Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2003:AN7582

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
21-10-2003
Datum publicatie
06-11-2003
Zaaknummer
02-04139
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Meer in het bijzonder spitst het geschil zich toe op de vraag of de gemeente Apeldoorn is gerechtigd de wijze waarop de parkeerbelasting dient te worden voldaan te beperken tot de chipkaart.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 234
Gemeentewet 234
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2004/15.1.12
FutD 2003-2065
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

vierde enkelvoudige belastingkamer

nummer 02/04139 (parkeerbelasting)

U i t s p r a a k

op het beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de afdeling Gemeentebelastingen van de gemeente Apeldoorn (verder: de Ambtenaar) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aan hem opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Apeldoorn.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

1.1. De naheffingsaanslag met nummer [01] en dagtekening 6 juni 2002 bedraagt € 41,22 (€ 0,22 aan belasting en € 41 aan kosten van naheffing) en is belanghebbende opgelegd voor het parkeren op die datum om 14:08 uur aan de [A-weg 1 te Q] met het motorvoertuig met kenteken [AA-BB-00].

1.2. Op het bezwaar van belanghebbende heeft de Ambtenaar bij uitspraak van 1 november 2002 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

De Ambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Partijen hebben het Hof schriftelijk toestemming gegeven zonder mondelinge behandeling van de zaak uitspraak te doen. Het Hof heeft het onderzoek vervolgens op de voet van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht gesloten.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Op 6 juni 2002 om 14:08 uur stond belanghebbendes voertuig met kenteken [AA-BB-00] geparkeerd in de [a-weg te Q].

2.2. De [a-weg] is door het college van burgermeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn aangewezen als locatie waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd. Op het in onderdeel 2.1 genoemde tijdstip was terzake van het parkeren van belanghebbendes voertuig de verschuldigde parkeerbelasting niet voldaan.

2.3.1. Artikel 2 (belastbaar feit) van de Verordening Parkeerbelastingen 2002 (hierna: de Verordening) van de gemeente Apeldoorn luidt als volgt:

Onder de naam "parkeerbelastingen" worden de volgende belastingen geheven:

a. een belasting terzake van het parkeren van een voertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze;

b. een belasting terzake van een gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze.

2.3.2. Artikel 6 (Wijze van heffing en termijnen van betaling) van de Verordening luidt als volgt:

1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte en moet worden betaald bij de aanvang van het parkeren.

2. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte en moet worden betaald op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend.

3. Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald.

2.3.3. Artikel 9 (Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders) van de Verordening luidt als volgt:

Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de parkeerbelastingen.

2.4. Het in werking stellen van de parkeerapparatuur op de locatie waar belanghebbende aan de [a-weg] heeft geparkeerd is uitsluitend mogelijk door middel van een zogenaamde chipkaart.

2.5. Nadat belanghebbende op het in onderdeel 2.1 genoemde tijdstip de verschuldigde parkeerbelasting niet had voldaan, heeft de Ambtenaar deze belasting nageheven door middel van het opleggen van de onderwerpelijke naheffingsaanslag.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de onderhavige naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Meer in het bijzonder spitst het geschil zich toe op de vraag of de gemeente Apeldoorn is gerechtigd de wijze waarop de parkeerbelasting dient te worden voldaan te beperken tot - uitsluitend - de chipkaart. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Ambtenaar daarentegen bevestigend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en van de naheffingsaanslag, de Ambtenaar concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Artikel 225, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Gemeentewet bepaalt:

1. In het kader van de parkeerregulering kunnen de volgende belastingen worden geheven:

a. een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij de belastingverordening dan wel krachtens de belastingverordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze;

4.2. De onder 4.1. bedoelde parkeerbelasting wordt geheven onder meer bij wege van voldoening op aangifte (artikel 234, eerste lid, van de Gemeentewet). Als voldoening op aangifte wordt ingevolge het tweede lid, aanhef en onderdeel a, van artikel 234 van de Gemeentewet uitsluitend aangemerkt:

het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van een parkeermeter of een parkeerautomaat op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college van burgemeester en wethouders gestelde voorschriften.

4.3.Bij Besluit van 20 juni 2001, houdende wijziging van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen door het stellen van nadere regels over de wijze van heffen van de belasting, bedoeld in artikel 225, eerste lid, onder a, van de Gemeentewet (Stb. 2001, 303) is het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen gewijzigd. De wijziging bestond uit het opnemen van een nieuw artikel 1a in het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen. Dit artikel - dat met ingang van 4 juli 2001 in werking is getreden - luidt als volgt:

1.De voorschriften van het college van burgemeester en wethouders bedoeld in artikel 234, tweede lid, onder a, van de wet kunnen inhouden dat het in werking stellen van een parkeermeter of een parkeerautomaat uitsluitend langs electronische weg kan geschieden. Het college gaat daartoe slechts over indien de belastingplichtigen voldoende praktische middelen voor de voldoening op aangifte ten dienste staan.

2. In de situatie, bedoeld in het eerste lid, zal de belastingplichtige voor de voldoening op aangifte tenminste moeten kunnen kiezen tussen een rekening-gebonden chipkaart en een niet-rekening gebonden chipkaart met landelijke dekking. Voorts dienen in de lokale situatie voldoende oplaad- en verkooppunten beschikbaar te zijn.

4.4. Blijkens de aanhef van evengenoemd Besluit van 20 juni 2001 en blijkens de daarbij behorende Nota van Toelichting, vloeit de bevoegdheid om de onder 4.3. genoemde regel te stellen voort uit artikel 257 van de Gemeentewet. Laatstgenoemd artikel luidt als volgt:

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen inzake de belastingen, bedoeld in artikel 220, nadere, zo nodig afwijkende, regels worden gegeven inzake de heffing en de invordering, alsmede inzake alle gemeentelijke belastingen andere in het kader van deze paragraaf passende nadere regels ter aanvulling van de in deze paragraaf geregelde onderwerpen.

4.5. Ten aanzien van de voldoening van parkeerbelasting gelden de volgende uitgangspunten (vergelijk in dit verband de Nota van Toelichting bij het meergenoemde Besluit van 20 juni 2001, Stb. 2001, 303, blz. 4):

- De Gemeentewet bepaalt in artikel 231 dat de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Invorderingswet 1990 van toepassing zijn op de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen;

- Deze wetten kennen evenwel geen bepalingen over de wijze van betalen;

- De Gemeentewet zelf kent ook geen aanvullende of afwijkende bepaling op dat punt voor de gemeentelijke belastingen;

- Dit brengt mee dat de artikelen 6:111 en volgende van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW) over de voldoening van verbintenissen tot betaling van een geldsom van toepassing zijn.

4.6. Artikel 6:112 BW stelt als hoofdregel dat betaling moet geschieden met gangbaar geld. Het begrip "gangbaar geld" omvat primair de (chartale) betaling in munten en bankbiljetten met de hoedanigheid van wettig betaalmiddel. Een andere wijze waarop aan een verbintenis tot het betalen van een geldsom kan worden voldaan, is de girale betaling (artikel 6:114 BW). Voor de chartale betaling geldt dat wet, rechtshandeling (overeenkomst), gewoonte of redelijkheid en billijkheid aan (bepaalde vormen van) betaling in gangbaar geld in de weg kunnen staan.

4.7. Op een chipkaart kan in electronische vorm "geld" worden bijgeschreven door het opladen van de chip. Bij het betalen met de chipkaart wordt dat "electronische geld" weer van de chip afgeschreven. De betaling met de chipkaart kan niet als een zogenaamde "chartale betaling" als bedoeld in artikel 6:112 BW worden aangemerkt. Het "electronische geld" dat op de chipknip is opgeslagen is namelijk geen gangbaar geld, zoals de euromunt dat bijvoorbeeld wel is. In de Nota van Toelichting bij het in 4.3. genoemde Besluit van 20 juni 2001 wordt zonder meer ervan uitgegaan dat de chipbetaling tot de girale betaling als bedoeld in artikel 6:114 BW wordt gerekend. Uit de discussies in de civielrechtelijke literatuur op dit punt, blijkt evenwel dat bij dat uitgangspunt vraagtekens kunnen worden geplaatst (vergelijk onder anderen J.M.A. Berkvens, Juridische status van de chipknipbetaling, Bb 1996/2, p. 13-14, R.E. van Esch, de chipknip: het virtuele chartale geld, Computerrecht 1996/4, p. 126-130, alsmede - voor een betoog dat het verschil met de "zuivere" girale betaling, zoals de zogenaamde "pinbetaling", zo gering is dat wel degelijk sprake is van een girale betaling - R.E. de Rooij, De chipknip: een (juridische) verkenning, NJB 1996, p. 509-513 ).

4.8. Een regeling op basis waarvan aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid wordt verleend voor te schrijven dat een parkeerautomaat uitsluitend met gebruikmaking van een chipkaart in werking kan worden gesteld c.q. de verschuldigde parkeerbelasting uitsluitend door middel van "electronisch geld" kan worden voldaan - dat wil zeggen niet op enigerlei wijze door middel van gangbaar geld of ("zuivere") girale betaling (zoals de zogenaamde "pinbetaling") - kan naar 's Hofs oordeel niet meer als "passend" in de zin van de laatste zinsnede van artikel 257 van de Gemeentewet worden beschouwd. Een belastingplichtige wordt door een dergelijke regeling immers niet op toereikende wijze in de gelegenheid gesteld de door hem verschuldigde belasting te voldoen. Nu de Gemeentewet zelf geen, dus ook niet de in de laatste volzin van artikel 257 genoemde paragraaf (§ 4), bepalingen behelst over de wijze van betaling, kan het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen op die grond niet als "nadere regeling ter aanvulling" als bedoeld in artikel 257 van de Gemeentewet worden aangemerkt. Uit het vorenstaande moet naar het oordeel van het Hof worden geconcludeerd dat de regelgever met de invoering van artikel 1a van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen buiten het kader van artikel 257 van de Gemeentewet is getreden. Genoemd artikel 1a mist derhalve verbindende kracht.

4.9. Indien ervan zou moeten worden uitgegaan dat de bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders tot het stellen van de gewraakte betalingswijze niet berust op artikel 257 van de Gemeentewet in verbinding met artikel 1a van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen, doch rechtstreeks voortvloeit uit het bepaalde in artikel 234, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Gemeentewet, is het Hof van oordeel dat het college ook in dat verband - met het Voorschrift - buiten het kader van (artikel 234, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van) de Gemeentewet is getreden. Bij het verlenen van de bevoegdheid aan het college tot het stellen van bedoelde voorschriften kan de wetgever redelijkerwijs niet het oog hebben gehad op de zich hier voordoende situatie, waarin het college de voldoening van de verschuldigde parkeerbelasting dusdanig beperkt dat de betaling van die belasting door middel van gangbaar geld of ("zuivere") girale betaling in het geheel niet meer mogelijk is.

4.10. Nu belanghebbende niet in staat is gesteld de door hem verschuldigde parkeerbelasting te voldoen door middel van gangbaar geld of ("zuivere") girale betaling, is de Ambtenaar niet gerechtigd die parkeerbelasting na te heffen. De naheffingsaanslag moet derhalve worden vernietigd. Het beroep is gegrond.

5. Proceskosten

Het Hof acht, nu van zodanige kosten niet is gebleken, geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- vernietigt de naheffingsaanslag, en

- gelast dat de gemeente Apeldoorn aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van € 29.

Aldus gedaan te Arnhem op 21 oktober 2003 door mr. Matthijssen, raadsheer, lid van de vierde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Gankema als griffier.

(J.J. Gankema) (T.J. Matthijssen)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 21 oktober 2003

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.