Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2003:AN7987

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-10-2003
Datum publicatie
12-11-2003
Zaaknummer
02-04309
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil of de voorlopige aanslag premie ziekenfondswet 2000 terecht is opgelegd.

Wetsverwijzingen
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 26
Ziekenfondswet 3d
Ziekenfondswet 15a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2004/10.1 met annotatie van Redactie
FutD 2003-2123
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

eerste meervoudige belastingkamer

nummer 02/04309(Ziekenfondswet)

U i t s p r a a k

op het beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/ Ondernemingen [P] op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aan haar opgelegde voorlopige aanslag premie Ziekenfondswet (hierna: ZFW) voor het jaar 2000.

1. Voorlopige aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

1.1. Met dagtekening 26 juni 2001 en nummer […S.00] is aan belanghebbende een voorlopige aanslag premie ZFW voor het jaar 2000 opgelegd naar een premie-inkomen van ƒ 41.200 (hierna: de aanslag). De aanslag beloopt een bedrag van ƒ 3.337.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft de aanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het hof.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend, de inspecteur een conclusie van dupliek.

1.4. Partijen hebben het hof schriftelijk toestemming gegeven zonder mondelinge behandeling van de zaak uitspraak te doen. Het hof heeft het onderzoek vervolgens op de voet van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht gesloten.

2. Feiten

Het hof stelt op grond van de stukken, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1 Belanghebbende is aangesteld als ambtenaar bij de gemeente Z].

2.2. Belanghebbende is als ambtenaar in dienst van een organisatie welke is aangesloten bij het Instituut Zorgverzekering Ambtenaren (hierna: IZA) verplicht deelnemer aan de zogenoemde IZA ziektekostenregeling. Op grond daarvan wordt een procentuele premie op haar bezoldiging ingehouden.

2.3. Belanghebbende geniet, naast haar inkomsten uit dienstbetrekking, winst uit een voor haar rekening feitelijk gedreven onderneming (het zelfstandig uitgeoefende beroep van koordirigente en organiste).

2.4. Belanghebbende heeft een verklaring ontvangen dat zij voor het jaar 2000 voldoet aan de voorwaarden voor de verplichte ziekenfondsverzekering.

2.5. Belanghebbende is verzekerde ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekeringen zelfstandigen.

2.6. Bij het verweerschrift heeft de inspecteur de tekst overgelegd van artikel 22, eerste lid, van het IZA reglement zorgverzekering (hierna: het reglement). Die bepaling luidt: "Indien een deelnemer naast zijn verplicht deelnemerschap verzekerd is ingevolge de Ziekenfondswet kan het dagelijks bestuur, op verzoek van de deelnemer, hem de uit dien hoofde verschuldigde premie restitueren tot maximaal de hoogte van de verschuldigde IZA-bijdrage".

2.7. Bij brief van 26 november 2002 heeft het IZA belanghebbende geschreven - voor zover hier van belang -:

"In dit bericht geeft u aan dat u door de belastingdienst bent aangemerkt als verplicht verzekerde ingevolge de ziekenfondswet (…).

U wilt weten wat de gevolgen zijn voor u wanneer u daadwerkelijk twee verplichte verzekeringen heeft (…).

Tevens kunt u premierestitutie bij het IZA aanvragen. De betaalde nominale en procentuele IZA-premie kunt u terugvragen (…)."

2.8. Op 4 december 2002 heeft het IZA belanghebbende - voor zover hier van belang - bericht:

"U kunt pas premierestitutie aanvragen wanneer u daadwerkelijk bent ingeschreven bij een ziekenfonds".

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil of de voorlopige aanslag premie ziekenfondswet 2000 terecht is opgelegd.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de voorlopige aanslag tot nihil. De inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Belanghebbende heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat de aanslag in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Werknemers in de marktsector die met haar vergelijkbaar zijn wat hoogte van het inkomen uit dienstbetrekking betreft, kunnen de op grond van de verplichte ziekenfondsverzekering betaalde premies verrekenen met de aanslag ziekenfondspremie. Naar haar mening ontbreekt een rechtvaardiging voor dit onderscheid tussen twee met elkaar vergelijkbare groepen van zelfstandigen.

4.2. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een op grond van artikel 14 EVRM in verbinding met artikel 1 van het eerste Protocol en artikel 26 IVBPR verboden ongelijke behandeling, moet worden vooropgesteld dat deze bepalingen niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbieden, doch alleen die welke als discriminatie moeten worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging daarvoor ontbreekt. Daarbij komt aan de wetgever een zekere beoordelingsvrijheid toe bij de beantwoording van de vraag of gevallen voor de toepassing van deze bepalingen als gelijke gevallen moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen.

4.3. Belanghebbende is gemeente-ambtenaar. Haar inkomen uit die aanstelling bedraagt minder dan de ziekenfondsgrens voor loontrekkenden. Het staat vast dat belanghebbende, ware zij geen ambtenaar geweest, verplicht verzekerd zou zijn op grond van artikel 3 ZFW. Belanghebbende heeft voorts onweersproken gesteld dat zij deelneemt aan een verplichte ziektekostenregeling (de zogenoemde IZA-regeling) en dat zij, evenals haar werkgever, een verplichte procentuele premie voor die verzekering verschuldigd is, welke op haar bezoldiging wordt ingehouden. Op grond van deze omstandigheden is het hof van oordeel dat belanghebbende op de te dezen relevante punten, te weten de hoogte van het inkomen, de verplichte deelname aan een verzekering en de verschuldigdheid van een procentuele premie, vergelijkbaar is met een werknemer in de marktsector.

4.4. Op grond van artikel 15a, vierde lid, van de ZFW wordt, voor de toepassing van het eerste lid van dat artikel, ten aanzien van degene die bij of krachtens artikel 3d, eerste lid, verzekerd is en die tevens ingevolge artikel 3 verzekerd is, de reeds uit hoofde van de dienstbetrekking betaalde procentuele premie in mindering gebracht tot maximaal de ingevolge het eerste lid verschuldigde premie.

4.5. De wetgever heeft zich, bij de invoering van de wettelijke bepalingen op grond waarvan zelfstandigen onder de ZFW werden gebracht, rekenschap gegeven van de financiële gevolgen die zulks voor een groep van zelfstandigen met zich bracht. Daarbij is, onder meer, ervan uitgegaan dat de zelfstandige die onder de ZFW kwam te vallen en die daarvóór reeds particulier verzekerd was, zijn particuliere verzekering kon beëindigen. Van een blijvende dubbele verzekering is alsdan geen sprake. Voor werknemers die reeds verplicht onder de ZFW vielen heeft de wetgever in artikel 15a, vierde lid, een oplossing geboden voor de dubbele verplichte verzekering in die zin dat de reeds betaalde ZFW-premies in mindering komen op de op te leggen aanslag. Voor een geval als dat van belanghebbende heeft de wetgever echter voor de dubbele verplichte verzekering geen oplossing geboden.

4.6. Naar het oordeel van het hof verdedigt belanghebbende op zichzelf terecht dat het vorenstaande een schending van het gelijkheidsbeginsel inhoudt. Een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor deze ongelijke behandeling is door de inspecteur niet aangedragen, en is in de geschiedenis van de totstandkoming van de onderhavige bepalingen naar het oordeel van het hof ook niet te vinden. Naar het oordeel van het hof heeft deze ongelijke behandeling echter in dezen geen rechtsgevolgen. Aan de rechtsongelijkheid wordt, anders dan in de zaak waarnaar belanghebbende in de stukken verwijst (Hof Arnhem, 12 augustus 2002, nummer 01/01310), in voldoende mate tegemoet gekomen. Deelnemers die op grond van de IZA ziektenkostenregeling verzekerd zijn en tevens ziekenfondsverzekerd zijn kunnen ingevolge artikel 22 van het reglement en zoals belanghebbende is medegedeeld in de onder 2.7. aangehaalde brief, de betaalde premie terugvragen tot maximaal de hoogte van de verschuldigde IZA-premie. Voor ingrijpen van de belastingrechter ziet het hof dan ook onvoldoende grond.

4.7. Het betoog van belanghebbende dat zij er steeds vanuit is gegaan dat de verzekering op grond van de IZA-regeling kwalificeert als ziekenfondsverzekering, dat zij veronderstelde dat zij zich derhalve niet meer bij een ziekenfonds hoefde aan te melden en dat zij hierdoor over het jaar 2000 geen premierestitutie meer kan krijgen, doet aan het voorgaande niets af en dient voor haar rekening te blijven.

4.8. De inspecteur heeft de voorlopige aanslag premie ZFW voor het jaar 2000 terecht opgelegd.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken te Arnhem op 28 oktober 2003 door, mr. drs. F.J.P.M. Haas, voorzitter, mr. drs. A.M. van Amsterdam en prof. dr. mr. J.A. Monsma, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. D.N.N. Jansen, als griffier.

(D.N.N. Jansen) (F.J.P.M. Haas)

De beslissing is per post verzonden op: 28 oktober 2003

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.