Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2003:AO1457

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
24-12-2003
Datum publicatie
15-01-2004
Zaaknummer
03/00026
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Na verwijzing is tussen partijen in geschil of de vrijvalwinst pensioenverplichting ad ƒ 3.315.173 ter belastingheffing aan de Nederlandse Antillen (standpunt belanghebbende) dan wel aan Nederland (standpunt Inspecteur) is toegewezen. Verder is in geschil of de salarisstijgingen van de heer en mevrouw [B/Y] ad ƒ 160.000 als vermomde uitdelingen van winst moeten worden aangemerkt en uit dien hoofde niet aftrekbaar zijn voor de vennootschapsbelasting.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 4, geldigheid: 2003-12-24
Pensioen- en spaarfondsenwet, geldigheid: 2003-12-24
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 8, geldigheid: 2003-12-24
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 15, geldigheid: 2003-12-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2004, 112 met annotatie van Romijn
FutD 2004-0097 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2004/15.1.6

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

tweede meervoudige belastingkamer

nummer 03/00026 (vennootschapsbelasting)

U i t s p r a a k

op het beroep - na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden - van [X] Beheer BV te [Z] (België) (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen [P] (hierna: de Inspecteur).

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch en in cassatie

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1994 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 2.195.572. De aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd. Tegen die uitspraak is belanghebbende in beroep gekomen bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

1.2. Bij zijn uitspraak van 2 juli 2001, nr. 97/20782, heeft het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard en de bestreden uitspraak bevestigd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Gerechtshof te

's-Hertogenbosch beroep in cassatie ingesteld. Bij arrest van 20 december 2002, nr. 37.448 heeft de Hoge Raad der Nederlanden genoemde uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch vernietigd en het geding naar dit Hof verwezen ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad.

2. Geding na verwijzing

2.1. Dit Hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld naar aanleiding van het arrest een schriftelijke conclusie in te zenden. Na verleend uitstel hebben partijen gereageerd, de Inspecteur bij schrijven van 4 april 2003, belang-hebbende bij schrijven van 18 februari 2003.

2.2. Ter zitting van 8 oktober 2003 te Arnhem zijn verschenen [belanghebbendes gemachtigde], tot zijn bijstand vergezeld door [A], alsmede [de Inspecteur]. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd. Belanghebbende heeft ter zitting voorts een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch met dagtekening 2 juli 2001 (nr. 97/21454) overgelegd, betreffende een beroep van [B] tegen een aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en premieheffing volksverzekeringen voor het jaar 1994. De pleitnota alsmede voormelde uitspraak worden tot de gedingstukken gerekend.

3. Feiten

3.1. Het Hof verwijst voor de tussen partijen vaststaande feiten naar de door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch in zijn in 1.2. bedoelde uitspraak onder 2. als vaststaand aangemerkte feiten. Ter aanvulling daarop kan na verwijzing mede van het volgende worden uitgegaan.

3.2. De directiewijziging per 15 december 1993, waarbij [C-Trust] en de heer [D] tot directeuren van [X] Pensioen BV zijn benoemd, is ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken [te PP] (dossiernummer [01]). Eveneens op 15 december 1993 is [X] Pensioen BV ingeschreven in het Handelsregister te [R] (Nederlandse Antillen) als buitenlandse rechtsvorm met hoofdvestiging te [R] (Nederlandse Antillen).

3.3. In de brief van 13 juli 1994, genoemd in rechtsoverweging 2.11 van de uitspraak van het Gerechtshof te Hof 's-Hertogenbosch, waarbij de gemachtigde van belanghebbende zich tot de Inspecteur richt, is - naast het eerder weergegeven gedeelte - onder meer nog het volgende opgenomen:

"3. BEREKENING VAN DE VRIJ TE STELLEN WINST

U bent van mening dat de berekening van de in Nederland vrij te stellen winst op de volgende wijze dient te geschieden.

3.1 De winstbepaling van [X] Pensioen B.V. geschiedt met inachtneming van de regels van goedkoopmansgebruik.

3.2 Gedurende de opbouwperiode van de pensioenen dient de actuarieel berekende pensioenvoorziening per ultimo van het jaar via jaarlijks gelijkblijvende bedragen opgerent te worden naar de lineaire waarde per ultimo van dat jaar. Deze oprenting wordt als verlies aangemerkt.

3.3 Over het positieve saldo van 3.1 en 3.2 wordt in Nederland de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting berekend."

Na een op dit gedeelte volgende cijferopstelling is de volgende passage opgenomen: "Bij het bovenstaande wordt opgemerkt dat ten aanzien van de gehanteerde cijfers geen overeenstemming bestaat. Dit zal bij de aanslagregeling aan de orde komen."

De Inspecteur heeft deze brief voor accoord getekend.

3.4. Op 24 november 1994 is te [R], Nederlandse Antillen, een algemene vergadering van aandeelhouders van [X] Pensioen BV gehouden. Aanwezig tijdens deze vergadering waren [D] (voorzitter), de heer [A] (secretaris) alsmede [de heer en mevrouw B/Y]. In deze vergadering wordt het jaarverslag 1993 vastgesteld en wordt besloten het resultaat over het boekjaar 1993 toe te voegen aan de reserves van de vennootschap. Tevens wordt in het verslag vastgelegd dat nog wordt onderzocht of de vennootschap verplicht is tot deponering van de jaarstukken.

3.5. Op 9 december 1994 heeft [A], verbonden aan [E] Belastingadviseurs, in algemene zin een brief aan de Verzekeringskamer te [S] geschreven met de vraag of het afstand doen van pensioenrechten door een pensioengerechtigde in strijd is met de Pensioen- en spaarfondsenwet en/of de daarbij behorende regelgeving.

3.6. Bij brief van 23 december 1994 heeft de Verzekeringskamer geant-woord dat zulks niet het geval is.

3.7. De in rechtsoverweging 2.14 van de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch bedoelde brief van 30 december 1994, waarin [de heer en mevrouw B/Y] afstand doen van pensioenrechten, is door de beide pensioengerechtigden getekend te [PP], Nederland. De brief is op dezelfde dag per fax verzonden aan [D] te [R], Nederlandse Antillen. De door [D] ondertekende fax is naar het faxadres te [PP], Nederland, geretourneerd en is op 30 december 1994 geregistreerd bij de Belastingdienst Registratie en Successie te [T], Nederland.

3.8. De aangifte Antilliaanse winstbelasting 1993 van [X] Pensioen BV voor de Antilliaanse Belastingdienst is gedaan door [D] en ondertekend op 9 januari 1995. Deze aangifte vermeldt een negatief resultaat in Nederlandse guldens van ƒ 4.197 bestaande uit rente-opbrengsten ƒ 588 en indirecte uitgaven (indirect expenses) van ƒ 4.785. De dienaangaande door belanghebbende overlegde bescheiden bevatten geen enkel gegeven omtrent een in eigen beheer uitgevoerde pensioenvoorziening.

3.9. Bij brief van 1 november 1995 heeft de Inspecteur de gemachtigde van belanghebbende in kennis gesteld van zijn gewijzigde opvatting met betrekking tot artikel 16 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en tot de zetelverplaatsing naar het buitenland van een tot op dat moment in Nederland gevestigde dochtermaatschappij die voor de heffing van vennootschapsbelasting is opgenomen in een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

3.10. Door [X] Pensioen BV zijn in de jaren 1994 en 1995 diverse bedragen aan [C-Trust] en [D], beiden gevestigd/woonachtig te [R], Nederlandse Antillen, betaald inzake een beloning voor directievoering en vergoeding van door betrokkenen in het kader daarvan gemaakte kosten.

4. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

4.1. Na verwijzing is tussen partijen in geschil of de vrijvalwinst pensioenverplichting ad ƒ 3.315.173 ter belastingheffing aan de Nederlandse Antillen (standpunt belanghebbende) dan wel aan Nederland (standpunt Inspecteur) is toegewezen. Verder is in geschil of de salarisstijgingen van de heer en mevrouw [B/Y] ad ƒ 160.000 als vermomde uitdelingen van winst moeten worden aangemerkt en uit dien hoofde niet aftrekbaar zijn voor de vennootschapsbelasting.

4.2. Ter zitting heeft de Inspecteur het geschil aangaande de salaris-stijgingen annex vermomde uitdelingen van winst ingetrokken zodat het geschil zich beperkt tot de fiscale behandeling van voormelde vrijvalwinst pensioenverplichting.

4.3. Het Hof verwijst voor de standpunten van partijen voorts naar de stukken van het geding.

4.4. Voor hetgeen partijen ter zitting (- naast de inhoud van voormelde pleitnota's -) overigens hebben opgemerkt, wordt verwezen naar het ter zake opgemaakte en aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Gezien de primaire standpunten van zowel belanghebbende als de Inspecteur, dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de feitelijke leiding van [X] Pensioen BV met ingang van 15 december 1993 en ook voor het onderhavige jaar 1994 naar de Nederlandse Antillen is verplaatst, hetgeen de Inspecteur bestrijdt doch belanghebbende bevestigend beantwoordt. Het Hof verwerpt het standpunt van de Inspecteur dat de Hoge Raad het oordeel van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch - te weten: dat te dien aanzien sprake zou zijn van een schijnhandeling - volledig in tact zou hebben gelaten. In overweging 3.6 van zijn arrest van 20 december 2002 (nr. 37.448) stelt de Hoge Raad in zijn verwijzingsopdracht met zoveel woorden dat verwijzing moet volgen voor hernieuwd onderzoek van de zaak in volle omvang. In de visie van het Hof dient het geschil daarmee fiscaal-inhoudelijk integraal aan een nieuwe beoordeling door dit Hof te worden onderworpen. Mede uit rechtsoverweging 3.3. van genoemd arrest volgt dat ook het hiervoor bedoelde oordeel als zodanig niet in stand is gelaten.

5.2. Het Hof verwerpt voorts het standpunt van de Inspecteur als zou er ten aanzien van de beoogde plaats van de feitelijke leiding van [X] Pensioen BV, van de zijde van belanghebbende sprake zijn van een schijnhandeling. In de visie van het Hof kan niet worden ontkend dat er door [X] Pensioen BV diverse activiteiten op de Nederlandse Antillen zijn ontplooid. Daarvan uitgaande is vervolgens de vraag aan de orde of in dit verband relevante feiten en omstandigheden tot de constatering leiden dat de feitelijke leiding van [X] Pensioen BV al dan niet met ingang van 15 december 1993 naar de Nederlandse Antillen is verplaatst.

5.3. Het Hof is van oordeel dat op grond van een aantal relevante feiten en omstandigheden aannemelijk is dat de feitelijke leiding van [X] Pensioen BV met ingang van 15 december 1993 naar de Nederlandse Antillen is verplaatst. Het Hof acht daarvoor onder meer de volgende feiten en omstandigheden redengevend:

- de directiewisseling waarbij de bestuurders de heer en mevrouw [B/Y] zijn vervangen door [C-Trust] N.V. gevestigd te [R], Nederlandse Antillen, en [D], wonende te [R], Nederlandse Antillen;

- de blijkens het directiereglement van 15 december 1993 aan de hiervoor genoemde bestuurders [C-Trust] N.V. gevestigd te [R], Nederlandse Antillen, en [D], wonende te [R], Nederlandse Antillen, toekomende algemene volmacht van de aandeelhouders om als directeur van de vennootschap ([X] Pensioen BV) naar eigen bevoegdheid en inzicht te handelen alsmede een verplichting om het vermogen van de vennootschap op een verantwoorde wijze te beleggen;

- de toekenning van managementfees en kostenvergoedingen aan genoemde bestuurders;

- de in genoemde periode op de Nederlandse Antillen plaatsgevonden algemene vergadering van aandeelhouders van [X] Pensioen BV;

- de op de Nederlandse Antillen opgemaakte jaarrekening van [X] Pensioen BV over genoemde periode;

- het onderworpen zijn van [X] Pensioen BV vanaf 15 december 1993 - en ook voor het jaar 1994 - aan Antilliaanse winstbelasting, waarvoor te dier zake op de Nederlandse Antillen ook aangifte werd gedaan;

- de op de Nederlandse Antillen bij een daar gevestigde bankinstelling aangehouden beleggingen in het kader van beheer van pensioengelden.

Overigens merkt het Hof op dat nu het overbrengen van de feitelijke leiding van [X] Pensioen BV naar de Nederlandse Antillen niet leidt tot een verbreking van de fiscale eenheid, belanghebbende geacht moet worden haar onderneming mede te drijven met behulp van een vaste inrichting op de Nederlandse Antillen.

5.4. Het Hof vermag de Inspecteur tenslotte niet te volgen in diens standpunt als zou de directie van [X] Pensioen BV slechts als een marionet van de aandeelhouders fungeren. De aanwezigheid van een algemene volmacht om de zaken van de vennootschap te behartigen alsmede de eigen wijze waarop het beleggingsbeleid inhoud kan worden gegeven illustreren in de visie van het Hof dat het tegendeel het geval is. De omstandigheid dat de directie voor specifieke, in het directiereglement genoemde transacties, toestemming nodig heeft de aandeelhouders, doet volgens het Hof niet af aan de vaststelling dat de feitelijke leiding van [X] Pensioen BV met ingang van 15 december 1993 naar de Nederlandse Antillen is verplaatst.

5.5. Gezien het vorenstaande behoeft het beroep van belanghebbende op opgewekt vertrouwen van de zijde van de Inspecteur (deze zou hebben ingestemd met het feit dat de feitelijke leiding van [X] Pensioen BV met ingang van 15 december 1993 naar de Nederlandse Antillen zou zijn verplaatst) geen behandeling.

5.6. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord in hoeverre het pensioenbedrijf van [X] Pensioen BV, ondanks het verplaatsen van de werkelijke leiding van de vennootschap naar de Nederlandse Antillen, in Nederland is achtergebleven. Deze vraag wordt door belanghebbende ontkennend doch door de Inspecteur bevestigend beantwoord.

5.7. Het Hof is van oordeel dat het standpunt van de Inspecteur dat het pensioenbedrijf van [X] Pensioen BV in Nederland is achtergebleven aannemelijk is. Het Hof acht daarvoor onder meer de volgende feiten en omstandigheden redengevend:

- het directiereglement zoals dit door de nieuwe bestuurders van [X] Pensioen BV op 15 december 1993 is getekend, vermeldt in het geheel niets over bemoeienissen van de bestuurders aangaande de uitvoering van pensioenovereenkomsten zoals die op [X] Pensioen BV rusten;

- het afzien van pensioen door de heer en mevrouw [B/Y] heeft op 30 december 1994 te [PP] (Nederland) plaatsgevonden;

- onderzoek namens [X] Pensioen BV over het afzien van pensioen in relatie tot de Pensioen- en spaarfondsenwet heeft vanuit Nederland plaatsgevonden;

- de diverse pensioenberekeningen aangaande het benodigde pensioen-vermogen, ook na de doorgevoerde salarisverhogingen, zijn in Nederland uitgevoerd en niets wijst erop dat daartoe vanuit de Nederlandse Antillen opdracht is gegeven;

- in de aangifte Antilliaanse winstbelasting 1993 is op basis van de door belanghebbende overgelegde stukken niets terug te vinden omtrent een bij [X] Pensioen BV aanwezige pensioenvoorziening in eigen beheer;

- uit niets blijkt dat de besluiten van de algemene vergadering van aandeelhouders van belanghebbende van 13 juli 1994 betreffende een verhoging van de salarissen van de heer en mevrouw [B/Y] tot ƒ 200.000 per jaar, ter kennis zijn gebracht aan de bestuurders van [X] Pensioen BV op de Nederlandse Antillen welk gegeven toch onmisbaar was ter uitvoering van de pensioenovereenkomst door [X] Pensioen BV.

Aan het vorenstaande oordeel doet niet af dat de brief van 30 december 1994, waarin de heer en mevrouw [B/Y] afstand doen van hun pensioenrechten, bij wege van een fax door [D] voor akkoord is getekend. Dit oordeel wordt bovendien gesteund door de beslissingen van Hoge Raad en Gerechtshof te 's-Gravenhage in de zaak die is beslist bij het arrest HR 22 mei 2002, nr. 37 220, BNB 2002/320.

5.8. Het Hof vermag belanghebbende verder niet te volgen in haar standpunt dat er op bestuursniveau in 1994 ten aanzien van de pensioen-activiteiten geen enkele activiteit plaats zou hebben gevonden. De hiervoor onder 4.7. weergegeven feiten en omstandigheden - waaronder de aanpassing van de pensioenvoorzieningen aan de gestegen salarissen van de heer en mevrouw [B/Y] alsmede de activiteiten rondom het afstand doen van de pensioenrechten door genoemde personen - brengen het Hof tot het oordeel dat van pensioenactiviteiten in Nederland wel degelijk sprake was.

5.9. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de door de Inspecteur voor akkoord getekende brief van 13 juli 1994, opgesteld door [E] Belastingadviseurs te [T], een gerechtvaardigd vertrouwen bij belanghebbende heeft kunnen opwekken dat, zelfs indien sprake zou zijn van de aanwezigheid van een pensioenbedrijf van belanghebbende in Nederland, de belasting over de vrijval van de pensioenvoorziening als gevolg van het afstand doen van pensioenrechten door de heer en mevrouw [B/Y] aan de Nederlandse Antillen zou zijn toegewezen, hetgeen door belanghebbende bevestigend en door de Inspecteur ontkennend wordt beantwoord.

5.10. Het Hof wijst het beroep van belanghebbende op het vertrouwens-beginsel af. Redengevend daarvoor acht het Hof allereerst dat in genoemde brief van 13 juli 1994 slechts wordt gesproken over de winstberekening bij [X] Pensioen BV met inachtneming van de regels van goed koopmansgebruik alsmede berekening van de pensioenvoorziening gedurende de opbouwperiode. De vrijval van de pensioenvoorziening manifesteert zich evenwel niet in de opbouwperiode, het gaat hierbij immers om afbraak en opheffing van de pensioenvoorziening. Bovendien wordt de berekening van de vrijvalwinst als gevolg van het afstand doen van pensioenrechten niet beheerst door de regels van goed koopmansgebruik maar vormt zulks onderdeel van de totaalwinstleer.

5.11. Naar het oordeel van het Hof komt aan belanghebbende evenmin een beroep op het vertrouwensbeginsel toe omdat belanghebbende daartoe in haar benadering naar de Inspecteur zelf dient te handelen op basis van hetgeen de goede trouw in het maatschappelijk verkeer met zich meebrengt. Goede trouw impliceert in dit verband eveneens dat belanghebbende bij het door haar in dezen voorgestane samenstel van rechtshandelingen - resulterend in het ten laste van de vennootschapsbelasting in Nederland brengen van omvangrijke pensioenlasten en een beoogde belastingvrije vrijval van de pensioenverplichting zowel in Nederland als op de Nederlandse Antillen -jegens de Inspecteur volledige openheid van zaken verschaft. Belanghebbende heeft in genoemde brief van 13 juli 1994 slechts een deel van het relevante feitencomplex aan de Inspecteur geopenbaard. Op 30 juni 1994 was immers in de algemene aandeelhoudersvergadering van belanghebbende reeds besloten tot het verhogen van de salarissen van de heer en mevrouw [B/Y] tot ƒ 200.000 per jaar met als gevolg een zeer omvangrijke backserviceverplichting gerelateerd aan de aan genoemde personen toegekende pensioenen. Bovendien acht het Hof in redelijkheid niet voor twijfel vatbaar dat bij de aandeelhouders van belanghebbende op 13 juli 1994 reeds het voornemen bestond, ingegeven door de terzake deskundige fiscale bijstand, om vóór 1 januari 1995 met het oog op de gewijzigde fiscale regelgeving (Brede Herwaardering) om afstand van hun pensioenrechten te doen. Bovengenoemde feiten en omstandigheden zijn in de visie van het Hof van een zodanig gewicht dat deze gegevens in de hiervoor bedoelde brief van 13 juli 1994 gericht aan de Inspecteur aan deze niet hadden mogen worden onthouden.

5.12. Het Hof merkt dienaangaande op dat

- de opbouw van de pensioenvoorziening ten laste van de heffing van vennootschapsbelasting in Nederland, in combinatie met

- de afstand van pensioenrechten op 30 december 1994 die in de visie van belanghebbende tot geen enkele vorm van belastingheffing zou leiden, niet in Nederland en niet op de Nederlandse Antillen, gevoegd bij

- de verhoging van het salaris van de heer en mevrouw [B/Y] in 1994 tot ƒ 200.000 per jaar waarbij blijkens de algemene vergadering van aandeelhouder van belanghebbende van 30 juni 1994 het voornoemd salarissen pas in de maand december 1994 aan betrokkenen betaalbaar wordt gesteld, in het licht van

- de omstandigheid dat het salaris van de heer en mevrouw [B/Y] met ingang van 1 januari 1995 op nihil wordt gesteld, en van

- de omstandigheid dat de feitelijke leiding van [X] Pensioen BV met ingang van 1 januari 1996 weer terug naar Nederland wordt verplaatst

duidt op een samenstel van rechtshandelingen die ingegeven zijn door fiscale overwegingen doch overigens maatschappelijke relevantie ontberen. Voor een gerechtvaardigd beroep van belanghebbende op door de Inspecteur opgewekt vertrouwen kan alsdan alleen sprake zijn indien belanghebbende tot een 'full disclosure' van de voorgenomen opzet van de diverse rechthandelingen naar de Inspecteur toe zou zijn overgegaan hetgeen evenwel zoals hiervoor is overwogen in dezen niet het geval is.

5.13. Gezien het bovenstaande is de belastingheffing over de vrijvalwinst van de pensioenvoorzieningen in eigen beheer in de visie van het Hof ter belastingheffing aan Nederland toegewezen en kunnen de overige over en weer door partijen ingenomen standpunten verder onbehandeld blijven.

5.14. Het Hof constateert dat de Inspecteur bij het opleggen van de aanslag kennelijk een omissie heeft begaan. De brief van de Inspecteur inzake afwijking van de aangifte (dagtekening 31 december 1996) spreekt over een vastgesteld belastbaar bedrag van ƒ 2.195.563; hetgeen cijfermatig op basis van de door de Inspecteur aangebrachte correcties juist is. Blijkens een afschrift van het aanslagbiljet vennootschapsbelasting 1994 is het belastbaar bedrag door de Inspecteur evenwel vastgesteld op ƒ 2.195.572. Het Hof gaat in het vervolg dan ook uit van het eerstvermelde belastbare bedrag.

6. Proceskosten

Nu de uitspraak van de Inspecteur moet worden vernietigd en de aanslag verminderd, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van proceskosten. Blijkens het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 20 december 2002, nr. 37.448 behoort dit Hof (het verwijzingshof) tevens te beoordelen of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Gerechtshof 's-Hertogenbosch een vergoeding dient te worden toegekend. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage van het Besluit opgenomen tarief op:

- procedure Gerechtshof te 's-Hertogenbosch: 2,5 (proceshandelingen: beroepschrift, conclusie van repliek, verschijnen ter zitting) × 2 (wegingsfactor gewicht van de zaak) × € 322, ofwel € 1.610;

- onderhavige procedure: 1,5 (proceshandelingen: conclusie na verwijzing en verschijnen ter zitting) × 2 (wegingsfactor gewicht van de zaak) × € 322, ofwel € 966.

7. Beslissing

Het Gerechtshof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 2.035.563;

- gelast de Staat het gestorte griffierecht ad € 27,23 (ƒ 60) aan belanghebbende aangaande de procedure bij het Gerechtshof te

's-Hertogenbosch te vergoeden; en

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 2.576 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen.

Aldus gedaan te Arnhem op 24 december 2003 door mr. Van Schie, voorzitter, mr. Ettema en prof. dr. Meussen, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. Delnooz-Engels als griffier.

(J.H.M. Delnooz-Engels.) (P.M. van Schie)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 24 december 2003

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroep-schrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt, is een griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.