Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2003:AO1512

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
19-12-2003
Datum publicatie
14-01-2004
Zaaknummer
00-02067
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is (..) primair in geschil of belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard in haar bezwaar en subsidiair of de omzet terecht voor een bedrag van ƒ 29.007 is gecorrigeerd (..).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2004-0102
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

elfde enkelvoudige belastingkamer

nummer 00/02067 (inkomstenbelasting)

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : [X]

te : [Z]

verweerder : de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen [P]

aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar

betreft : navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1995

nummer : […H.57]

mondelinge behandeling : op 11 december 2003 te Arnhem

waarbij verschenen : [de Inspecteur]

waarbij niet verschenen : belanghebbende, met kennisgeving aan het Hof

gronden:

1. Op verzoek van belanghebbendes echtgenoot, die als gemachtigde van belanghebbende optreedt, heeft het Hof de mondelinge behandeling van de onderhavige zaak in verband met ziekenhuisbezoek en revalidatiebehandelingen van belanghebbende vier maal achtereen uitgesteld. In alle verzoeken om uitstel heeft belanghebbendes gemachtigde verhinderperioden aangegeven en het Hof verzocht daarmee bij een nieuwe planning van de zitting rekening te houden. Het Hof heeft na ieder verzoek om uitstel rekening gehouden met bedoelde verhinderperioden.

2. De griffier van het Hof heeft op 17 september 2003 partijen de vierde uitnodiging voor de zitting (van 30 oktober 2003) gezonden. Eerst op 23 oktober 2003 heeft belanghebbendes gemachtigde verzocht om uitstel van deze zitting. De griffier van het Hof heeft belanghebbendes gemachtigde daarop bij brief van 29 oktober 2003 bericht dat een uitstelverzoek - mede gelet op de belangen van de wederpartij en van de organisatie van het Hof (voorbereiding en een nog verder oplopende vertraging in de behandeling van de procedure) - zo kort voor de zitting ongewenst is. In laatstgenoemde brief is voorts vermeld dat het verzoek om uitstel om voornoemde reden door het Hof zal worden afgewezen, tenzij belanghebbendes gemachtigde een verklaring van zijn behandelend arts zou overleggen, waaruit zou moeten blijken dat hij op de dag van de mondelinge behandeling is verhinderd. Nu belanghebbendes gemachtigde tijdig een doktersverklaring heeft overgelegd, waaruit naar het oordeel van het Hof overigens niet duidelijk is gebleken dat hij op de geplande zittingsdag een revalidatiebehandeling zou ondergaan, heeft het Hof belanghebbende bericht dat hem voor de laatste maal uitstel zou worden verleend.

3. De griffier van het Hof heeft belanghebbendes gemachtigde bij brief van 31 oktober 2003 voor de vijfde maal uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van onderhavige zaak, ditmaal op 11 december 2003. In deze uitnodiging is belanghebbendes gemachtigde medegedeeld dat zijn revalidatie niet langer in de weg kan staan aan de behandeling van de bij dit Hof aanhangig gemaakte zaken, omdat - zo is in de uitnodiging toegelicht belanghebbende en hij geruime tijd voor de geplande zittingsdag worden uitgenodigd en belanghebbendes gemachtigde derhalve ruimschoots de gelegenheid heeft om zijn afspraken bij [medisch centrum] voor revalidatie hierop af te stemmen en om de zaken tijdig voor te kunnen bereiden dan wel om de zaken desgewenst over te dragen aan een andere gemachtigde. Tenslotte heeft de griffier van het Hof belanghebbendes gemachtigde in de uitnodiging geïnformeerd omtrent de mogelijkheid om de onderhavige zaak desgewenst zonder mondelinge behandeling door het Hof te laten behandelen.

4. Naar aanleiding van voornoemde uitnodiging heeft belanghebbendes gemachtigde een brief aan het Hof gezonden waarin hij mededeelt dat hij niet op de mondelinge behandeling zal verschijnen, omdat hij nog steeds onder behandeling is. Voorts heeft hij de beslissing van het Hof om geen nader uitstel te verlenen zoals vermeld in de uitnodiging voor de zitting van 11 december 2003 - onder protest - aanvaard.

5. Gelet op de feiten en omstandigheden zoals vermeld onder de punten 1, 2 en 3 is het Hof van oordeel dat de belangen van de wederpartij en het Hof, bestaande in het voorkomen van een nog verder oplopende vertraging in de behandeling van de zaak, een nader verzoek om uitstel in de weg staan en dat derhalve aan de eisen van een goede rechtspleging is voldaan door de zitting op 11 december 2003 doorgang te laten vinden en niet voor een zesde maal aan een uitstelverzoek van belanghebbende tegemoet te komen.

6. Belanghebbende is op 1 mei 1995 een onderneming gestart onder de naam "[A]". De onderneming wordt uitgeoefend in de vorm van een eenmanszaak. In haar aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen heeft belanghebbende een winst uit onderneming verantwoord van negatief ƒ 9.470. In de bij de aangifte gevoegde jaarrekening is in de winst- en verliesrekening een netto-omzet van ƒ 17.351 opgenomen. De Inspecteur heeft naar aanleiding van een boekenonderzoek deze omzet - tot uitdrukking gebracht in de winst uit onderneming - gecorrigeerd met ƒ 29.007 en ter zake een navorderingsaanslag opgelegd. De omzetcorrectie van ¦ 29.007 bestaat uit de volgende posten:

winst- en verliesrekening aansluiten bij de boekhouding ƒ 1.772

niet verklaarde stortingen op bankrekening ƒ 8.300

niet verklaarde stortingen in kas ƒ 16.185

privé-gebruik auto ƒ 2.750

Totaal ƒ 29.007

7. Belanghebbendes gemachtigde heeft op 29 december 1999 een bezwaarschrift ingediend tegen - onder meer - de onderhavige navorderingsaanslag. In het bezwaarschrift is, voor zover in casu relevant, het volgende opgenomen:

"Tijdens het gesprek met de heer [B] hebben wij al aangegeven niet akkoord te gaan met o.a. de bijtelling voor privégebruik auto (…). Tevens berekend u verder meer omzet waardoor ook het verlies minder zou worden. Wij gaan hiermee niet akkoord.(…) Hiervoor zullen wij (…) een opstelling de juiste omzet (…) en ook het vast te stellen belastbaar inkomen."

8. De Inspecteur heeft bij schrijven van 14 april 2000 belanghebbendes gemachtigde bericht dat het bezwaarschrift niet nader is gemotiveerd en heeft hem voorts gewezen op de mogelijkheid gehoord te worden. In reactie daarop heeft belanghebbendes gemachtigde verzocht om een hoorgesprek te plannen. Dit geplande hoorgesprek heeft op verzoek van belanghebbendes gemachtigde uiteindelijk niet plaatsgevonden. De Inspecteur heeft bij brief van 8 juni 2000 en 15 augustus 2000 belanghebbendes gemachtigde nogmaals in de gelegenheid gesteld zijn standpunt ter zake van onderhavige navorderingsaanslag uiterlijk vóór 1 oktober 2000 nader toe te lichten dan wel aan te vullen. Belanghebbende en haar gemachtigde hebben deze gestelde termijn laten verlopen.

9. De Inspecteur heeft vervolgens belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet nader motiveren van haar bezwaar.

10. Tussen partijen is kennelijk primair in geschil of belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard in haar bezwaar en subsidiair of de omzet terecht voor een bedrag van ƒ 29.007 is gecorrigeerd, hetgeen belanghebbende betwist en de Inspecteur verdedigt.

11. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht moet een bezwaarschrift de gronden van het bezwaar bevatten.

12. In het licht van de onder punt 7. weergegeven passage uit het bezwaarschrift moet het de Inspecteur duidelijk zijn geweest dat belanghebbende in bezwaar opkwam tegen de uit de omzetcorrecties, zoals weergegeven onder punt 6, voortvloeiende bijtelling van winst. Zulks in aanmerking nemende oordeelt het Hof dat belanghebbende ten onrechte wegens het niet motiveren van het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. Dat belanghebbende haar bezwaren niet heeft aangevuld zoals zij in haar bezwaarschrift aangaf, doet hieraan niet af. Het beroep is in zoverre derhalve gegrond.

13. Subsidiair voert de Inspecteur aan dat hij tijdens het boekenonderzoek en nadien in de bezwaarfase belanghebbende in de gelegenheid heeft gesteld om een nadere verklaring dan wel onderbouwing te verstrekken ter zake van de geconstateerde verschillen tussen de winst- en verliesrekening en de boekhouding over het jaar 1995, ter zake van de herkomst van diverse bankstortingen ten bedrage van in totaal ƒ 8.300 en ter zake van de herkomst van diverse stortingen in de kas ten bedrage van in totaal ƒ 16.185. Belanghebbende heeft hieraan geen gehoor gegeven. Nu geen bewijs is geleverd omtrent de voornoemde verschillen en stortingen, heeft de Inspecteur zijns inziens terecht de omzet gecorrigeerd en een navorderingsaanslag opgelegd.

14. Ingevolge artikel 47, eerste lid, aanhef en sub a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) is een ieder gehouden desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. Artikel 49, eerste lid, van de AWR bepaalt dat de gegevens en inlichtingen duidelijk, stellig en zonder voorbehoud dienen te worden verstrekt, mondeling, schriftelijk of op andere wijze -zulks ter keuze van de inspecteur- en binnen een door de inspecteur te stellen termijn.

15. In artikel 47, eerste lid, aanhef en sub b, van de AWR wordt bepaald dat een ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan - zulks ter keuze van de inspecteur - waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen.

16. Uit de gedingstukken leidt het Hof af dat belanghebbende kennelijk op basis van artikel 47, eerste lid, aanhef en sub b, van de AWR ten behoeve van het boekenonderzoek, en derhalve in verband met de belastingheffing te harer aanzien, desgevraagd boeken en bescheiden aan de Inspecteur beschikbaar heeft gesteld. Voorts leidt het Hof uit de gedingstukken af dat naar aanleiding van voornoemde boeken en bescheiden vragen zijn gerezen bij de Inspecteur, waarna hij in verband met de belastingheffing voor het onderwerpelijke jaar van belanghebbende bepaalde gegevens en inlichtingen heeft gevraagd. Aan dit verzoek is kennelijk niet binnen de daarvoor gestelde termijn voldaan (laatstelijk vóór 8 mei 2000; vgl. de brief van 14 april 2000). Voorts blijkt daaruit dat belanghebbende geen nadere inlichtingen en gegevens heeft verstrekt, anders dan de onder punt 6. vermelde passage uit het bezwaarschrift dat zij niet akkoord gaat met de bijtelling privé-gebruik auto en dat de omzetcorrectie niet juist is. Door aldus desgevraagd geen informatie te verstrekken over bepaalde bank- en kasstortingen, het privé-gebruik van de auto en de aansluitverschillen tussen de boekhouding en de winst-en verliesrekening, (hierna: diverse omzetcorrecties) heeft belanghebbende niet voldaan aan de op haar ingevolge artikel 47, eerste lid, aanhef en sub a, van de AWR rustende informatieplicht. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende het antwoord op de door de Inspecteur gestelde vragen ter zake van de diverse omzetcorrecties wel kende of dat zij zonder moeite of met zodanige moeite als redelijkerwijs van haar verwacht mocht worden zich de vereiste wetenschap voor het antwoord kon verschaffen.

17. Het hiervoor onder 14. tot en met 16. overwogene brengt ingevolge artikel 29, eerste lid, van de AWR (tekst 1995) mede dat belanghebbendes beroep wordt afgewezen, tenzij is gebleken - dat wil zeggen: door belanghebbende overtuigend is aangetoond - dat en in hoeverre de uitspraak of de belastingaanslag onjuist is.

18. Deze zogenoemde omkering van de bewijslast ontslaat de Inspecteur evenwel niet van zijn verplichting de door hem aangebrachte correcties te onderbouwen en aannemelijk te maken. Naar het oordeel van het Hof is de Inspecteur hierin geslaagd. Het Hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat de Inspecteur heeft geconstateerd dat de omzet volgens de winst- en verliesrekening in het onderhavige jaar niet aansloot bij de boekhouding. De verschillen bestonden uit ontvangsten op een [a-bank]-rekening, op een [b-bank]-rekening en ontvangsten per kas. Voorts heeft de Inspecteur een aantal stortingen op de [a-bank]-rekening en een aantal kasstortingen geconstateerd, waarvan de herkomst niet duidelijk was. De Inspecteur heeft uit deze ontvangsten en stortingen ten bedrage van in totaal ƒ 26.257 afgeleid dat belanghebbende in 1995 tot dit bedrag extra, niet aangegeven omzet heeft gegenereerd.

19. Ter zitting heeft de Inspecteur de omzetcorrectie ter zake van een kasstorting op 1 mei 1995 ten bedrage van ƒ 11.500 laten vallen, nu het zijns inziens - gelet op het feit dat de onderneming op dezelfde datum is gestart en dat het bedrag van deze storting erg hoog is vergeleken met de omvang van niet verklaarbare kasstortingen in latere jaren - niet is uitgesloten dat de betreffende kasstorting een kapitaalstorting zou kunnen zijn.

20. Het Hof is van oordeel dat de onder punt 18. en 19. weergegeven conclusies van de Inspecteur, mede gelet op het feit dat hij bij de berekening van de te corrigeren omzet rekening heeft gehouden met de debiteurenstand en dat hij de omzetcorrectie ten aanzien van de kasstorting van ƒ 11.500 heeft laten vallen, voldoende zijn onderbouwd en aannemelijk zijn gemaakt.

21. De Inspecteur heeft tenslotte de omzetcorrectie die betrekking heeft op het privé-gebruik van de auto vastgesteld op basis van artikel 42, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Ingevolge dit artikel wordt bij het bepalen van de winst uit onderneming de aan het houden van een personenauto verbonden kosten geacht tot een bedrag van ten minste twintig percent van de catalogusprijs van de auto niet te zijn gemaakt ten behoeve van de onderneming. Ook deze omzetcorrectie, die rechtstreeks voortvloeit uit een wettelijke bepaling, is naar het oordeel van het Hof door de Inspecteur voldoende onderbouwd en aannemelijk gemaakt.

22. Belanghebbende heeft op haar beurt geen feiten of omstandigheden gesteld, waaruit zou kunnen volgen dat de onder punten 18. tot en met 21. vermelde conclusies onjuist zijn.

23. Het vorenoverwogene leidt het Hof tot de eindconclusie dat de Inspecteur de winst uit onderneming tot een te hoog bedrag heeft gecorrigeerd en dat deze verminderd dient te worden met een bedrag van ƒ 11.500. Het beroep is derhalve gedeeltelijk gegrond.

proceskosten:

In beroep is niet gebleken van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en ook overigens niet van kosten die volgens artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht kunnen worden begrepen in een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

beslissing:

Het Gerechtshof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

- vermindert de onderhavige navorderingsaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van € 14.806 (ƒ 32.629);

- gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht van € 27,22 (ƒ 60).

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2003 door mr. C.M. Ettema, lid van de elfde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. I. Linssen als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier,

(I. Linssen)

Het lid van de voormelde kamer is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.

Afschriften van dit proces-verbaal zijn aangetekend per post verzonden op 24 december 2003

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het Gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.