Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2003:AO4269

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
16-12-2003
Datum publicatie
23-02-2004
Zaaknummer
00/299t
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nu de vordering niet volledig toewijsbaar is op grond van ongerechtvaardigde verrijking, dient het hof vervolgens te onderzoeken of de andere grondslagen (zie rov. 4.2 en 4.3 van het tussenarrest) wellicht kunnen leiden tot toewijzing van het restant van de vordering. Die vraag moet evenwel ontkennend worden beantwoord. Nu de gemeente destijds geen wettelijke taak had op het gebied van bodemverontreiniging (zie rov. 4.9 van het tussenarrest) kan niet gezegd worden dat Wilchem bij het verrichten van de onderhavige werkzaamheden, het verwijderen, opslaan en doen verwerken van verontreinigde grond en straatbetegeling, zich heeft ingelaten met de behartiging van gemeentelijke, uit de functie van wegbeheerder voortvloeiende belangen.

Dat de gemeente wel andere bedrijven heeft ingeschakeld in de nasleep van het onderhavige voorval (zoals Growebo Wijers) en deze bedrijven wel heeft betaald, brengt, anders dan Wilchem meent, nog geen betalingsplicht van de gemeente jegens haar mee. Reeds de omstandigheid dat de gemeente deze bedrijven, naar Wilchem zelf stelt, opdracht heeft gegeven tot het verrichten van werkzaamheden, leidt tot de conclusie dat hier sprake is van verschillende situaties zodat Wilchem niet met succes een beroep kan doen op het gelijkheidsbeginsel.

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 13
Wet bodembescherming 27
Wet bodembescherming 30
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 97
Burgerlijk Wetboek Boek 6 175
Burgerlijk Wetboek Boek 6 198
Burgerlijk Wetboek Boek 6 212
Burgerlijk Wetboek Boek 8
Burgerlijk Wetboek Boek 8 1210
Wegenwet
Wegenwet 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2004, 186 met annotatie van J.A.E. van der Does
JM 2004/55 met annotatie van Bos
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 december 2003

derde civiele kamer

rolnummer 2000/299

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

de gemeente Nijmegen,

zetelend te Nijmegen,

appellante in het principaal appèl,

geïntimeerde in het incidenteel appèl,

procureur: mr J.Th.M. Palstra,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Wilchem B.V.,

gevestigd te Papendrecht,

geïntimeerde in het principaal appèl,

appellante in het incidenteel appèl,

procureur: mr N.L.J.M. Rijssenbeek.

1 Het verdere verloop van de procedure

Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 17 december 2002. Ingevolge dat arrest heeft Wilchem akte verzocht van enkele opmerkingen onder overlegging van een aantal producties. Daarop heeft de gemeente bij akte gereageerd. Daarna zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

2 De verdere beoordeling van het geschil in hoger beroep

De grondslagen van de vordering

2.1 In voormeld tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat de grondslag van ongerechtvaardigde verrijking de vordering niet kan dragen, voor zover deze grondslag ziet op de stelling dat op de gemeente een zorgplicht voor het milieu en de bodem rustte. Het hof heeft vervolgens de stukken in handen van partijen gesteld teneinde zich uit te laten over de vraag of op de gemeente als wegbeheerder de taak rustte zorg te dragen voor het opruimen van het iso-proturon en het daarmee verontreinigde materiaal.

2.2 In haar akte betoogt Wilchem dat zulks inderdaad het geval is. De gemeente heeft ingevolge artikel 16 van de Wegenwet een taak ten aanzien van het beheer van de binnen haar grenzen liggende wegen. Blijkens de parlementaire geschiedenis van de Wet herverdeling wegenbeheer is “beheer” een functioneel begrip, dat zowel omvat het in bruikbare toestand houden van de weg als de zorg dat van die weg op juiste en veilige wijze gebruik kan worden gemaakt, waaronder begrepen de zorg voor de bermen, de opvang en afvoer van hemelwater en de overige tot de weguitrusting te rekenen voorzieningen. Onder hemelwater zou volgens Wilchem ook bluswater moeten worden verstaan.

Dit rechtvaardigt volgens Wilchem de conclusie dat de gemeente gehouden was maatregelen te nemen ter zake van voorkoming van (verdere) verspreiding van het verontreinigde bluswater en verwijdering van de verontreinigde grond. Deze zorgplicht heeft Wilchem de facto waargenomen. Indien Wilchem dat niet had gedaan, had de gemeente deze kosten moeten maken. Wilchem heeft zich in dit verband beroepen op het arrest HR 19 december 1975, NJ 1976, 280 (Rijksweg 12), waarin is geoordeeld dat de Staat de kosten voor het beperken van verspreiding van door een ongeval in een naastgelegen sloot terecht gekomen giftige stoffen kan verhalen op degene dat ongeval had veroorzaakt. Daarnaast heeft Wilchem gewezen op het arrest HR 11 december 1992, NJ 1994, 639 (Brandweerkosten). Uit artikel 1 lid 4 sub a en b van de Brandweerwet zou eveneens een zorgplicht voor de gemeente voortvloeien.

De gemeente heeft deze stellingen en de daaraan verbonden conclusies bestreden.

2.3 Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

De taak van de wegbeheerder is gelegen in het zorgdragen voor de instandhouding van de weg en van de functies die de weg vervult. Dat omvat de zorg voor het in bruikbare toestand houden van het wegdek, maar ook de zorg dat van de weg op juiste en veilige wijze gebruik kan worden gemaakt. Het begrip “weg” moet hier ruim worden opgevat: niet alleen het wegdek en de ondergrond vallen daaronder, maar ook de bermen en de tot de weguitrusting behorende voorzieningen, zoals de straatverlichting, afvoersystemen voor hemelwater, vangrails, verkeersdrempels etc. Deze zorgplicht dient twee belangen, te weten het instandhouden van werken ten algemene nutte en de verkeersveiligheid. Met de zorgplicht die ingevolge de Wegenwet en de Wet herverdeling wegenbeheer aan de wegbeheerder is opgedragen, wordt niet beoogd milieubelangen te dienen.

Dat brengt mee dat alleen die door Wilchem verrichte werkzaamheden voor vergoeding in aanmerking komen die kunnen worden gerelateerd aan de taken van de gemeente als wegbeheerder, dat wil zeggen de werkzaamheden gericht op de verkeersveiligheid en het herstellen van de normale functie van de weg.

2.4 Uit de stukken (onder meer het verslag van de brandweer d.d. 22 oktober 1996 en het Evaluatierapport van Wilchem d.d. 20 november 1996, producties 1 en 2 bij de laatste akte van Wilchem) blijkt dienaangaande het volgende. De oplegger op de ventweg bevatte circa 19.000 liter van het giftige isoproturon, verpakt in kunststofvaten van 5 liter. Een deel van die vaten lag op de weg en een deel van de vloeistof was over het wegdek uitgestroomd over een lengte van circa 80 meter en een gemiddelde breedte van 3 tot 6 meter; aan één zijde stond de vloeistof circa 10 cm hoog tot aan de rand van het trottoir (de brandweer had de rioleringsputten tevoren afgesloten om te voorkomen dat de giftige stof in de riolering zou stromen). De naast de ventweg gelegen Wijchenseweg is tijdens (een deel van) de werkzaamheden door de politie afgesloten voor het verkeer.

Wilchem heeft vervolgens de volgende werkzaamheden verricht:

- opzuigen van de met het bluswater vermengde vloeistof op het wegdek met behulp van een vacuümwagen (in totaal is 16.760 kg bluswater/isoproturon opgezogen en opgeslagen);

- reinigen van het wegdek;

- handmatig leegmaken en verwijderen van vervuilde pallets;

- handmatig verwijderen en opslaan van kapotte flacons (3 containers van 10 m3 en 3 kleincontainers);

- reinigen van de vervuilde oplegger;

- het laten verwerken van de ingezamelde afvalstoffen;

- verwijderen van een deel van de bestrating, afgraven van de zich daaronder bevindende toplaag zand en afvoeren daarvan;

- verwijderen en afvoeren van een deel van de trottoirtegels.

2.5 Aannemelijk is dat de brandende oplegger, de grote hoeveelheid isoproturon vermengd met bluswater en de deels kapotte flacons, sommige nog gevuld met isoproturon, de normale doorgang van het verkeer op de ventweg ter plaatse belemmerden (zelfs de naastgelegen hoofdrijbaan van de Wijchenseweg is immers gedeeltelijk afgesloten geweest voor het verkeer). In deze situatie kon de ventweg haar functie niet meer vervullen, zodat het op de weg van de wegbeheerder had gelegen ervoor zorg te dragen dat deze obstakels werden verwijderd. Dat de inspanningen van betrokkenen ten tijde van deze werkzaamheden primair waren gericht op het voorkomen van milieuschade, doet daar niet aan af. Met deze werkzaamheden kunnen immers meerdere belangen worden gediend en het milieubeschermingsaspect neemt niet weg dat, indien Wilchem deze werkzaamheden niet had verricht, de gemeente als wegbeheerder zulks alsnog had moeten doen. Het belang van bescherming van het milieu bracht met name met zich mee dat er grote spoed geboden was bij het opruimen van het materiaal op de weg.

2.6 Dat geldt niet voor de werkzaamheden die specifiek zien op het opruimen van de verontreinigde straatbetegeling en het daaronder liggende zand en verontreinigde grond in de bermen. Dat heeft immers niets te maken met een veilige en onbelemmerde doorgang van het verkeer; het verkeer zou ook over de verontreinigde bestrating kunnen rijden. Dat zulks uit het oogpunt van milieubescherming onwenselijk is, doet daar niet aan af.

2.7 Het voorgaande brengt mee dat, waar de gemeente uit hoofde van haar taak als wegbeheerder gehouden was zorg te dragen voor een vrije en veilige doorgang van het verkeer op de ventweg, door zulks na te laten kosten heeft bespaard, hetgeen is aan te merken als een verrijking aan haar zijde. Daar staat tegenover dat Wilchem deze kosten onverplicht heeft gemaakt. Er is voldoende verband tussen deze verrijking enerzijds en de verarming anderzijds.

2.8 Het compenseren van deze ongerechtvaardigde vermogensverschuiving is zonder meer redelijk in de omstandigheden van het geval. Waar het de taak van de gemeente als wegbeheerder was om de nodige maatregelen te nemen tot herstel van de functie van de ventweg, heeft zij in feite niets gedaan. Vertegenwoordigers van de gemeente zijn aanwezig geweest bij de werkzaamheden, maar hebben de verantwoordelijkheid te dezer zake niet genomen toen zij zagen dat Wilchem al bezig was met het opruimen van materiaal op het wegdek. Er is geen enkele reden waarom Wilchem deze kosten zou dienen te dragen in plaats van de gemeente.

2.9 Dat geldt evenzeer voor de kosten van transport, opslag en verwerking van de door Wilchem verwijderde isoproturon en de flacons. Deze kosten zijn een noodzakelijk en onvermijdelijk gevolg van de opruimwerkzaamheden zelf. Na het verwijderen van dit materiaal moet er tenslotte iets mee gebeuren en giftige stoffen als de onderhavige mogen slechts worden aangeboden aan een daartoe bevoegd en gekwalificeerd afvalverwerkingsbedrijf. Wanneer de gemeente de uit haar taak als wegbeheerder voortvloeiende verantwoordelijkheid had genomen, had zij deze kosten ook moeten maken.

2.10 Het betoog van de gemeente dat de hoogte van de verrijking gelijk is aan het verschil tussen de waarde van de grond in schone staat en de waarde van de grond in verontreinigde staat (memorie van grieven onder 25) moet van de hand worden gewezen. Er is geen reden hier een abstracte schadeberekening toe te passen. Het gaat om de verevening van de kosten die Wilchem daadwerkelijk heeft gemaakt en die de gemeente, juist omdat ze door Wilchem zijn gemaakt, heeft uitgespaard. Bovendien gaat het hier niet - meer - om de kosten van de bodemsanering (deze zijn immers niet toewijsbaar) zodat de waarde van de grond vóór en na de sanering niet in het geding is.

2.11 Nu de vordering niet volledig toewijsbaar is op deze grondslag, dient het hof vervolgens te onderzoeken of de andere grondslagen (zie rov. 4.2 en 4.3 van het tussenarrest) wellicht kunnen leiden tot toewijzing van het restant van de vordering. Die vraag moet evenwel ontkennend worden beantwoord. Nu de gemeente destijds geen wettelijke taak had op het gebied van bodemverontreiniging (zie rov. 4.9 van het tussenarrest) kan niet gezegd worden dat Wilchem bij het verrichten van de onderhavige werkzaamheden, het verwijderen, opslaan en doen verwerken van verontreinigde grond en straatbetegeling, zich heeft ingelaten met de behartiging van gemeentelijke, uit de functie van wegbeheerder voortvloeiende belangen.

Dat de gemeente wel andere bedrijven heeft ingeschakeld in de nasleep van het onderhavige voorval (zoals Growebo Wijers) en deze bedrijven wel heeft betaald, brengt, anders dan Wilchem meent, nog geen betalingsplicht van de gemeente jegens haar mee. Reeds de omstandigheid dat de gemeente deze bedrijven, naar Wilchem zelf stelt, opdracht heeft gegeven tot het verrichten van werkzaamheden, leidt tot de conclusie dat hier sprake is van verschillende situaties zodat Wilchem niet met succes een beroep kan doen op het gelijkheidsbeginsel.

De kosten van het opruimen

2.12 In haar laatste akte heeft Wilchem een - globale - onderverdeling van de gemaakte kosten gemaakt:

a) verwijderen van het isoproturon: € 35.137,34 (f 77.432,50);

b) verwijderen van verpakkingen: € 55.541,52 (f 122.397,40);

c) uitvoeren bodemsanering: € 16.472,96 (f 36.301,63).

2.13 Voor de post onder a) is overgelegd een specificatie met als factuurnr 96585/1 (productie 5 bij de laatste akte). Deze specificatie betreft de werkzaamheden van o.m. de (machinist en bijrijder van de) vacuümwagen gedurende 24 uur, het gebruik van de benodigde apparatuur, de opslagkosten en verwerkingskosten alsmede advies- en bemiddelingskosten (44 uur) en milieukundige begeleiding (6½ uur).

2.14 Voor de post onder b) is overgelegd een specificatie met als factuurnr 96585/2 (productie 6 bij de laatste akte). Dit betreft werkzaamheden van o.m. (de machinisten van) twee multilift-containerinstallaties voor het verzamelen en vervoeren van defecte flacons, een vrachtwagen voor het verzamelen en vervoeren van intacte flacons, opslagkosten en verwerkingskosten alsmede advies- en bemiddelingskosten (16 uur) en milieukundige begeleiding 8 uur).

2.15 De post onder c is, zoals hiervoor overwogen, niet toewijsbaar.

2.16 De gemeente heeft ten aanzien van de schadeposten geen inhoudelijk verweer gevoerd, hoewel dezelfde facturen al bij memorie van grieven in het incidenteel appèl door Wilchem zijn overgelegd. Kennelijk verkeerde de gemeente in de veronderstelling dat vaststelling van het te betalen bedrag in deze appèlprocedure niet aan de orde is omdat de rechtbank zich hierover nog niet heeft uitgelaten.

Het bestreden vonnis was een tussenvonnis, dat deels zal worden bekrachtigd met verbetering van gronden (voor zover betreffende het oordeel dat de vordering toewijsbaar is wegens ongerechtvaardigde verrijking). Het oordeel van de rechtbank dat de vordering ter zake van kosten van bodemsanering moet worden beperkt tot f 100.000,- is niet meer van belang nu de kosten van de bodemsanering niet kunnen worden verhaald op de gemeente.

2.17 Ingevolge artikel 355 Rv dient de zaak na bekrachtiging van een tussenvonnis te worden teruggewezen naar de rechtbank, tenzij partijen afdoening door het hof wensen of de zaak in staat van wijzen is. Het hof kan zich voorstellen dat partijen thans uit proces-economische overwegingen de voorkeur geven aan afdoening door het hof. Zij dienen zich hierover uit te laten. De gemeente heeft in dat geval nog de mogelijkheid in te gaan op de kostenspecificatie, die, anders dan zij stelt, wel is uitgesplitst naar de verschillende soorten werkzaamheden zoals hiervoor weergegeven.

Slotsom

De zaak wordt verwezen naar de rol voor akte aan de zijde van de gemeente, waarop Wilchem desgewenst kan reageren bij akte. Alle andere beslissingen worden aangehouden.

Beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

verwijst de zaak naar de rol van 20 januari 2004 voor akte aan de zijde van de gemeente;

houdt alle andere beslissingen aan.

Dit arrest is gewezen door mrs Makkink, Van Ginkel en Van Loo en uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van 16 december 2003.