Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2003:AO1514

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
23-12-2003
Datum publicatie
15-01-2004
Zaaknummer
02-03394
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bijgevolg kan belanghebbende niet worden gezegd in gebreke te zijn gebleven het verschuldigde bedrag tijdig te betalen, in de zin van artikel 1 van de Kostenwet invordering rijksbelastingen. Hem zijn dan ook ten onrechte € 4,- aan kosten voor het verzenden van een aanmaning en € 23,- voor het betekenen van een dwangbevel in rekening gebracht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:40
Gemeentewet 231
Invorderingswet 1990 1
Invorderingswet 1990 8
Kostenwet invordering rijksbelastingen 1
Kostenwet invordering rijksbelastingen 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2004, 145
Belastingblad 2004/427
V-N 2004/13.19 met annotatie van Redactie
FutD 2004-0112
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

eerste enkelvoudige belastingkamer

nr. 02/3394 (kosten invordering)

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : [X]

te : [Z]

verweerder : de invorderingsambtenaar van de gemeente Elburg

aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaarschrift tegen in rekening gebrachte kosten van vervolging

soort belasting : onroerendezaakbelastingen

jaar : 2001

onderzoek ter zitting : op 12 augustus en 8 december 2003 te Arnhem door mr. De Kroon, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. Snoijink als griffier

waarbij verschenen : belanghebbende, alsmede op 12 augustus 2003 [A] en op 9 december 2003 [B], beiden gemeenteambtenaar, als woordvoerder van de verweerder

gronden:

1. Na de eerste zitting is de verweerder in de gelegenheid gesteld, tegenover de ge-motiveerde betwisting door belanghebbende aannemelijk te maken dat hem voor het jaar 2001 aanslagen in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Elburg voor het object plaatselijk bekend [a-weg 1] met dagtekening 30 juni 2001 zijn opgelegd en verzonden en dat hem een daarop betrekking hebbende aanmaning met dagtekening 4 maart 2002 is verzonden.

2. Van die gelegenheid heeft de verweerder gebruik gemaakt met een uit zes bladzijden bestaand faxbericht van 12 augustus 2003. Op het eerste blad daarvan deelt hij mede dat hij niet in staat is een exemplaar van de originele aanslag nr. [01] te vervaardigen. Ter zitting is namens hem toegelicht dat het door de gemeente Elburg gebruikte automatiseringssysteem het niet mogelijk maakt achteraf meer aanslaggegevens over te leggen dan in de bijlagen 3 en 4 van dat faxbericht zijn opgenomen.

3. Bijlage 3 van die inlichtingen van de verweerder bevat wel het voormelde biljetnummer en de dagtekening '30-06-2001' alsmede de juiste adressering, maar niet het totaalbedrag in guldens, een uiterste betaaldatum, de soort belasting, de hoedanigheid/hoedanigheden van de belastingplichtige, een plaatselijke en/of kadastrale aanduiding van het voorwerp van de onderhavige onroerendezaakbelastingen, de daarop toegepaste heffingsmaatstaf en het bedrag per aanslag. Bijlage 4 bevat aan wezenlijke gegevens alleen de adressering en de plaatselijke aanduiding, doch niet het biljetnummer en de dagtekening en wederom niet de ook op bijlage 3 afwezige aanslaggegevens.

4. In het van hem verlangde bewijs dat de verweerder de voormelde aanslagen aan belanghebbende heeft bekendgemaakt, is de verweerder niet geslaagd.

5. Bijgevolg kan belanghebbende niet worden gezegd in gebreke te zijn gebleven het verschuldigde bedrag tijdig te betalen, in de zin van artikel 1 van de Kostenwet invordering rijksbelastingen. Hem zijn dan ook ten onrechte € 4,- aan kosten voor het verzenden van een aanmaning en € 23,- voor het betekenen van een dwangbevel in rekening gebracht.

6. Aan dit oordeel staat noch artikel 1, lid 2, van de Invorderingswet 1990, dat onder meer artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) buiten toepassing verklaart, noch artikel 7, lid 2, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen in de weg. Deze bepalingen zouden belanghebbende eerst kunnen worden tegengeworpen indien in rechte vaststond dat de aanslagen hem wel bekend zouden zijn gemaakt zoals in artikel 8 van de Invorderingswet 1990 in verbinding met artikel 231 van de Gemeentewet is voorgeschreven. Belanghebbende betwist echter niet alleen dat het aanslagbiljet en de aanmaning zijn ontvangen, maar tevens dat zij hem zijn bekendgemaakt.

slotsom:

Het beroep is gegrond.

proceskosten:

De proceskosten van belanghebbende zijn in overeenstemming met het Besluit proceskos-ten bestuursrecht te berekenen op zijn reis- en verblijfkosten van 2´ € 28 = € 56 en zijn verletkosten van 2´ 4 uur à € 35 ofwel € 280, tezamen derhalve € 336.

beslissing:

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de verweerder alsmede de daarbij gehandhaafde in rekening gebrachte kosten van vervolging van de aanslagen met artikelnummer [01];

- gelast de gemeente Elburg aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht van € 29 te vergoeden;

- veroordeelt de verweerder in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van € 336, te vergoeden door de gemeente Elburg.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken te Arnhem op 23 december 2003 door mr. De Kroon voornoemd in tegenwoordigheid van mr. Snoijink als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(W.J.N.M. Snoijink) (M.C.M. de Kroon)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 5 januari 2004

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van het proces-verbaal van deze uitspraak het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt, is hiervoor een griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt om een schriftelijke uitspraak te verkrijgen, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.