21 april 1983 heeft de rechtbank te Zutphen echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Het echtscheidingsvonnis is op 25 juli 1983 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.5 Bij het echtscheidingsvonnis heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man aan haar te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud afgewezen op grond van gebrek aan draagkracht van de man.

3.6 De man heeft over de periode van december 1981 tot 13 februari 1986 (de datum waarop [M.] 21 jaar werd) met een bedrag van f 300,- per maand bijgedragen in de kosten van verzorging en opvoeding, respectievelijk levensonderhoud en studie van [M.].

3.7 Partijen zijn in onderling overleg overeengekomen dat de man met ingang van 13 februari 1986 (datum beëindiging bijdrage ten behoeve van [M.]) aan de vrouw als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud een bedrag van f 301,50 per maand zal betalen. Deze bijdrage bedraagt met ingang van 1 januari 2002 ingevolge de wettelijke indexering € 201,27 per maand en met ingang van 1 januari 2003 € 209,12 per maand.

3.8 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank te Zutphen op 21 november 2002, heeft de man verzocht zijn alimentatieverplichting jegens de vrouw op grond van artikel II tweede lid van het Overgangsrecht bij de Wet Limitering Alimentatie met ingang van 1 september 2002 te beëindigen, althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank juist acht.

3.9 Bij de bestreden -uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de onderhoudsplicht van de man jegens de vrouw met ingang van het moment waarop de vrouw de pensioengerechtigde leeftijd bereikt (13 januari 2007) wordt beëindigd, bepaald dat van die termijn verlenging mogelijk is en het meer of anders verzochte afgewezen.

Ten aanzien van de man

3.10 De man, geboren op 8 juni 1946, is gehuwd. Hij heeft met zijn echtgenote de zorg (gehad) voor vier kinderen, van wie de jongste nog studeert.

Ten aanzien van de vrouw

3.11 De vrouw, geboren op 13 januari 1942, is alleenstaand. Zij is gediplomeerd lerares Textiele Werkvormen. In 1977 is de vrouw begonnen met de opleiding LO Engels. Deze opleiding heeft zij nog voor het huwelijk van partijen beëindigd. In september 1982 is de vrouw voornoemde opleiding weer gaan volgen. In 1984 heeft zij haar 3e-graads bevoegdheid behaald en -na een vergeefse poging in 1986- in 1991 haar 2e graads bevoegdheid. De vrouw heeft van 12 oktober 1972 tot 1 augustus 1996 een ongewijzigde aanstelling gehad als lerares. Zij is werkzaam geweest gedurende 13 uren en 34 minuten per week, aanvankelijk als lerares textiele werkvormen (tot 1991) en vanaf 1991 (in verband met een fusie) als lerares Engels. In 1983 bedroeg haar salaris f 1.322,- bruto/f 1.135,12 netto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag en in juli 1996 f 2.175,66 bruto per maand, eveneens te vermeerderen met vakantietoeslag. In verband met volledige arbeidsongeschiktheid is het dienstverband van de vrouw bij de school per 1 augustus 1996 beëindigd. Aansluitend heeft de vrouw een WAO-uitkering ontvangen, die over de maanden september tot en met december 2002 € 896,09 bruto/€ 695,14 netto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag, bedroeg. Blijkens het inkomensoverzicht van UWV USZO van 22 juli 2003 bedroeg de WAO-uitkering van de vrouw in die maand € 920,09 bruto/€ 705,59 netto, te vermeerderen met vakantietoeslag. De vrouw is tegen ziektekosten verzekerd krachtens de Ziekenfondswet.

3.12 De vrouw heeft in november 1986 1/5 deel van de opbrengst van een mede tot haar eigendom behorende onroerende zaak ([adres]) verkregen; dat betrof een bedrag van f 24.752,40 na aftrek van kosten.

3.13 De lasten van de vrouw bedragen per maand:

- € 450,69 aan huur met ingang van 1 juli 2002;

- € 9,- aan premie aanvullende ziekenfondsverzekering;

- € 9,27 aan eigen bijdrage thuiszorg;

- € 58,99 aan aflossing van schulden;

- € 3,65 aan premie uitvaartverzekering.

4 De motivering van de beslissing

4.1 Het verzoek van de man is gebaseerd op de Overgangswet bij de Wet Limitering Alimentatie en strekt ertoe dat de door hem aan de vrouw te betalen alimentatie per 1 september 2002 wordt beëindigd, omdat de onderhoudsverplichting dan meer dan 15 jaar heeft geduurd.

De man ziet in dat beëindiging van de bijdrage voor de vrouw een inkomensdaling tot gevolg heeft, maar stelt dat de vrouw in aanmerking kan komen voor een toeslag op haar WAO-uitkering op grond van de Toeslagenwet van ongeveer € 57,- netto per maand. Voorts is de man van mening dat de vrouw in staat moet worden geacht haar bestedingen aan die daling aan te passen door te bezuinigen op de post abonnementen en op de -niet door haar toegelichte- post onvoorziene kosten.

De man acht de teruggang in inkomen van de vrouw als de alimentatie wordt beëindigd niet zo ingrijpend dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar gevergd kan worden gelet op alle omstandigheden. Daartoe voert hij het volgende aan.

Het huwelijk heeft slechts vijf jaar en 24 dagen geduurd. Uit het huwelijk van partijen zijn geen kinderen geboren. Partijen zijn feitelijk drie jaar en vijf maanden na de huwelijkssluiting uit elkaar gegaan. Ten tijde van de echtscheiding in 1983 was de vrouw 41 jaar oud en [M.] 18 jaar en 9 maanden en studerend. De vrouw had toen niet de zorg voor minderjarige kinderen. Het huwelijk van partijen was geenszins een traditioneel huwelijk. De vrouw is net zoals vóór het huwelijk 13,34 uur per week blijven werken. Het huwelijk van partijen heeft de verdiencapaciteit van de vrouw dan ook niet negatief beïnvloed. De vrouw heeft na 1986 -het jaar waarin zij zakte voor het examen LO Engels 2e graad- die opleiding ruim vijf jaar lang niet hervat.

Bovendien heeft de vrouw verzuimd om tijdig, dus binnen enkele jaren na de echtscheiding binnen het onderwijs, op andere scholen in of buiten [woonplaats], een baan te zoeken waarin zij meer kon werken dan zij deed en waarmee zij volledig in haar eigen levensonderhoud had kunnen voorzien, hetgeen in de gegeven omstandigheden, gelet op de in haar kring bestaande maatschappelijke opvattingen, van haar kon worden gevergd. Indien de vrouw wel tijdig, dus voordat zij in 1995 arbeidsongeschikt werd, actief had gesolliciteerd zou zij haar uren zeker hebben kunnen uitbreiden en bij beëindiging van de alimentatie, zowel werkend als vanuit de WAO, volledig in haar eigen levensonderhoud hebben kunnen voorzien. Niet aannemelijk is dat de vrouw geen gelden meer zou hebben uit de opbrengst na verkoop van de woning gelegen aan de [adres]. De vrouw heeft evenmin aangetoond dat zij een zogenoemd AOW-gat heeft, omdat zij gedurende haar eerste huwelijk zeven jaar in Engeland heeft gewoond. Evenmin heeft de vrouw gesteld noch aangetoond dat haar AOW-uitkering, aangevuld met ABP-pensioen, haar behoefte niet zou dekken.

4.2 De vrouw, die stelt dat zij onverkort behoefte heeft aan alimentatie van de man, verzoekt verlenging van de onderhoudsverplichting van de man tot 13 januari 2007 met de mogelijkheid van verlenging. Zij stelt dat beëindiging van de alimentatie op de verzochte datum -en ook per 13 januari 2007 (de datum waarop zij 65 jaar wordt)- van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd. De vrouw is van mening dat beëindiging van de onderhoudsbijdrage een aanzienlijke inkomensteruggang voor haar betekent, hetgeen zij ingrijpend acht. Daartoe voert zij aan dat zij gelet op de hoogte van haar huidige WAO-uitkering geen aanspraak kan maken op de Toeslagenwet en dat zij op grond van de Algemene bijstandswet slechts recht op een geringe aanvulling heeft. De vrouw betwist dat zij luxe uitgaven doet.

De concrete omstandigheden die de vrouw aanvoert zijn -naast de terugval in inkomen- de volgende.

Het huwelijk van partijen heeft ruim vijf jaar geduurd en daarvoor hebben partijen reeds een jaar samengewoond als waren zij gehuwd. Op 30 december 1981 zijn partijen uit elkaar gegaan. Tot het uiteengaan van partijen droeg de vrouw naast de zorg voor [M.] (tot 1988 thuiswonend) ook de zorg voor [J.] en [S.]. Zij heeft omdat zij naast haar parttime baan die dagelijkse zorg had geen tijd gehad om tijdens de periode van samenleven met de man te studeren. Het huwelijk heeft haar verdiencapaciteit geenszins positief beïnvloed. Zij heeft wél geprobeerd financieel onafhankelijk te worden, hetgeen door een aantal niet aan haar te verwijten omstandigheden niet is gelukt.

In 1982 heeft zij een ingrijpende operatie ondergaan. Hoewel zij zeer pijnlijke arm-klachten had heeft zij, zonder ziekteverzuim, in 1984/1985 doorgewerkt en gestudeerd.

In 1985 en in 1987 heeft zij zich moeten nascholen, omdat het vak textiele werkvormen verdween en werd vervangen door handvaardigheid en techniek. Zij behaalde toen weliswaar certificaten, maar verkreeg daarmee geen officiële lesbevoegdheid. Wel mocht zij tot 1991 handvaardigheid en techniek blijven geven. Vanaf 1991 is zij Engelse les gaan geven op twee verschillende locaties. In februari 1992 is zij ziek geworden en in september 1994 begonnen met reïntegratie. Vervolgens is zij door twee ongevallen, in januari 1995 en in februari 1995, arbeidsongeschikt geraakt.

Van de opbrengst van de woning aan de [adres] is niets meer over. Zij biedt uitdrukkelijk aan te bewijzen dat zij een AOW-gat heeft. De AOW-uitkering tesamen met het ABP-pensioen dekt haar behoefte niet, omdat zij te weinig uren heeft gewerkt.

4.3 Het hof overweegt omtrent het verzoek van de man als volgt.

Ingevolge artikel II lid 2 van de Wet van 28 april 1994, Stb. 324, zoals gewijzigd bij wet van 28 april 1994, Stb. 325, dat te dezen toepasselijk is, beëindigt de rechter op verzoek van degene, die op grond van een vóór de inwerkingtreding van deze wet gewezen rechterlijke uitspraak verplicht is een uitkering tot levensonderhoud te verstrekken, die verplichting, indien deze op of na dat tijdstip vijftien of meer jaren heeft geduurd, tenzij hij van oordeel is dat beëindiging van de uitkering van zo ingrijpende aard is, dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van degene die tot de uitkering gerechtigd is kan worden gevergd. In dat geval stelt de rechter op verzoek van de tot uitkering gerechtigde alsnog een termijn vast, terwijl bij de beoordeling van een en ander in elk geval met een aantal in deze bepaling genoemde factoren rekening moet worden gehouden.

4.4 Allereerst beoordeelt het hof of beëindiging van de alimentatie voor de vrouw ingrijpend is. Voor het antwoord op deze vraag moet de situatie voor de datum van de beoogde beëindiging worden vergeleken met die waarin de vrouw als gevolg van de beëindiging zal komen te verkeren. Beëindiging van de alimentatieverplichting van de man met ingang van 1 september 2002 betekent voor de vrouw dat haar inkomen met een bedrag van € 139,77 netto per maand zal verminderen. Ervan uitgaande dat de vrouw in dit geval in aanmerking komt voor een toeslag op grond van de Algemene bijstandswet van € 50,10 netto per maand, bedraagt de uiteindelijke inkomensterugval voor haar € 89,67 netto per maand, dat is 10,3%. Een dergelijke terugval acht het hof voor de vrouw ingrijpend.

4.5 Voor het antwoord op de vraag of beëindiging zo ingrijpend is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd, neemt het hof in aanmerking de leeftijd van de vrouw (thans 61 jaar), de relatief korte duur van het huwelijk en de omstandigheid dat dit huwelijk geen negatieve invloed heeft gehad op de verdiencapaciteit van de vrouw. Ten aanzien van dit laatste overweegt het hof als volgt.

Voordat de vrouw met de man in het huwelijk trad was zij financieel onafhankelijk. Zij werkte voor, tijdens en na het huwelijk als lerares gedurende 13,34 uur per week. Het huwelijk heeft daar geen verandering in gebracht. Tegenover de stelling van de man dat de vrouw ten tijde van de echtscheiding meer uren had kunnen gaan werken en dat dit in de gegeven omstandigheden van haar verlangd had mogen worden heeft de vrouw aangevoerd dat haar inspanningen van toen erop gericht waren haar baan van 13,34 uur per week te behouden en dat zij, afgezien van één sollicitatie, niets heeft gedaan om haar werk uit te breiden. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw, die ten tijde van de echtscheiding 41 jaar oud was, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij niet reeds vanaf dat moment, of kort daarna, haar werkweek had kunnen uitbreiden. Voorts is het hof van oordeel dat dit van de vrouw in de gegeven omstandigheden gelet op de in haar kring bestaande maatschappelijke opvattingen gevergd kon worden. Indien de vrouw haar werkkring had uitgebreid zou zij geheel in haar behoefte hebben kunnen voorzien, ook in de situatie dat zij ziek is geworden en aangewezen raakte op een WAO-uitkering. De stelling van de vrouw dat zij ten tijde van de echtscheiding de zorg voor de (thuiswonende) [M.] droeg, hetgeen een belemmerende factor was om haar werkzaamheden uit te breiden, acht het hof gelet op de leeftijd van [M.] op dat moment (18 jaar) niet aannemelijk.

Onder deze omstandigheden, waarbij het hof ook rekening houdt met het nieuwe huwelijk van de man als gevolg waarvan hij de zorg heeft (gehad) voor vier kinderen, het belang van de man dat hij na een termijn van ruim 16 jaar alimentatiebetaling van deze financiële last bevrijd wenst te worden en de man niet heeft gesteld dat hij onvoldoende draagkracht heeft om de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te kunnen voldoen, is het hof van oordeel dat beëindiging van de uitkering voor de vrouw met ingang van 1 september 2002 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet, maar met ingang van 1 januari 2004, alle bovenstaande factoren in aanmerking nemend, echter wel van de vrouw gevergd kan worden.

Voor een mogelijkheid tot verdere verlenging van de te geven termijn ziet het hof gelet op alle omstandigheden geen aanleiding. Aan dit oordeel doet niet af het feit dat de man [M.] heeft erkend en ook niet de stelling van de vrouw dat zij geen aanspraak kan maken op een deel van het pensioen van de man, nu de vrouw immers zelf ruimschoots pensioenrechten heeft opgebouwd.

4.6 Gelet op het voorgaande dient het hof het verzoek van de man tot beëindiging van de uitkering aan de vrouw met ingang van 1 september 2002 af te wijzen en dient de termijn gedurende welke de man verplicht is tot betaling van de geldende alimentatie aan de vrouw te worden verlengd tot 1 januari 2004. Tevens zal het hof bepalen dat deze termijn niet verlengd kan worden.

5 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te vernietigen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank te Zutphen van 25 februari 2003, en opnieuw beschikkende:

stelt de termijn gedurende welke de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw voortduurt vast tot 1 januari 2004 en bepaalt dat deze termijn na ommekomst niet verlengd kan worden;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs Van Ginhoven, Hooft Graafland en Mens en is op 2 december 2003 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.