Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2003:AN8480

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-10-2003
Datum publicatie
19-11-2003
Zaaknummer
03/098
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In het onderhavige geschil gaat het – kort samengevat – om de vraag of [appellant] recht heeft op betaling door Hoogstede Holding van een bedrag van € 97.007,77 (oorspronkelijk ƒ 213.777,-) uit hoofde van een “garantieverklaring” (productie 1 bij conclusie van eis, verder: “de garantieverklaring”) die op 30 juni 1997 door Hoogstede Holding aan [appellant] is “afgegeven” en die [appellant] het recht gaf om in bepaalde gevallen de 4,75% van de aandelen die hij had in De Lelie Holding B.V. terug te verkopen aan Hoogstede Holding voor een bedrag gelijk aan de verwervingsprijs van die aandelen (ƒ 213.777,-).(...)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

28 oktober 2003

eerste civiele kamer

rolnummer 03/098

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr. P.C. Plochg,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Hoogstede Holding B.V.,

gevestigd te Doorwerth, gemeente Renkum,

geïntimeerde,

procureur: mr. N.L.J.M. Rijssenbeek.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de vonnissen van de rechtbank te Arnhem van 27 december 2001 en 7 november 2002, gewezen tussen appellant (hierna te noemen: “[appellant]”) als eiser in conventie, verweerder in reconventie en geïntimeerde (hierna te noemen: “Hoogstede Holding”) als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie. Die vonnissen zijn in fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 6 januari 2003 aangezegd van voornoemd vonnis van 7 november 2002, voor zover in conventie gewezen, in hoger beroep te komen, met dagvaarding van Hoogstede Holding voor dit hof, en heeft daarbij geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat, het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, Hoogstede Holding alsnog zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] te voldoen de hoofdsom ten bedrage van € 97.007,77 (oorspronkelijk groot ƒ 213.777,-), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 21 juli 2001 althans vanaf de dag der dagvaarding in prima, alsmede de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 1.542,85 (oorspronkelijk groot ƒ 3.400,-), en Hoogstede Holding zal veroordelen in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] één grief geformuleerd en toegelicht en heeft hij geconcludeerd tot persistit.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft Hoogstede Holding verweer gevoerd, heeft zij bewijs aangeboden en heeft zij geconcludeerd (zo leest het hof:) dat het hof het bestreden vonnis, al dan niet met aanvulling van rechtsgronden, zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep.

2.4 Vervolgens hebben partijen ter zitting van het hof van 2 oktober 2003 de zaak doen bepleiten, [appellant] door mr. J.J.M. Goumans, advocaat te Maastricht, en Hoogstede Holding door mr. R.J.M.C. Rosbeek, advocaat te Sittard; beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht.

2.5 Na het pleidooi is de uitspraak bepaald op 16 december 2003.

3 De vaststaande feiten

Nu geen grieven zijn aangevoerd tegen de vaststelling door de rechtbank van de in het bestreden vonnis onder “Vaststaande feiten” (blz. 2/3) genoemde feiten, gaat ook het hof van die feiten uit.

4 De beoordeling van het geschil in hoger beroep

4.1 In het onderhavige geschil gaat het – kort samengevat – om de vraag of [appellant] recht heeft op betaling door Hoogstede Holding van een bedrag van € 97.007,77 (oorspronkelijk ƒ 213.777,-) uit hoofde van een “garantieverklaring” (productie 1 bij conclusie van eis, verder: “de garantieverklaring”) die op 30 juni 1997 door Hoogstede Holding aan [appellant] is “afgegeven” en die [appellant] het recht gaf om in bepaalde gevallen de 4,75% van de aandelen die hij had in De Lelie Holding B.V. terug te verkopen aan Hoogstede Holding voor een bedrag gelijk aan de verwervingsprijs van die aandelen (ƒ 213.777,-). Bij de beantwoording van die vraag dient in aanmerking te worden genomen dat De Lelie Holding B.V. na 30 juni 1997 in het kader van een herstructurering is opgevolgd door De Lelie Textile Services Holding B.V. en dat [appellant] en Hoogstede Holding in dat verband, voor zover hier relevant, zijn overeengekomen dat de tussen hen gemaakte “afspraken [tussen partijen staat vast dat bedoeld is: de rechten en verplichtingen op grond van de garantieverklaring, toev. hof] zullen worden vervangen door gelijkwaardige afspraken, toegesneden op de nieuwe situatie” (artikel 13 van de “overeenkomst op hoofdlijnen” van 23 december 1998; productie 2 conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie, verder: “de overeenkomst van 1998”).

4.2 Vaststaat tussen partijen dat [appellant] zijn in de garantieverklaring vervatte recht om zijn aandelen in De Lelie Holding B.V. in bepaalde gevallen aan Hoogstede Holding terug te verkopen heeft verkregen in het kader van de onderhandelingen over de verlenging van zijn arbeidsovereenkomst met De Lelie Beheer B.V. Aan [appellant] – die op dat moment naast bezoldigd directeur van De Lelie Beheer B.V. tevens onbezoldigd statutair directeur van De Lelie Holding B.V. was – is deze toezegging door Hoogstede Holding immers gedaan om hem over te halen om zijn arbeidscontract te verlengen (zie o.m. conclusie van antwoord in conventie, blz. 2, en m.n. de onweersproken stellingen bij memorie van grieven onder 7). Blijkens de formulering van de garantieverklaring is – in overeenstemming hiermee – Hoogstede Holding deze verplichting ook voorwaardelijk aangegaan, te weten voor het geval dat “de bestaande arbeidsovereenkomst na september 1997 wordt voortgezet”. Vaststaat tussen partijen dat deze arbeidsovereenkomst na september 1997 is voortgezet, zodat eveneens vaststaat – hetgeen op zichzelf ook niet door Hoogstede Holding wordt betwist – dat [appellant] vanaf dat moment rechten aan de garantieverklaring is gaan ontlenen.

4.3 Hoogstede Holding heeft betoogd dat haar in de garantieverklaring vervatte verplichting is vervallen als gevolg van de herstructurering krachtens de overeenkomst van 1998, omdat [appellant] vanaf dat moment geen 4,75% aandelen in De Lelie Holding B.V. meer had maar 1,9 % certificaten in De Lelie Textile Services Holding B.V., [appellant] derhalve niet meer aan de in de garantieverklaring opgenomen voorwaarden kon voldoen en partijen daarom tot de in artikel 13 van de overeenkomst van 1998 vervatte afspraak zijn gekomen (zie conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie, tevens houdende akte vermindering van eis, blz. 6, en memorie van antwoord, blz. 8/9). Het hof kan Hoogstede Holding in dit betoog niet volgen. Artikel 13 van de overeenkomst van 1998 luidt – volledig geciteerd – als volgt:

“Alle garanties en vrijwaringen tussen diverse partijen onderling en/of betrekking hebbend op de transactie d.d. 4 oktober 1996 komen te vervallen, met dien verstande dat de tussen Hoogstede Holding en [appellant] gemaakte afspraken zullen worden vervangen door gelijkwaardige afspraken, toegesneden op de nieuwe situatie.”

Voorop moet worden gesteld dat het voor de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (vgl. HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635). De uitleg van voornoemd artikel 13 wordt in belangrijke mate bepaald door de onder 4.2 geschetste achtergrond van de garantieverklaring, alsmede door de bij gelegenheid van de pleidooien voor dit hof door [appellant] geponeerde – en door Hoogstede Holding niet althans onvoldoende weersproken – stelling dat ten tijde van de ondertekening van de overeenkomst van 1998 door een der aanwezige partijen (niet zijnde [appellant] of Hoogstede Holding) is voorgesteld aan de tekst van het contract toe te voegen dat alle garanties en vrijwaringen betrekking hebbend op de transactie van 4 oktober 1996 zouden vervallen en dat hij, [appellant], toen “zijn hand heeft opgestoken” en heeft gezegd dat dat niet zou moeten gelden voor de tussen hem en Hoogstede Holding geldende garantie, waarover alle aanwezigen inclusief Hoogstede Holding het eens waren, waarna (het handgeschreven gedeelte van) artikel 13 is aangevuld met de toevoeging: “met dien verstande …”. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking dat door Hoogstede Holding geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die zouden kunnen of moeten meebrengen dat [appellant] en/of Hoogstede Holding deze bepaling redelijkerwijs zo hebben mogen begrijpen dat [appellant] – zij het voorlopig tijdelijk, totdat een gelijkwaardige afspraak tot stand zou zijn gekomen – afstand deed van zijn uit de garantieverklaring voortvloeiende rechten.

4.4 Na de overeenkomst van 1998 hebben [appellant] en Hoogstede Holding gepoogd om tot afspraken te komen die gelijkwaardig waren aan de in de garantieverklaring vervatte rechten en plichten en waren toegesneden op de nieuwe situatie. Bij brief van 16 juni 1999 heeft [appellant] aan Hoogstede Holding een voorstel gedaan dat een viertal punten bevatte. Dat voorstel is door Hoogstede Holding weliswaar op 21 juni 1999 voor akkoord ondertekend geretourneerd, maar Hoogstede Holding heeft daarbij wel de vierde bepaling doorgehaald. Hoogstede Holding heeft het aanbod van [appellant] derhalve aanvaard op een wijze die van dat aanbod afweek. Dit impliceert ingevolge artikel 6:225 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (verder: “BW”) dat zij aldus doende het aanbod van [appellant] heeft verworpen en een nieuw aanbod aan [appellant] heeft gedaan. Niet is immers gesteld of is anderszins gebleken dat doorhaling door Hoogstede Holding van de vierde bepaling door partijen is beschouwd als een ondergeschikt punt als bedoeld in lid 2 van genoemde bepaling. Dit nieuwe aanbod van Hoogstede Holding aan [appellant], dat zij op 4 januari 2000 heeft herhaald (productie 3 bij conclusie van eis), is vervolgens niet binnen een redelijke tijd door [appellant] aanvaard (zie o.m. productie 6 (brief van 1 augustus 1999) en productie 3 (brief van 18 januari 2000) bij conclusie van eis), zodat het ingevolge artikel 6:221 lid 1 BW is vervallen. Ook als de brief van 14 mei 2001 namens Hoogstede Holding aan [appellant] zou kunnen worden beschouwd als een herhaling van dat aanbod, kan de acceptatie door [appellant] bij conclusie van repliek in reconventie van 20 juni 2002 niet worden gekwalificeerd als binnen redelijke tijd gedaan.

4.5 Uit het voorgaande volgt dat het [appellant] en Hoogstede Holding zelf niet is gelukt om ingevolge het bepaalde in artikel 13 van de overeenkomst van 1998 tot afspraken te komen die gelijkwaardig waren aan de in de garantieverklaring vervatte rechten en plichten en waren toegesneden op de nieuwe situatie. Het voorgaande brengt echter tevens mee dat de in de garantieverklaring vervatte rechten en plichten niet zijn vervallen. Nu deze dus zijn blijven gelden maar niet zijn toegespitst op de als gevolg van herstructering ontstane nieuwe situatie moeten zij, mede gelet op artikel 13 van de overeenkomst van 1998, naar hun strekking worden uitgelegd en aldus op de nieuwe situatie worden toegepast.

4.6 Die strekking is – toegespitst op de nieuwe situatie – dat [appellant] in de gevallen genoemd in de garantieverklaring het recht had zijn certificaten, die een belang vertegenwoordigden van 1,9% van de aandelen in De Lelie Textile Services Holding B.V., aan te bieden aan Hoogstede Holding, die – uitsluitend als alle certificaten van [appellant] zouden worden aangeboden – verplicht was deze terug te kopen voor een bedrag gelijk aan de verwervingsprijs van de oorspronkelijke aandelen in De Lelie Holding B.V., zijnde een bedrag van ƒ 213.777,-. Deze weergave van de strekking van de in de garantieverklaring vervatte rechten en plichten stemt overeen met de strekking zoals [appellant] en Hoogstede Holding die kennelijk hebben opgevat blijkens het bij brief van 16 juni 1999 door [appellant] aan Hoogstede Holding gedane voorstel – voor zover het de eerste drie punten daarvan betreft – en de reactie daarop van Hoogstede Holding.

4.7 Uit de voornoemde brief van Hoogstede Holding aan [appellant] van 14 mei 2001 blijkt niet alleen dat Hoogstede Holding zich op dat moment nog gebonden achtte aan deze in de garantieverklaring vervatte en aan de nieuwe situatie aangepaste verplichtingen, maar ook dat Hoogstede Holding zich ervan bewust was dat [appellant] eerst bepaalde procedures in acht moest nemen om de certificaten aan Hoogstede Holding te kunnen aanbieden. Dat heeft [appellant] vervolgens ook gedaan, zoals blijkt uit de brief van de voorzitter van de Stichting Administratiekantoor De Lelie II aan Hoogstede Holding van 5 juli 2001 (productie 7 bij conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie), waarin deze onder meer schrijft dat hij “namens alle certificaathouders van Stichting Administratiekantoor De Lelie II, alle door deze stichting uitgegeven, certificaten van aandelen ter overname” aanbiedt. Dit impliceert derhalve, nu [appellant] een van de certificaathouders was, dat daarbij dus mede namens [appellant] in elk geval ook alle certificaten van aandelen van [appellant] werden aangeboden aan Hoogstede Holding. Anders dan Hoogstede Holding heeft gesteld (zie o.m. conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie, tevens houdende akte vermindering van eis, blz. 5), ging het hierbij dus wel degelijk om een aanbod van onder meer [appellant] aan Hoogstede Holding. Bij brief van 10 juli 2001 (productie 5 bij conclusie van eis) heeft (de raadsman van) [appellant] jegens Hoogstede Holding vervolgens aanspraak gemaakt op betaling van een bedrag van ƒ 213.777,-.

4.8 Tussen partijen is niet in geschil dat door [appellant] aan de overige voorwaarden voor het geldend maken van zijn rechten op grond van de garantieverklaring was voldaan. [appellant] kon deze immers krachtens de garantieverklaring onder meer geldend maken “bij een faillissement van de onderneming”, en aan die voorwaarde was voldaan nu De Lelie Textile Services Holding B.V. op 18 april 2001 failliet was verklaard. Dit betekent dat Hoogstede Holding ingevolge artikel 3:37 lid 3 BW vanaf het moment waarop voornoemde brief van 5 juli 2001 haar heeft bereikt – naar mag worden aangenomen de algemeen bekende termijn van een of twee dagen nadien, nu door Hoogstede Holding niet iets anders is gesteld – een bedrag van ƒ 213.777,- aan [appellant] verschuldigd is geworden. Nu (de raadsman van) [appellant] Hoogstede Holding bij voornoemde brief van 10 juli 2001 in gebreke heeft gesteld en haar een termijn van tien dagen voor nakoming heeft gesteld maar nakoming binnen deze termijn is uitgebleven, verkeert Hoogstede Holding krachtens artikel 6:82 lid 1 BW vanaf 21 juli 2001 ter zake van haar betalingsverplichting jegens [appellant] in verzuim. Dit betekent dat [appellant] vanaf die datum ingevolge artikel 6:119 BW tevens aanspraak kan maken op de wettelijke rente. Nu Hoogstede Holding niet te kennen heeft gegeven te willen meewerken aan uitvoering van de garantieverklaring, geldt met betrekking tot de verplichting van [appellant] tot levering van de (certificaten van) aandelen dat Hoogstede Holding te dezer zake ingevolge artikel 6:58 BW in schuldeisersverzuim verkeert.

4.9 Hoogstede Holding heeft in eerste aanleg een subsidiair verweer gevoerd voor het geval dat zou worden geoordeeld “dat de afwijking in de aanvaarding door Hoogstede wél van ondergeschikt belang zou zijn”. Voor zover dit subsidiaire verweer uitsluitend voor laatstgenoemd geval zou gelden, laat het hof dit verweer buiten bespreking, nu het reeds onder 4.4 heeft overwogen dat niet is gesteld of anderszins is gebleken dat doorhaling door Hoogstede Holding van de vierde bepaling door partijen is beschouwd als een ondergeschikt punt als bedoeld in artikel 6:225 lid 2 BW. Voor zover Hoogstede Holding met dit subsidiaire verweer echter heeft bedoeld te stellen dat [appellant] geen beroep op de garantieverklaring kan doen omdat hij niet in staat was al zijn (certificaten van) aandelen aan haar aan te bieden en dat ook niet heeft gedaan (zie conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, blz. 10, en conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie, tevens houdende akte vermindering van eis, blz. 7), wordt dit verweer gelet op het onder 4.7 overwogene verworpen.

4.10 Als meer subsidiair verweer heeft Hoogstede Holding een beroep gedaan op haar opschortingsrecht ingevolge artikel 6:52 BW “ (ingeval uw Rechtbank zou oordelen, dat de niet-nakoming door [appellant] blijvend onmogelijk zou zijn)”. Ook dit verweer faalt, nu Hoogstede Holding ter zake van de levering van de (certificaten van) aandelen – zoals onder 4.8 reeds overwogen – in schuldeisersverzuim verkeert.

4.11 Uit het voorgaande volgt dat [appellant] jegens Hoogstede Holding recht heeft op betaling van een bedrag van € 97.007,77 (ƒ 213.777,-), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 juli 2001. De vordering van [appellant] ter zake van buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 1.542,85 (ƒ 3.400,-) zal, als onweersproken, eveneens worden toegewezen.

4.12 Het bewijsaanbod van Hoogstede Holding wordt als niet terzake dienend gepasseerd.

5 De slotsom

De grief slaagt. Het bestreden vonnis moet, voor zover in conventie gewezen, worden vernietigd. Hoogstede Holding zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van beide instanties worden veroordeeld.

6 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

6.1 vernietigt het tussen partijen in conventie gewezen vonnis van de rechtbank te Arnhem van 7 november 2002 en, opnieuw rechtdoende:

a. veroordeelt Hoogstede Holding om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] een bedrag te betalen van € 97.007,77, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 juli 2001 tot de dag van algehele voldoening;

b. veroordeelt Hoogstede Holding om ter zake van buitengerechtelijke kosten een bedrag van € 1.542,85 aan [appellant] te betalen;

6.2 veroordeelt Hoogstede Holding in de kosten van het geding in beide instanties, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] voor wat betreft de eerste aanleg begroot op € 2.450,- voor salaris procureur en op € 1.950,- voor verschotten en voor wat betreft het hoger beroep op € 4.218,- voor salaris procureur en op € 2.643,16 voor verschotten;

6.3 verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.4 wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van der Kwaak, Hilverda en Heemskerk en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 oktober 2003.