Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2003:AO4281

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
04-11-2003
Datum publicatie
23-02-2004
Zaaknummer
02/1195
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kern van het geschil is of [appellant] de Politie kan aanspreken op grond van artikel 7: 658 lid 4 BW voor de door hem gestelde schade, opgelopen tijdens een rit in een bus die werd bestuurd door [E.], brigadier bij de Politie op 11 december 1997.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2004/29
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 november 2003

vijfde civiele kamer

rolnummer : 02/1195

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr E.M. Stoffels,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

Politie Regio Gelderland Midden Nederland,

gevestigd te Arnhem,

procureur: mr W.J.G.M. van den Broek.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van de vonnissen van 15 januari 2001, 11 juni 2001 en 8 juli 2002 die de kantonrechter (inmiddels rechtbank te Arnhem, sector kanton, locatie Arnhem) tussen appellant (hierna ook te noemen: [appellant]) als eiser en geïntimeerde (hierna ook te noemen: de Politie) als gedaagde heeft gewezen. Van die vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 2 oktober 2002 de Politie aangezegd van het vonnis van 8 juli 2002 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van de Politie voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] vier grieven tegen in elk geval het bestreden vonnis van 8 juli 2002 aangevoerd en toegelicht, heeft hij drie producties in het geding gebracht, en heeft hij gevorderd dat het vonnis van de kantonrechter zal worden vernietigd en dat het hof, opnieuw rechtdoende, alsnog de in eerste aanleg gedane vorderingen zal toewijzen op basis van de vordering geformuleerd in de oorspronkelijke dagvaarding van 6 december 1999, kosten rechtens.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft de Politie de grieven bestreden, heeft zij bewijs aangeboden en heeft zij geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding.

2.4 Daarna heeft [appellant] akte verzocht van het overleggen van twee producties, waarna de Politie antwoord-akte heeft verzocht.

2.5 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De grieven

[appellant] heeft de volgende grieven aangevoerd :

Grief 1

De vonnissen van 15 januari 2001 en 8 juli 2002 zijn met elkaar in tegenspraak. Op 15 januari 2001 overweegt de kantonrechter (blz. 2 onder 4) dat de Politie “is uitgegaan van een te beperkte uitleg van het begrip bedrijf ”in artikel 7:658 lid 4 BW. Op 8 juli 2002 overweegt de kantonrechter dat 7: 658 lid 4 BW niet op dit project van de Politie van toepassing is omdat het geen “bedrijf” van de Politie betreft.

Grief II

De kantonrechter heeft zich buiten het geschil van partijen begeven door te oordelen dat het inbraakpreventieteam geen politietaak was en dat daarom artikel 7 :658 lid 4 BW niet van toepassing was.

Grief III

De kantonrechter heeft niet meegewogen dat zowel de organisatie van het project als de leiding berustte bij politiemensen.

Grief IV

De kantonrechter heeft geen aandacht besteed aan de door alle drie de partijen getekende civielrechtelijke detacheringsovereenkomst, waarbij de Politie de werkgeversaansprakelijkheid van Werk en Scholing overnam.

4 De vaststaande feiten

De kantonrechter heeft in zijn vonnis van 8 juli 2002 onder 3 feiten vastgesteld. Aangezien daartegen als zodanig geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1 Het hof leidt uit het petitum van de appèldagvaarding en van de memorie van grieven af dat [appellant] alleen bedoeld heeft tegen het vonnis van de kantonrechter van 8 juli 2002 hoger beroep in te stellen.

5.2 Kern van het geschil is of [appellant] de Politie kan aanspreken op grond van artikel 7: 658 lid 4 BW voor de door hem gestelde schade, opgelopen tijdens een rit in een bus die werd bestuurd door [E.], brigadier bij de Politie op 11 december 1997.

5.3 Het vonnis van 15 januari 2001 van de kantonrechter betrof een beslissing in het door de Politie opgeworpen bevoegdheidsincident. De vraag naar de bevoegdheid moet worden beoordeeld op basis van hetgeen door de eisende partij gesteld wordt. Nu [appellant] aan zijn vordering artikel 7:658 lid 4 BW ten grondslag heeft gelegd, heeft hij daarmee gesteld dat de Politie hem arbeid heeft laten verrichten “in de uitoefening van haar bedrijf”. De kantonrechter heeft zich dan ook terecht bevoegd verklaard, zij het met een andere motivering. In het vonnis van 8 juli 2002 heeft de kantonrechter zich uitgesproken over de vraag of de Politie “in de uitoefening van haar bedrijf” heeft gehandeld. Nu deze beoordeling plaats vond in de hoofdzaak en niet in het kader van de beoordeling van de bevoegdheid betekent het enkele feit dat de uitleg van het begrip “in de uitoefening van haar bedrijf” in het laatste vonnis tot afwijzing van de vordering heeft geleid niet dat beide vonnissen met elkaar in tegenspraak zouden zijn. Grief I gaat dus niet op.

5.4 De overige drie grieven bestrijden het oordeel van de kantonrechter in het vonnis van 8 juli 2002 dat inbraakpreventie, waar [appellant] zich mee bezig hield, niet behoort tot de primaire taak van de politie zodat om die reden geen aansprakelijkheid op grond van artikel 7:658 lid 4 BW kan ontstaan. Eerst zal echter het door de Politie in eerste aanleg gevoerde verweer, dat zij in hoger beroep niet heeft prijsgegeven, behandeld worden, namelijk of de Politie in dit geval wel in de uitoefening van een bedrijf in de zin van bedoeld artikel heeft gehandeld. Bij overheidsorganen zal dit in het algemeen niet snel kunnen worden aangenomen. Alleen indien er daadwerkelijk sprake is van de uitoefening van een bedrijf, bijvoorbeeld bij een gemeentelijk vervoersbedrijf, zou een overheidswerkgever onder de werking van dit artikel kunnen vallen. In dit verband is ook de definitie van “bedrijf” in het Van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse Taal relevant, die onder meer luidt : “overheidsinstelling ter verzorging van bepaalde belangen ten nutte van het publiek, op commerciële voet” tegenover het begrip van een dienst, die niet op winst gericht is. Vast staat dat de werkzaamheden op het gebied van inbraakpreventie waar [appellant] zich mee bezig hield niet gericht waren op het behalen van winst. De Politie heeft dus niet gehandeld in de uitoefening van een bedrijf. Hieruit volgt reeds dat aansprakelijkheid op grond van bedoeld artikel niet kan worden aangenomen, zodat de grieven verder niet besproken hoeven worden.

Slotsom

De grieven falen zodat het vonnis van 8 juli 2002 moet worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Arnhem, sector kanton, locatie Arnhem van 8 juli 2002;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Politie begroot op € 1.156,50 voor salaris van de procureur en € 193,-- voor griffierecht.

Dit arrest is gewezen door mrs Katz-Soeterboek, Knottnerus en Ter Veer en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 november 2003.