Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2003:AO3063

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-12-2003
Datum publicatie
05-02-2004
Zaaknummer
21-002245-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitzetting van verdachte 7 dagen voor de behandeling in hoger beroep van onderhavige strafzaak leidt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wegens schending art. 6 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-002245-03

Uitspraak dd.: 17 december 2003

ONTNEMINGSZAAK

Gerechtshof te Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de meervoudige kamer te Arnhem van 12 mei 2003 in de strafzaak tegen

Veroordeelde,

geboren te [plaats] op [datum],

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Het hoger beroep

De veroordeelde heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 17 december 2003 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van het standpunt van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen namens de veroordeelde naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich niet met het vonnis, waarvan beroep, zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering, omdat door aan het openbaar ministerie toe te rekenen omstandigheden aan veroordeelde de mogelijkheid is ontnomen om heden ter terechtzitting aanwezig te zijn en aan haar raadsman de mogelijkheid is ontnomen om veroordeelde (alsnog) een machtiging te vragen voor het voeren van de verdediging en om in overleg met veroordeelde de verdediging voor te bereiden. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat veroordeelde, terwijl de terechtzitting van heden reeds vaststond, op 10 december 2003 onverwacht Nederland is uitgezet, vermoedelijk naar Nigeria. Een woon- of verblijfplaats van veroordeelde is hem niet bekend, zodat hij niet alsnog contact met veroordeelde kan opnemen.

Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat, nu de akte van uitreiking van de oproeping in persoon is betekend, de termijn om beroep in cassatie in te stellen veertien dagen na de uitspraak bedraagt en hij evenmin in staat zal zijn veroordeelde binnen die termijn te bereiken.

Het hof stelt vast dat:

- het openbaar ministerie op 1 oktober 2003 de akte van uitreiking van de oproeping voor de zitting van 17 december 2003 aan veroordeelde in persoon heeft laten betekenen;

- blijkens de mededeling van de advocaat-generaal ter zitting veroordeelde op 4 december 2003 van haar wettige plaats van detentie, zijnde het Detentie Centrum Zeist, locatie vrouwen, te Soesterberg is overgebracht naar het uitzetcentrum te Zestienhoven en vervolgens door de Nederlandse overheid is uitgezet per 10 december 2003;

- het hof noch de raadsman van het verloop van deze uitzettingsprocedure tijdig op de hoogte is gebracht;

- van veroordeelde geen woon- of verblijfplaats bekend is.

Naar het oordeel van het hof is op geen enkele wijze gebleken dat veroordeelde niet aanwezig had willen zijn bij de behandeling van haar hoger beroep. Het is naar het oordeel van het hof wegens het ontbreken van een bekende woon- of verblijfplaats van veroordeelde in het land waar naartoe zij is uitgezet, zinloos om haar wederom op te roepen. Op grond van deze overwegingen en op grond van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden is het hof – met de raadsman – van oordeel dat door aan het openbaar ministerie toe te rekenen feiten en omstandigheden aan veroordeelde de mogelijkheid is ontnomen om heden ter terechtzitting aanwezig te zijn en aan haar raadsman de mogelijkheid is ontnomen om veroordeelde (alsnog) een machtiging te vragen en om in overleg met veroordeelde de verdediging (behoorlijk) voor te bereiden.

Naar het oordeel van het hof is er sprake van schending van de in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) vastgelegde grondbeginselen waaraan een deugdelijk strafproces dient te voldoen, met name van de in het tweede lid onder sub b en sub c van dat artikel geformuleerde beginselen. Nu deze schending naar mag worden aangenomen, gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen en vastgesteld, niet binnen redelijke termijn hersteld zal kunnen worden, is het hof gelet op de ernst van de schending van oordeel dat geen andere sanctie kan volgen dan de officier van justitie niet ontvankelijk te verklaren in zijn vordering tegen veroordeelde tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

BESLISSING (bij verstek)

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht:

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Aldus gewezen door

mr Dee, voorzitter,

mrs Ruys en Boekhorst Carrillo, raadsheren,

in tegenwoordigheid van Berendsen, griffier,

en op 17 december 2003 ter openbare terechtzitting uitgesproken.