Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2003:AO4320

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
02-12-2003
Datum publicatie
27-02-2004
Zaaknummer
B613/03
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De vrouw acht beëindiging van de uitkering in haar levensonderhoud met ingang van 29 januari 2003 zo ingrijpend dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd en verzoekt om verlenging van de onderhoudsplicht van de man gedurende een termijn van ruim 13,5 jaar tot 16 september 2016, dat is de datum waarop zij 65 jaar zal worden, met de mogelijkheid om die termijn te verlengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

2 december 2003

Familiekamer

Rekestnummer 613/2003

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Beschikking

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster, verder te noemen “de vrouw”,

procureur mr J.C.N.B. Kaal,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder, verder te noemen “de man”,

procureur mr J.M.J. Huver.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank te Zwolle van 27 mei 2003, uitgesproken onder zaaknummer 82139 FA RK 02-3610.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 13 augustus 2003, is de vrouw in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De vrouw verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:

- een termijn voor verlenging als bedoeld in artikel 1:157 lid 5 van het Burgerlijk Wet boek (verder te noemen “BW”) vast te stellen, in dier voege dat deze voortduurt tot het moment dat zij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, dan wel een zodanige termijn vast te stellen die (het hof leest:) het hof redelijk en billijk acht;

- te bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud een bedrag van € 500,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

- de man te veroordelen in de kosten van deze procedure.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 25 september 2003, heeft de man het verzoek in hoger beroep van de vrouw bestreden. De man verzoekt het hof

- primair: de bestreden beschikking te bekrachtigen;

- subsidiair: in het geval het hof het verzoek van de vrouw tot verlenging van zijn alimentatieplicht toewijst en van oordeel is dat de vrouw gedurende de gestelde termijn behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, de verschuldigde alimentatie vast te stellen op het verschil tussen de voor de vrouw geldende bijstandsnorm, te verminderen met haar netto arbeidsongeschiktheidsuitkering, derhalve maximaal op een bedrag van € 48,- per maand, in welk geval hij het hof aanvullend verzoekt een termijn te stellen waarop de alimentatieplicht (definitief en zonder de mogelijkheid van verlenging) zal eindigen;

- meer subsidiair: te bepalen dat hij niet in staat is de verzochte bijdrage van € 500,- per maand te voldoen en die bijdrage vast te stellen op een door het hof juist te achten bedrag, echter niet hoger dan € 389,- per maand en in dat geval een termijn stellen waarop de alimentatieverplichting zal eindigen, te bepalen dat na ommekomst van deze termijn deze niet meer kan worden verlengd, dat zijn alimentatieverplichting zal worden afgebouwd en dat de wettelijke indexering gedurende die termijn

buiten toepassing zal blijven,

een en ander met veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure in beide instanties.

2.3 De mondelinge behandeling heeft op 13 november 2003 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, de vrouw bijgestaan door mr M. Mook, advocaat te Hoogeveen, en de man bijgestaan door mr C.H.J. van der Maas, advocaat te Adorp.

2.4 Het hof heeft kennis genomen van de overige stukken, waaronder een brief van de procureur van de vrouw van 30 oktober 2003 met bijlagen.

3 De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 Partijen zijn op 23 oktober 1970 met elkaar gehuwd. Bij vonnis van 29 januari 1991 heeft de rechtbank te Assen echtscheiding tussen hen uitgesproken, welk vonnis op dezelfde dag is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2 Uit het huwelijk van partijen zijn drie -thans meerderjarige- kinderen geboren, te weten [A.], op 6 mei 1970, [M.], op 15 april 1973 en [L.], op 23 november 1979.

3.3 Bij beschikking van 23 september 1991 heeft de rechtbank te Assen bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [M.] een bedrag van f 154,- per maand zal betalen en als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [L.] een bedrag van f 650,- per maand.

3.4 Van de onder 3.3 genoemde beschikking hebben zowel de man als de vrouw wijziging verzocht. Daarbij heeft de vrouw tevens vaststelling van een bijdrage in de kosten van haar kosten van levensonderhoud verzocht. Bij beschikking van 19 juli 1994 heeft de rechtbank te Assen haar beschikking van 23 september 1991 gewijzigd en de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [M.] met ingang van 29 januari 1994 op nihil vastgesteld, de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [L.] met ingang van 29 januari 1994 op een bedrag van f 300,- per maand en de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 29 januari 1994 op een bedrag van f 600,- per maand.

De bijdrage ten behoeve van de vrouw bedraagt ingevolge de wettelijke indexering per 1 januari 2003 € 346,53 per maand.

3.5 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank te Zwolle op 18 december 2002, heeft de man verzocht de door hem aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van 1 januari 2003 op nihil vast te stellen. Bij zelfstandig tegenverzoek van 11 februari 2003 heeft de vrouw de rechtbank verzocht om een termijn voor verlenging als bedoeld in artikel 1:157 lid 5 BW vast te stellen, in dier voege dat deze voortduurt tot het moment dat zij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, dan wel tot een zodanige door de rechtbank juist te achten termijn en voorts de door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud te verhogen tot een bedrag van € 500,- per maand.

3.6 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank zowel het verzoek van de man als de verzoeken van de vrouw afgewezen.

Ten aanzien van de man

3.7 De man, thans 56 jaar, is gehuwd met [W.] (verder te noemen “[W.]”), geboren op 16 september 1961. [W.] voorziet in eigen levensonderhoud. De man ontvangt een WAO-uitkering, die blijkens de specificaties over de maanden januari 2003 en juli 2003 in die maanden respectievelijk € 1.776,11 bruto/€ 1.223,02 netto en € 1.798,29 bruto/€ 1.223,44 netto bedroeg, alle bedragen te vermeerderen met vakantietoeslag. Daarnaast ontvangt de man een pensioenuitkering van Avéro van € 243,36 bruto/€ 162,28 netto per maand. Deze uitkering eindigt in 2004. De man is tegen ziektekosten verzekerd krachtens de Ziekenfondswet.

Ten aanzien van de vrouw

3.8 De vrouw, geboren op 16 september 1951, is alleenstaand. Zij heeft na het behalen van het diploma van de huishoudschool enige tijd als produktiemedewerkster gewerkt. Tijdens het huwelijk zorgde de man voor het inkomen en droeg de vrouw de zorg voor de kinderen en de huishouding. Sinds 1991 verrichtte de vrouw weer betaalde arbeid in de vorm van schoonmaakwerk gedurende twee uur per dag, vijf dagen per week. Op 2 januari 1995 is de vrouw ziek geworden. Zij ontvangt sedert 1 januari 1996 een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Blijkens de specificatie over de maand april 2003 bedraagt haar WAO-uitkering € 948,95 bruto (inclusief bruto aanvulling van € 158,34)/€ 747,99 netto, te vermeerderen met vakantietoeslag. De vrouw is tegen ziektekosten verzekerd krachtens de Ziekenfondswet.

3.9 De lasten van de vrouw bedragen per maand:

- € 339,94 aan huur vanaf 1 juli 2002;

- € 10,32 aan premie uitvaartverzekering.

4 De motivering van de beslissing

4.1 Ingevolge artikel 1:157 lid 4 BW is de onderhavige alimentatieplicht nu deze voor het eerst is vastgesteld na 1 juli 1994 en de rechter geen termijn heeft vastgesteld, van rechtswege twaalf jaar na de inschrijving van het echtscheidingsvonnis, dus op 29 januari 2003, geëindigd.

4.2 Artikel 1:157 lid 5 BW bepaalt dat indien de beëindiging van de uitkering ten gevolge van het verstrijken van de in het vierde lid bedoelde termijn van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van die termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van degene die tot de uitkering gerechtigd is niet kan worden gevergd, de rechter op diens verzoek, dat moet worden ingediend binnen drie maanden na de beëindiging, dus vóór 29 april 2003, alsnog een termijn kan vaststellen.

De rechtbank heeft onbestreden vastgesteld dat het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een termijn tijdig bij de rechtbank is ingediend.

4.3 De vrouw acht beëindiging van de uitkering in haar levensonderhoud met ingang van 29 januari 2003 zo ingrijpend dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd en verzoekt om verlenging van de onderhoudsplicht van de man gedurende een termijn van ruim 13,5 jaar tot 16 september 2016, dat is de datum waarop zij 65 jaar zal worden, met de mogelijkheid om die termijn te verlengen. De concrete omstandigheden die de vrouw aanvoert zijn -naast de terugval in inkomen- de volgende.

Ten tijde van de echtscheiding was zij 39 jaar oud. Tijdens het huwelijk was sprake van een traditioneel rollenpatroon, waarbij zij de zorg droeg voor de kinderen van partijen, van wie de jongste ten tijde van de echtscheiding elf jaar oud was. De man stond het haar -met uitzondering van het laatste jaar van hun huwelijk- niet toe buitenshuis te werken. Zij is lang uit het arbeidsproces geweest en beschikt over een gebrekkige werkervaring. De geringe vraag naar arbeidskrachten stond na de echtscheiding aan uitbreiding van arbeid in de weg. Haar arbeidsongeschiktheid vloeit (mede) voort uit de psychische problemen als gevolg van de echtscheiding. Gelet op de duur van haar arbeidsongeschiktheid en de aard van haar klachten acht de Arbo-arts de kans dat zij nog voor het bereiken van haar pensioengerechtigde leeftijd in het arbeidsproces zal terugkeren nagenoeg nihil. Zij maakt geen aanspraak op een deel van het pensioen van de man.

4.4 De man is van mening dat de vrouw de inkomensterugval geheel aan zichzelf te wijten heeft en dat daaraan gegeven de eisen van redelijkheid en billijkheid moet worden voorbijgegaan. De man betwist dat hij de vrouw ervan weerhouden heeft bui-tenshuis te werken. Volgens de man heeft de vrouw daar zelf voor gekozen.

De man voert verder aan dat er in de achterliggende jaren van hoogconjunctuur voldoende kansen voor de vrouw zijn geweest om na de echtscheiding (meer) inkomsten te verwerven en dat zij die onvoldoende heeft benut. Hij zet vraagtekens achter de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid van de vrouw en sluit niet uit dat de vrouw thans in staat moet worden geacht bepaalde werkzaamheden te verrichten.

4.5 Het hof zal allereerst beoordelen of beëindiging van de alimentatie voor de vrouw ingrijpend is. Voor de beoordeling van deze vraag vergelijkt het hof de situatie voor de datum van de beoogde beëindiging met die waarin de vrouw als gevolg van de beëindiging zal komen te verkeren. Beëindiging van de alimentatie-verplichting van de man met ingang van 29 januari 2003 betekent voor de vrouw dat haar inkomen met een bedrag van € 222,- netto per maand zal verminderen. Een dergelijke terugval van meer dan 20% van het netto inkomen acht het hof voor de vrouw ingrijpend.

4.6 Bij de beantwoording van de vraag of ongewijzigde handhaving van de termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw gevergd kan worden stelt het hof voorop dat het de bedoeling van de wetgever is geweest dat verlenging van de van rechtswege geldende termijn op beperkte gronden verzocht kan worden en dat het initiatief moet uitgaan van de alimentatiegerechtigde, die dan ook de stelplicht en bewijslast heeft van de omstandigheden die tot verlenging aanleiding kunnen geven. Voorts neemt het hof in aanmerking de leeftijd van de vrouw (thans 52 jaar), de omstandigheid dat uit het huwelijk van partijen drie kinderen zijn geboren en dat de vrouw zich tijdens het huwelijk, dat ruim 20 jaar heeft geduurd, hoofdzakelijk heeft gewijd aan de verzorging en opvoeding van de kinderen en de huishoudelijke taken en geen betaalde arbeid buitenshuis heeft verricht. Door deze taakverdeling is naar het oordeel van het hof de verdiencapaciteit van de vrouw op negatieve wijze beïnvloed.

Tegenover de stelling van de man dat de vrouw zich na de echtscheiding actief had moeten inzetten om meer uren te gaan werken en dat dit in de gegeven omstandigheden van haar verlangd had mogen worden heeft de vrouw slechts aangevoerd dat zij wel geprobeerd heeft om haar werkzaamheden uit te breiden, maar dat dit niet gelukt is.

Het hof is van oordeel dat gelet op de omstandigheden ten tijde van de echtscheiding -de vrouw was 39 jaar, het oudste kind werkte, het middelste kind volgde de middelbare school en het jongste kind, toen 11 jaar oud, zat op de basisschool- de vrouw onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet reeds vanaf dat moment, of kort daarna, haar toenmalige werkweek van tien uur had kunnen uitbreiden en dat zij daartoe de nodige activiteiten heeft ontplooid. Indien de vrouw haar werkkring had uitgebreid zou zij naar het oordeel van het hof geheel in haar behoefte hebben kunnen voorzien, ook in de situatie dat zij ziek is geworden en aangewezen raakte op een WAO-uitkering.

Onder deze omstandigheden, waarbij het hof ook rekening houdt met het belang van de man dat hij na een termijn van negen jaar betaling van partneralimentatie van deze financiële last bevrijd wenst te worden, is het hof van oordeel dat beëindiging van de uitkering voor de vrouw met ingang van 29 januari 2003 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van haar gevergd kan worden.

Aan dit oordeel doet niet af het feit dat de man op zichzelf voldoende draagkracht heeft en dat de vrouw door het wegvallen van de bijdrage van de man financieel niet meer in staat zal zijn een auto aan te houden en daardoor niet meer voor haar moeder kan blijven zorgen.

4.7 Gelet op het voorgaande behoeft het verzoek van de vrouw tot verhoging van de bijdrage met ingang van 29 januari 2003 geen bespreking meer.

5 De slotsom

5.1 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.2 Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank te Zwolle van 27 mei 2003;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs Van Ginhoven, Hooft Graafland en Mens en is op 2 december 2003 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.