Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2003:AO1758

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-11-2003
Datum publicatie
15-01-2004
Zaaknummer
00/394
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gelet op de vermelde omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, is het hof van oordeel dat de gemeente zich bewust was, althans had moeten zijn, van de op de avond van 31 december 1996 op de Hagmolenbeekweg bestaande gevaarlijke situatie voor automobilisten als gevolg van het feit dat de gemeente Haaksbergen op de Oude Enschedeseweg wel had gestrooid en zij op de Hagmolenbeekweg niet. De mate van waarschijnlijkheid van een ongeval, zoals [appellant sub 1] die avond overkomen, als gevolg van die, door het nalaten van de gemeente om op de Hagmolenbeekweg te strooien, ontstane situatie is zo groot dat de gemeente zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat nalaten had moeten onthouden, dus had moeten strooien, dan wel anderszins voorzorgsmaatregelen had moeten nemen ter voorkoming van een zodanig ongeval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 november 2003

derde civiele kamer

2000/394

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant sub 1]

en

[appellante sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

geïntimeerden in het voorwaardelijk incidenteel appèl,

procureur: mr. P.R.M. Noppen,

tegen:

de gemeente Enschede,

zetelende te Enschede,

geïntimeerde,

appellante in het voorwaardelijk incidenteel appèl,

procureur: mr. F.J. Boom.

1 De verdere voortzetting van het geding in hoger beroep

1.1 Na het tussenarrest van dit hof van 16 juli 2002 heeft op 8 mei 2003 een getuigenverhoor plaatsgevonden. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.

1.2 Daarna hebben partijen de stukken wederom aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest.

2 De verdere beoordeling van het geschil in hoger beroep

2.1 Bij het vermelde tussenarrest is [appellant sub 1] toegelaten tot het bewijs door getuigen van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat meerdere personen in het verleden – vóór het ongeval d.d. 31 december 1996 – in geval van gladheid en in verband met ongevallen aan de gemeente hebben verzocht om op de Hagmolenbeekweg te gaan strooien.

Bewijswaardering

2.2 [appellant sub 1] heeft de na te melden vijf getuigen doen horen. De gemeente heeft afgezien van tegenverhoor.

2.3 De getuige [B.] woont al ruim 30 jaar aan de Leppeweg, op ongeveer 1,5 à 2 km afstand van de plek waar [appellant sub 1] het bewuste ongeval heeft gehad. Hij is vaak over de Hagmolenbeekweg richting Haaksbergen en terug gereden, ook in de winter als er sneeuw lag en het glad was. Hij heeft meerdere keren gezien dat in geval van sneeuw op de Hagmolenbeekweg auto’s in de sloot zijn geraakt. ‘Iedere winter is het raak’, aldus deze getuige. Hij heeft voorts onder meer verklaard: ‘Ik heb meerdere malen met de gemeente contact opgenomen met de vraag of er gestrooid kon worden, omdat de bulktransportauto’s (levering voer) mijn perceel niet meer konden bereiken. (…) Ik deed dat per telefoon en sprak dan met mensen van de milieudienst. (…) Ik heb ook gebeld voor 1996. Mijn vrouw belde ook wel eens. Er werd alleen gebeld als er sneeuw was vastgereden en een ijslaag kreeg. (…) Ik belde alleen als er behoefte was voor ons zelf om de gemeente erop te attenderen. (…) De gemeente antwoordde dan dat die weg niet in hun strooigebied viel en dat er daarom niet werd gestrooid. Ik vroeg de gemeente dan om te strooien vanaf de N18, over de Zonnebeekweg richting mijn perceel. Omdat de gemeente niet wilde strooien heb ik wel eens gedreigd met de dierenbescherming. Op dat moment kwamen ze wel strooien; ook zelfs op mijn erf. Ik heb toen gezegd tegen de chauffeur dat hij terug naar Enschede centrum de strooiwagen maar moest laten aanstaan omdat op die weg ook niet werd gestrooid. (…) Dit is gebeurd voor de negentiger jaren. Ik heb ook dit jaar nog geklaagd over het strooien. (…) Op het moment dat bij ons wel werd gestrooid reed een opzichter van de gemeente achter de strooiwagen mee. Ik heb met die man gesproken. Ik denk dat ik met hem heb gesproken over het probleem dat toen aan de orde was. Het betrof in ieder geval de gladheid.’

2.4 De getuige [R.] heeft onder meer als volgt verklaard:

‘Ik heb zestien jaar een winkel gehad in Enschede. Ik woonde in Haaksbergen. Ik placht een of meerdere keren per dag te rijden over de Oude Enschedeseweg, Hagmolenbeekweg over de Leppeweg richting Enschede-Zuid. Ik deed dat ook vóór 1996, en wel vanaf 1983. Dat was tot 1999. Na het passeren van de gemeentegrens kwam je in de problemen als het glad was. Naar mijn ervaring strooide de gemeente Haaksbergen goed maar Enschede helemaal niet. (…) Ik zelf ben in de bocht rechtsaf de Leppeweg op twee keer geslipt. Ik heb veelvuldig gehoord van ongevallen daar als er sneeuw lag. Vooral ’s morgens heb ik vaak auto’s in de sloot zien liggen als er sneeuw lag. Het is algemeen bekend. Er wordt in Enschede alleen gestrooid waar de bus reed. Ik heb al eens gebeld naar de gemeente met de vraag of ze wilden strooien. Het zal tussen 1993 en 1997 geweest zijn. Ik weet niet meer met wie ik heb gesproken. Ik denk dat ze me hebben doorverbonden met de gemeentewerken. Ik zou niet meer precies weten wat die meneer heeft gezegd. (…) Mijn verzoek om te strooien had betrekking op het winkelcentrum omdat daar veel bejaarden lopen en een deel van het winkelcentrumterrein eigendom is van de gemeente. Ik heb in dat telefoongesprek betrokken de kwestie van de Leppeweg en de Hagmolenbeekweg.’

2.5 De getuige [S.] heeft van 1990 tot 2001 in de buurt van de Hagmolenbeekweg gewoond. Hij kent die weg goed. Op die weg werd in de winter als het had gesneeuwd niet gestrooid. Hij heeft daar heel veel ongelukken meegemaakt.

Hij vervolgt: ‘(…) Mijn schoonouders woonden en wonen na de bocht aan de Oude Haaksbergerdijk op de kaart onder het woord Leppink (toevoeging hof: dit is de eerste bocht na het stuk rechte weg waarop [appellant sub 1] het bewuste ongeval kreeg), aan de straat naast de familie [appellant sub 1]. Als het kerst was en het had gesneeuwd dan zaten we wel eens bij het raam om te kijken of het weer mis ging. Aan de snelheid van de auto’s kon je zien en verwachten dat ze op de kruising Zonnebeekweg-Leppepaalweg rechtdoor

gingen. Er stond daar toen een bord met rood-witte blokjes in pijlvorm. Dat bord werd vaak ondersteboven gereden. Ik weet dat mijn schoonvader er heel vaak naar toe is geweest met de trekker als er weer eens iemand in de sloot lag. (…) Ik heb persoonlijk nooit naar de gemeente gebeld. Mijn schoonvader heeft mij wel verteld dat volgens hem een heer [.] naar de gemeente heeft gebeld. De heer [.] zat in de gemeenteraad. Ik ben een keer in verband met verlies door mij van een vuilniscontainer (Otto) naar de gemeentewerf geweest. Ik heb toen aan die meneer gemeld dat er bij mij in de buurt op de Hagmolenbeekweg vanwege de gladheid veel ongelukken gebeurden. Ik weet nog dat het in het begin dat ik daar woonde was dat ik mijn Otto was kwijtgeraakt. Ik vroeg die meneer of er niets aan te doen was, waarop hij zei dat hij er wel een notitie van wilde maken. Ik zou er nog wat van horen (lees: maar) het is daarbij gebleven. Het feit dat er niet werd gestrooid wekte wrevel op in de buurt. (…) Ik neem aan dat de vermelde borden door de gemeente werden hersteld; het zijn volgens mij borden van de gemeente. (…) Mijn schoonvader heeft ook wel eens met een trekker iemand uit de sloot gehaald in de bocht van de Hagmolenbeekweg. In die bocht staan ook bomen en daar is overal de schors vanaf.’

2.6 De getuige [r], geen directe familie van partij [appellant sub 1] en al vele jaren wonende in een boerderij naast de schoonouders van de getuige [S.], heeft onder meer als volgt verklaard:

‘(…) Er wordt in de winter als het heeft gesneeuwd nooit gestrooid. Afgelopen winter waren er bij mij door de gladheid wel 4 of 5 ongelukken (…) gebeurd. Dat is elk jaar zo. (…) Mijn vader (…) zat in de gemeenteraad. Hij heeft wel in de tijd dat hij in de raad zat aangedrongen bij de gemeente om te strooien omdat wij daar zelf ook last van hadden, maar de gemeente zei dat er niet werd gestrooid omdat het buitengebied was. Over onze weg loopt geen bus. Mijn vader is in 1982 uit de gemeenteraad gegaan. Mijn schoonzoon heeft afgelopen winter naar aanleiding van een ongeval aan de politie Haaksbergen gevraagd of ze wat konden doen opdat er bij ons zou worden gestrooid. Ze zouden het doorgeven. Die schoonzoon woont naast mij. Ik zelf heb nooit gebeld. (…) Ik denk dat mijn vader wel vaker op gladheidbestrijding heeft aangedrongen bij de gemeente. Ik neem dat aan. Het ging mijn vader met name om de Hagmolenbeekweg en de Oude Haaksbergerdijk. Het ging hem ook om de Zonnebeekweg omdat daar ook niet werd gestrooid en wij via die weg moesten om naar Enschede te komen. Er is bij mijn weten door mijn vader geen verdere actie ondernomen omdat gewoonweg werd gezegd dat er in het buitengebied niet werd gestrooid.’.

2.7 De getuige [H.] was van 1998 tot 2001 werkzaam bij een bedrijf dat ongevalvoertuigen afsleept. Hij kent de Hagmolenbeekweg vanwege zijn werk. Op de Hagmolenbeekweg moest hij in de vermelde jaren in de winter als het glad was 4 à 5 keer bergen. Deze getuige heeft van collega’s die daar vóór 1996 werkten, gehoord ‘dat er daar altijd veel werk was’. Opdrachten om te bergen werden ‘in 99 procent van de ongevallen’ verstrekt door de politie te Enschede.

2.8 De vermelde – onbestreden gebleven – verklaringen van de getuigen in onderling verband en samenhang beschouwd maken genoegzaam duidelijk dat sedert jaar en dag vóór en na 1996 er in de winter als het had gesneeuwd op en rond de (onverlichte) Hagmolenbeekweg een voor automobilisten tot vele slippartijen aanleiding gevende gevaarlijke situatie bestond. Dit klemt temeer waar - zoals op de bij conclusie van antwoord overgelegde foto’s (met name de foto’s met nrs. 1, 3 en 5) en op de foto’s overgelegd als productie 3 bij conclusie van repliek zo goed te zien is - automobilisten rijdende vanuit Haaksbergen naar Enschede via de Hagmolenbeekweg bij duisternis onder de vermelde omstandigheden, om het beeldend uit te drukken, in een soort van (op 31 december 1996, vanaf de kruising Rutbeekweg/Hagmolenbeekweg: spiegelgladde) fuik rijden.

2.9 Met de vermelde getuigenverklaringen is genoegzaam bewezen dat die gevaarlijke situatie aan de gemeente bekend was. Uit de verklaring van getuige [B.] blijkt dat een opzichter van de gemeente achter de strooiwagen heeft aangereden. Indien (door de getuige [B.], volgens zijn verklaring ook door zijn echtgenote, de getuige [R.] en de getuige [S.]) naar de gemeente wordt gebeld met het verzoek om te strooien en die ambtenaar van de gemeente neemt dat verzoek in ontvangst al dan niet met de mededeling ‘er een notitie van te maken’ of ‘het te zullen doorgeven’, dan moet hun wetenschap in het maatschappelijk verkeer aan de gemeente worden toegerekend. Uit de verklaringen van de getuigen [S.] en [r] blijkt bovendien dat het toenmalige gemeenteraadslid [.] bij de gemeente te dezer zake aan de bel heeft getrokken. Ten slotte moet gelet op de verklaring van de getuigen [r] en [H.] ook de politie te Haaksbergen en Enschede met een en ander bekend zijn geweest.

2.10 Het hof acht [appellant sub 1] mitsdien in zijn bewijsopdracht geslaagd.

Aansprakelijkheidsvraag

2.11 Over de aansprakelijkheidsvraag oordeelt het hof als volgt. Anders dan de gemeente heeft aangevoerd (conclusie van antwoord onder 28), zo blijkt uit het hierboven overwogene, heeft een ongeval, zoals [appellant sub 1] overkomen, wel degelijk eerder (en wel: regelmatig) bij gladheid door sneeuwval op en nabij de Hagmolenbeekweg plaatsgevonden en is (in verband daarmee) vóór het litigieuze ongeval wel degelijk bij de gemeente geklaagd over het niet strooien van de Hagmolenbeekweg. De gemeente wist ook dat de Hagmolenbeekweg als sluiproute (Haaksbergen-Enschede Zuid) werd gebruikt (verg. rapport GAB Robins Takkenberg, blz. 6; productie bij conclusie van repliek). De gemeente moet ook bekend zijn geweest met het feit dat (zie dat rapport blz.5) de Hagmolenbeekweg onverlicht is, zodat een vanaf de kruising Rutbeekweg/Hagmolenbeekweg spiegelglad wegdek voor automobilisten minder snel waarneembaar is. De gemeente heeft aannemelijk gemaakt dat zij op de dag van het ongeval niet op de hoogte was van het feit dat haar buurgemeente Haaksbergen op de Oude Enschedeseweg had gestrooid. Volgens de gemeente (bij monde van [E.], voormalig medewerker bij de afdeling Bouw- en Milieudienst van de gemeente, ter comparitie bij dit hof) was er geen contact tussen beide gemeenten over de vraag wie waar strooit. Dat blijkt ook uit het rapport GAB Robins Takkenberg, blz. 6, waar [B.], juridisch medewerker van de gemeente, hetzelfde laat aantekenen. Dat overleg vindt wel plaats, zo verklaarde [E.] ter comparitie, ten aanzien van de hoofdwegen (snelwegen en provinciale wegen). Het hof rekent de gemeente aan dat zij niet op de hoogte was van het feit dat de gemeente Haaksbergen in geval van gladheid de Oude Enschedeseweg wel strooit (zoals ook blijkt uit de ‘Organisatieopzet gladheidsbestrijding 1996/97’ van de gemeente Haaksbergen, productie 2 bij conclusie van repliek, welk strooiplan, zoals [appellant sub 1] onweersproken heeft gesteld, wordt gepubliceerd), waar zij toch bekend was met het feit dat de Oude Enschedeseweg/Hagmolenbeekweg als sluiproute werd gebruikt.

2.12 Gelet op de vermelde omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, is het hof van oordeel dat de gemeente zich bewust was, althans had moeten zijn, van de op de avond van 31 december 1996 op de Hagmolenbeekweg bestaande gevaarlijke situatie voor automobilisten als gevolg van het feit dat de gemeente Haaksbergen op de Oude Enschedeseweg wel had gestrooid en zij op de Hagmolenbeekweg niet. De mate van waarschijnlijkheid van een ongeval, zoals [appellant sub 1] die avond overkomen, als gevolg van die, door het nalaten van de gemeente om op de Hagmolenbeekweg te strooien, ontstane situatie is zo groot dat de gemeente zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat nalaten had moeten onthouden, dus had moeten strooien, dan wel anderszins voorzorgsmaatregelen had moeten nemen ter voorkoming van een zodanig ongeval. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan het plaatsen van goed verlichte waarschuwingsborden of mogelijk zelfs een tijdelijke afsluiting van de Hagmolenbeekweg, aan welke voorzorgsmaatregelen naar ’s hofs oordeel slechts een relatief gering bezwaarlijk karakter kan worden toegekend.

2.13 Het hof is mitsdien van oordeel dat de gemeente jegens [appellant sub 1] aansprakelijk is voor het hem op 31 december 1996 overkomen ongeval. Grief 3 is terecht voorgedragen.

Causaal verband

2.14 De gemeente heeft bij conclusie van antwoord onder 33 de aanwezigheid van een causaal verband tussen de aan de gemeente verweten nalatigheid te strooien dan wel te waarschuwen en het plaatsvinden van het onderhavige ongeval, overigens zonder verdere motivering, betwist. Uit het in rov. 2.12 overwogene volgt dat dit verweer moet worden verworpen.

Eigen schuld

2.15 In het kader van het beroep door de gemeente op eigen schuld in de zin van art. 6:101 BW zijdens [appellant sub 1] kan het volgende worden vastgesteld.

a. Buiten de sluiproute van Haaksbergen naar Enschede Zuid via de Hagmolenbeekweg bestond de hoofdroute Haaksbergen/Enschede, op welke hoofdroute (zie productie 4 bij conclusie van antwoord) wel door de gemeente werd gestrooid. Gesteld noch gebleken is dat er voor [appellant sub 1] een noodzaak bestond om voor de sluiproute te kiezen.

b. [appellant sub 1] was ter plaatse van de Hagmolenbeekweg goed bekend.

c. De gemeente heeft – onbetwist – gesteld dat [appellant sub 1] in het kader van de briefwisseling, die naar aanleiding van de aansprakelijkstelling van de gemeente heeft plaatsgevonden, heeft gesteld dat hij onmiddellijk voorafgaande aan het ongeval met een snelheid van circa 70 km per uur heeft gereden, welke verklaring hij later heeft gecorrigeerd in “ruim 60 km per uur” (conclusie van antwoord onder 30). [appellant sub 1] stelt bij conclusie van repliek onder 3 dat hij kort voor het ongeval ongeveer 60 km per uur reed. Voorts heeft [appellant sub 1] niet betwist de stelling van de gemeente (t.a.p.), op basis van de bevinding zijdens Willighagen, de politieambtenaar die na de ongevalmelding ter plaatse is geweest, dat gelet op de weersomstandigheden een verantwoorde snelheid hooguit 40 à 50 km per uur zou zijn geweest. Dit laatste vindt overigens bevestiging in de diverse vermelde getuigenverklaringen. Het hof gaat ervan uit dat [appellant sub 1] ruim 60 km per uur heeft gereden. [appellant sub 1] heeft daarmee gelet op de weers- en wegomstandigheden ten tijde van het ongeval in ieder geval te snel gereden.

d. [appellant sub 1] heeft niet bestreden de stelling van de gemeente (conclusie van antwoord onder 32), dat op 31 december 1996 via de radionieuwsdienst regelmatig is gewaarschuwd voor gladheid als gevolg van sneeuwval. Dat er sneeuwval was (geweest) heeft [appellant sub 1] uiteraard ook zelf geconstateerd, althans kunnen constateren. [appellant sub 1] moet dus op gladheid op de weg bedacht zijn geweest. Dat [appellant sub 1] daarop niet bedacht was, blijkt uit zijn stelling bij conclusie van repliek onder 3, dat hij aan het gedrag van de auto, die begon te glibberen en uit koers raakte, bemerkte dat de weg glad moest zijn. [appellant sub 1] heeft mitsdien niet met de vereiste zorgvuldigheid gereden.

2.16 Wat betreft de causaliteitsmaatstaf van art. 6:101 BW acht het hof van belang aan de zijde van de gemeente het feit dat zij de Hagmolenbeekweg niet had gestrooid en aan de zijde van [appellant sub 1] dat hij zonder noodzaak over de sluiproute in plaats van over de hoofdweg heeft gereden (rov. 2.15 sub a), alsmede dat hij met een te hoge snelheid over de spiegelgladde Hagmolenbeekweg heeft gereden (rov. 2.15 sub c). Het hof waardeert de vermelde omstandigheden aldus dat op grond van deze primaire verdelingsmaatstaf wordt geoordeeld tot een verdeling van 40% van de schade aan de zijde van de gemeente en 60% aan de zijde van [appellant sub 1].

2.17 Het hof past een billijkheidscorrectie toe. Aan [appellant sub 1] valt immers naar ’s hofs oordeel meer te verwijten dan aan de gemeente. [appellant sub 1] is, hoewel hij de hoofdroute had kunnen nemen, de sluiproute, die hij goed kende, op gereden, hoewel hij bedacht had moeten zijn op gladheid daar (en elders), en heeft ernstig verwijtbaar zijn snelheid niet aan de omstandigheden ter plaatse aangepast. Op grond van de billijkheidscorrectie komt het hof tot een verdeling van 25% aan de zijde van de gemeente en 75% aan de zijde van [appellant sub 1].

2.18 Ten aanzien van [appellante sub 2], passagier in de auto van [appellant sub 1] ten tijde van het bewuste ongeval, de ‘schuldloze derde’, zoals [appellant sub 1] haar (terecht) aanduidt, kan niet tot een schadeverdeling op basis van art. 6:101 BW worden geconcludeerd. De gemeente heeft zulks ook niet bepleit.

Toewijsbaarheid vordering onder 1

2.19 Het vorenoverwogene brengt mee dat de vordering onder 1 toewijsbaar is in dier voege dat voor recht zal worden verklaard dat de gemeente jegens [appellant sub 1] aansprakelijk is voor 25% van de door hem als gevolg van het ongeval op 31 december 1996 geleden en nog te lijden schade en dat voor recht zal worden verklaard dat de gemeente jegens [appellante sub 2] aansprakelijk is voor (het geheel) van de door haar als gevolg van dat ongeval geleden en nog te lijden schade.

Schade

2.20 [appellant sub 1] heeft schadevergoeding gevorderd ten bedrage van f 177.828,26 (vordering onder 2) en voorts veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat (vordering onder 3).

2.21 [appellant sub 1] heeft bij inleidende dagvaarding een aantal (maar niet alle) schadeposten van een te vorderen bedrag voorzien. Na betwisting door de gemeente bij conclusie van antwoord heeft [appellant sub 1] bij repliek ten aanzien van diverse schadeposten een bewijsstuk overgelegd en overigens nader bewijs van de schade aangeboden. Ook in het rapport GAB Robins Takkenberg wordt, op blz. 14/15, het een en ander over de schade gezegd, met het advies om, bij gebleken aansprakelijkheid, een voorschot van f 25.000,-- te betalen. Bij conclusie van dupliek heeft de gemeente enkele

schadeposten erkend en de andere (wederom) betwist. In hoger beroep is aan deze schadeposten geen aandacht meer besteed.

2.22 Het hof zal een comparitie van partijen bepalen, opdat met partijen over de schade en over de wenselijke wijze van vaststelling daarvan kan worden gesproken. Het komt het hof nuttig voor indien de gemeente voorafgaande aan de comparitie een opstelling maakt van de schadeposten (gespecificeerd met bedragen) die zij erkent, waarna [appellant sub 1] (en [appellante sub 2]), na ontvangst van die opstelling van de gemeente, eveneens voorafgaande aan de comparitie, hun andere schadeposten, aangenomen dat thans van een medische eindtoestand bij [appellant sub 1] sprake zal zijn, waar nodig nader kunnen begroten en waar nodig nader met gegevens kunnen onderbouwen. Die comparitie zal tevens worden gebruikt teneinde te onderzoeken of partijen het over de vaststelling van de schade met elkaar eens kunnen worden. Partijen doen er verstandig aan met elkaar overleg te plegen over het tijdpad betreffende het opstellen van hun beider notitie, opdat die notities ook tijdig aan het hof ter voorbereiding van de comparitie kunnen worden toegezonden.

2.23 Ter comparitie zal tevens aan de orde kunnen komen de stelling van de gemeente dat zij door de late aansprakelijkstelling van de gemeente door [appellant sub 1], kort gezegd, buiten staat is gesteld om gestelde sommige schadeposten te controleren.

2.24 Gelet op de mate van eigen schuld aan de zijde van [appellant sub 1] (zie rov. 2.17), zou de gemeente, gegeven haar aansprakelijkheid voor de (overigens klaarblijkelijk geringe) schade van [appellante sub 2] (zie rov. 2.18), wellicht voor een 3/4e deel daarvan verhaal kunnen zoeken op [appellant sub 1]. Ter comparitie zal het hof met partijen bespreken op welke wijze een dergelijke verhaalsactie kan worden vermeden.

2.25 Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3 Beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bepaalt dat partijen, [appellant sub 1] en [appellante sub 2] in persoon en de gemeente vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij bevoegd hetzij speciaal schriftelijk gemachtigd is tot het aangaan van een schikking, tezamen met hun advocaten, zullen verschijnen voor het te dezen tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof, mr. G.J. Rijken, die daartoe zitting zal houden in één der vertrekken van het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem, zulks ter fine als vermeld in dit arrest onder 2.22 – 2.24;

bepaalt dat de verhinderdagen van partijen en hun advocaten zullen worden opgegeven ter rolzitting van het hof van 9 december 2003 ambtshalve peremptoir, waarna dag en uur der comparitie (ook indien de vermelde opgave van één of meer der partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld en in beginsel geen uitstel in verband met verhinderingen zal worden verleend;

bepaalt dat partijen de comparitie schriftelijk zullen voorbereiden op de wijze als vermeld in rov. 2.22 van dit arrest;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Rijken, Van Ginkel en Van Loo en is uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van 11 november 2003.