Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2003:AN1463

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-10-2003
Datum publicatie
31-10-2003
Zaaknummer
02/1156t
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2005:AU4042
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2005:AU4042
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

[appellant] stelt zich op het standpunt dat Eurosportief onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld jegens [J.K.]. Eurosportief is volgens hem ernstig tekortgeschoten in haar veiligheidsvoorlichting en heeft ten onrechte van de cursisten, die immers allen beginners waren, niet verlangd dat zij een valhelm zouden dragen. Eurosportief heeft daar tegen ingebracht dat er geen verplichting bestaat tot het dragen van een valhelm bij cursussen als de onderhavige, hoogstens een plicht om het dragen van een helm te adviseren, maar dat het te allen tijde aan de rijders zelf is om te bepalen of zij een helm willen dragen of niet. Met het ter beschikking stellen van het veiligheidsmateriaal, waaronder pols-, knie- en elleboogbeschermers alsmede een valhelm, heeft Eurosportief voldoende zorgvuldig gehandeld, te meer daar dergelijke ernstige gevolgen van een valpartij niet in de normale lijn der verwachtingen liggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2004, 12
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

28 oktober 2003

derde civiele kamer

rolnummer 02/1156

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

optredend pro se en als wettelijk vertegenwoordiger van zijn minderjarige

kinderen: [M.J.W.];

[B.H.A.W.],

[D.T.A.W.],

[F.T.A.W.],

procureur: mr P.A.C. de Vries

tegen:

1. de commanditaire vennootschap Eurosportief 2000 C.V.,

gevestigd te Geesteren (gemeente Tubbergen),

alsmede haar beherende vennoten

2. [W.H.C.B.] en

3. [W.J.B.-S.],

echtelieden, beiden wonende te [woonplaats]

geïntimeerden,

procureur: mr J.C.N.B. Kaal.

1 Het geding in eerste aanleg

De rechtbank te Almelo heeft op 21 augustus 2002 vonnis gewezen in het geschil tussen appellant (hierna te noemen: [appellant]) als eiser en geïntimeerden (hierna gezamenlijk te noemen: Eurosportief) als gedaagden. Afschrift van dit vonnis, naar de inhoud waarvan wordt verwezen, is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij exploten van 19 november 2002 is [appellant] in hoger beroep gekomen van voormeld vonnis met dagvaarding van Eurosportief voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven van 1 april 2003 heeft [appellant] zes grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis, producties overgelegd, bewijs aangeboden en gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de in eerste aanleg ingestelde eis, zoals gewijzigd bij conclusie van repliek, alsnog zal toewijzen met veroordeling van Eurosportief in de kosten van beide instanties.

2.3 Eurosportief heeft bij memorie van antwoord verweer gevoerd, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

2.4 Vervolgens zijn de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

3 De vaststaande feiten

Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde bewijsstukken dan wel als door de rechtbank beslist en in hoger beroep niet bestreden, de navolgende feiten vast.

a. [appellant] was gehuwd met [J.K.], geboren op 25 december 1963. Uit het huwelijk zijn vier nog in leven zijnde kinderen geboren in de periode 1991 - 1996.

b. In maart 1999 heeft [J.K.] zich opgegeven voor een beginnerscursus skeeleren van vier lessen. Deze cursus werd georganiseerd door Eurosportief. Op het door [J.K.] ingevulde en ondertekende aanmeldingsformulier (productie 4 bij conclusie van antwoord) is vermeld: “Deelname is voor eigen rekening en risico”. De lessen werden namens Eurosportief gegeven door [M.J.H.]. Deze was docent lichamelijke opvoeding in het dagonderwijs; hij heeft een opleiding aan de Academie Lichamelijke Opvoeding gehad en was in het bezit van het diploma schaatstraining. Daarnaast had hij een “applicatiecursus voor instructie-geving skating” gevolgd. De lessen werden gegeven op een geasfalteerde skeelerbaan waarop -naar tussen partijen vast staat- geen oneffenheden of andere onvolkomenheden aanwezig waren. De cursusgroep bestond uit ongeveer 17 leerlingen. Aan het begin van de les werden door Eurosportief aan de cursisten skeelers alsmede knie- en polsbeschermers uitgereikt.

c. Op 26 april 1999 volgde [J.K.] de derde les. Zij droeg daarbij geen valhelm. Op een gegeven moment is zij ten val gekomen. Zij is achterovergevallen, kwam eerst met haar zitvlak op de grond waarna zij met haar hoofd tegen de grond sloeg. Niet duidelijk is waarom zij is gevallen. [J.K.] is gedurende korte tijd, ca één minuut, buiten bewustzijn geweest, althans niet bij volle bewustzijn geweest. Daarna is zij met hulp van [M.J.H.] opgestaan en - zelfstandig - naar een zitbankje gelopen. Even later werd zij onwel en is zij met de ambulance naar het ziekenhuis overgebracht, alwaar hersenletsel werd geconstateerd. De volgende ochtend is [J.K.] overleden.

d. De door de gemeentelijke lijkschouwer opgestelde overlijdensverklaring (productie 2 bij conclusie van antwoord) vermeldt onder meer:

“Tijdens sceeleren achterover gevallen. Als gevolg van het ongeval heeft ze een bloeding onder het schedeldak opgelopen en een letsel van de hersenstam, waardoor zij is overleden.”

e. Tijdens een door de politie op 27 april 1999 afgenomen verhoor heeft [M.J.H.] onder meer verklaard (productie 1 bij conclusie van antwoord):

“Gedurende de lessen werd er door [J.K.] geen helm gedragen. Op de baan waar geskeelerd wordt zijn wel helmen aanwezig. Het is voor de eigen verantwoordelijkheid van de leerlingen om een helm wel of niet te dragen. In de eerste les heb ik de leerlingen, waaronder [J.K.], verteld dat ze een helm konden pakken als ze daar behoefte aan hadden.”

f. Eurosportief is tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij ABN AMRO Assuradeu-ren B.V. Namens deze is een onderzoek ingesteld door een schade-expertisebureau, GAB Robins Takkenberg B.V. Het daarvan opgemaakte rapport is overgelegd als productie 3 bij conclusie van antwoord. Een bijlage bij het rapport is overgelegd als productie 4 bij conclusie van repliek.

g. Ten tijde van het ongeval was het dragen van pols-, elleboog- en kniebeschermers verplicht voor de cursisten, het dragen van een valhelm niet. Dat laatste is na het ongeval wel verplicht gesteld.

h. Een folder van Eurosportief inzake veiligheidsaspecten bij het skeeleren (bijlage van het rapport van Robins Takkenberg, productie III bij conclusie van antwoord) vermeldt onder meer:

“Aanwijzingen om als skater en skeeleraar mee rekening te houden. (…)

Draag altijd beschermingsmiddelen t.w.: pols, (elleboog) en kniebeschermers en bij voorkeur een helm.”

4 De beoordeling van het geschil in hoger beroep

4.1 [appellant] stelt zich op het standpunt dat Eurosportief onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld jegens [J.K.]. Eurosportief is volgens hem ernstig tekortgeschoten in haar veiligheidsvoorlichting en heeft ten onrechte van de cursisten, die immers allen beginners waren, niet verlangd dat zij een valhelm zouden dragen.

4.2 Eurosportief heeft daar tegen ingebracht dat er geen verplichting bestaat tot het dragen van een valhelm bij cursussen als de onderhavige, hoogstens een plicht om het dragen van een helm te adviseren, maar dat het te allen tijde aan de rijders zelf is om te bepalen of zij een helm willen dragen of niet. Met het ter beschikking stellen van het veiligheidsmateriaal, waaronder pols-, knie- en elleboogbeschermers alsmede een valhelm, heeft Eurosportief voldoende zorgvuldig gehandeld, te meer daar dergelijke ernstige gevolgen van een valpartij niet in de normale lijn der verwachtingen liggen. Het letsel en de dood van [J.K.] zijn niet het gevolg geweest van het niet-dragen van een valhelm. [J.K.] heeft op eigen risico gehandeld, zoals ook blijkt uit de vermelding van die strekking op het inschrijfformulier, door geen valhelm te dragen, hoewel haar dat vrijstond en valhelmen ook beschikbaar waren.

4.3 De rechtbank heeft - kort weergegeven - geoordeeld dat een skeelerles als de onderhavige niet kan worden aangemerkt als een gevaarlijke activiteit met een zodanig grote kans op ernstig hoofdletsel dat om die reden het dragen van een helm tijdens de les verplicht had moeten worden gesteld. Daartegen komen de grieven op, die het geschil in volle omvang aan het hof voorleggen.

De aansprakelijkheid

4.4 Vooropgesteld moet worden dat er te dezer zake geen wettelijke regeling bestaat die het dragen van een valhelm bij het skeeleren verplicht stelt. Ook binnen de branche (waarbij met name aan de richtlijnen van de organisaties als de Skeelerbond Nederland c.q. Skatebond gewicht toekomt) bestaan er geen in algemene termen luidende richtlijnen die het dragen van een valhelm verplicht stellen, met dien verstande dat de Skeelerbond Nederland het dragen van een valhelm wel verplicht stelt bij deelname aan door haar georganiseerde toertochten, waarmee wordt bedoeld toertochten op de openbare weg. Naar moet worden aangenomen, gold deze regel ook ten tijde van het ongeval (het tegendeel is ook niet gesteld door Eurosportief), waar de als productie 1 bij conclusie van eis overgelegde uitdraai van de website van de Skeelerbond Nederland gedateerd 6 mei 1999 vermeldt:

“Gezien de hoge snelheden die met inline skates en skeeleren bereikt kunnen worden is veiligheid een belangrijk aspect van de sport. Draag daarom altijd polsbeschermers, elleboogbeschermers, kniebeschermers en een valhelm. Dit laatste is zelfs verplicht bij alle toertochten die door de Skeelerbond Nederland worden georganiseerd.”

4.5 Skeeleren is een sport waarbij de beoefenaren gemakkelijk ten val kunnen komen, hetzij door eigen onhandigheid of onervarenheid, hetzij door externe oorzaken. Met het oog op die gevaren is het, mede gezien de ten processe overgelegde publicaties van de Skeelerbond Nederland, stichting Consument en Veiligheid en van skeeler-promotie organisatoren, in de skeelerwereld kennelijk, ook ten tijde van het ongeval, gangbaar om in ieder geval knie-, pols- en elleboogbescherming te dragen. Het dragen van een valhelm wordt doorgaans niet verplicht gesteld (behoudens bij toertochten door de Skeelerbond Nederland georganiseerd), maar wel sterk aanbevolen, zeker tijdens activiteiten met een verhoogd risico, zoals stunten, rijden in een halfpipe en bij deelname aan het verkeer.

Vraag is derhalve of de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt in 1999 meebracht dat een organisator van skeelercursussen als de onderhavige het dragen van een valhelm door haar cursisten zo al niet verplicht diende te stellen, dan toch in ieder geval uitdrukkelijk tegen de gevaren van het niet dragen van een helm diende te waarschuwen. Bij de beantwoording van deze vraag zijn in het bijzonder van belang de aard en ernst van het mogelijke letsel, de waarschijnlijkheid dat dit letsel zich daadwerkelijk zal voordoen, de mogelijkheid van betrokkene om zelf maatregelen te nemen ter voorkoming van dat letsel, de bezwaarlijkheid van het nemen van adequate voorzorgsmaatregelen en de gebruikelijkheid daarvan.

4.6 De enkele mogelijkheid dat tijdens het skeeleren de kans van een valpartij bestaat is onvoldoende om aan te nemen dat de organisator een plicht heeft het dragen van een valhelm voor te schrijven. Dat kan wellicht anders zijn indien het, zoals hier, betreft cursisten die geen ervaring hadden in het skeeleren. Juist voor die categorie bestaat uiteraard een verhoogd gevaar voor vallen en voor daaruit voortvloeiend letsel, ook al omdat beginnende beoefenaren van deze sport in het algemeen eerder verrast zullen zijn door het ten val komen en geen ervaring of behendigheid zullen hebben bij het opvangen van de val.

Naar het oordeel van het hof mag van een organisator van een skeelercursus voor beginners in elk geval worden verwacht dat de cursisten voorafgaande aan de cursus indringend worden gewaarschuwd voor die gevaren, aldus dat iedere cursist een afgewogen beslissing kan nemen om tijdens de lessen (en daarbuiten) beschermingsmiddelen te dragen. Dit geldt niet alleen voor het meest gangbare letsel (aan de handen, polsen of knieën), maar ook voor het gevaar van hoofdletsel. Naar onbestreden is, zal hoofdletsel minder vaak voorkomen, maar daar staat tegenover dat hoofdletsel doorgaans veel ernstiger van aard is en beduidend ingrijpender gevolgen kan hebben. Bij gebreke van gegevens die op het tegendeel duiden, moet worden aangenomen dat Eurosportief op dat gevaar van hoofdletsel ook bedacht had moeten zijn in situaties als de onderhavige, waarin door de cursisten langzaam op een effen, geasfalteerde baan wordt gereden en er geen gevaarlijke manoeuvres worden verricht.

4.7 De stellingen van Eurosportief in dit verband gaan niet verder dan dat zij de cursisten, waaronder [J.K.], heeft gewezen op de mogelijkheid een helm te gebruiken, indien zij daaraan behoefte hadden (conclusie van antwoord onder 15, memorie van antwoord onder 19-20) c.q. dat de mogelijkheid van het dragen van een valhelm onder de aandacht van de cursisten is gebracht (conclusie van dupliek onder 3). Zo ook de cursusleider [M.J.H.] in zijn verklaring tegen de politie: “In de eerste les heb ik de leerlingen waaronder [J.K.] verteld dat ze een helm konden pakken als ze daar behoefte aan hadden.”

Een dergelijke mededeling heeft echter een louter vrijblijvend karakter en kan niet worden aangemerkt als een dringend advies aan de cursisten, te meer nu niet gesteld of gebleken is dat die mededeling gepaard ging met het tonen van de beschikbare valhelmen of met het demonstreren van het gebruik ervan.

4.8 Dat brengt mee dat Eurosportief is tekort geschoten in de op haar rustende zorgvuldigheidsverplichting om de cursisten minstgenomen dringend te adviseren een valhelm te dragen. Het had op haar weg gelegen dat wel te doen en de - onervaren - cursisten uitdrukkelijk te wijzen op de mogelijkheid van valpartijen waarbij ook ernstig hoofdletsel kan optreden. In dit verband heeft als aspect van dit vereiste dringende advies te gelden dat van de leraar in het kader van zijn voorbeeldfunctie jegens de cursisten kon worden gevergd dat hijzelf tijdens de lessen een helm zou hebben gedragen. [M.J.H.] heeft dat nagelaten, hetgeen Eurosportief moet worden toegerekend.

4.9 Aan deze zorgvuldigheidsverplichting en de uit schending daarvan voortvloeiende aansprakelijkheid wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat het hierbij gaat om de beoefening van een sport die het risico van vallen met zich brengt. Het gaat hier niet om letsel dat door de ene sportbeoefenaar aan een andere sportbeoefenaar wordt toegebracht.

4.10 Aangenomen moet worden dat [J.K.] een waarschuwing voor de gevaren van hoofdletsel ter harte zou hebben genomen en een dringend advies een valhelm te dragen zou hebben opgevolgd; het tegendeel is gesteld noch gebleken. Het door [J.K.] opgelopen dodelijk letsel moet dan ook worden toegerekend aan het feit dat Eurosportief heeft nagelaten aan de hiervoor omschreven zorgvuldigheidsverplichting te voldoen.

4.11 Eurosportief heeft nog gesteld (conclusie van antwoord onder 18-19 en memorie van antwoord onder 32) dat het letsel en de dood van [J.K.] niet het gevolg zijn geweest van het nalaten een helm te dragen op grond van de mogelijkheid van een predispositie aan de zijde van [J.K.]. Dit verweer wordt echter verworpen. Gezien de feitelijke gang van zaken ([J.K.] is met haar hoofd op het asfalt gevallen, was daarna korte tijd buiten bewustzijn, moest overgeven en is de volgende dag overleden) in combinatie met de bevindingen van de gemeentelijke lijkschouwer, die een bloeding onder het schedeldak en letsel van de hersenstam heeft geconstateerd, ligt ten zeerste de conclusie voor de hand dat [J.K.] is overleden als gevolg van de valpartij tijdens de skeelercursus, tegenover welk vermoeden Eurosportief onvoldoende heeft gesteld voor een andere oorzaak van het letsel en het overlijden van [J.K.]. Uit het voorgaande volgt dat het letsel van [J.K.] in een zodanig verband staat met het schenden van voormelde zorgvuldigheidsverplichting van Eurosportief, dat de schade Eurosportief kan worden toegerekend.

4.12 Dat het hier opgetreden letsel zozeer buiten de lijn der verwachtingen ligt dat dit Eurosportief niet kan worden toegerekend (conclusie van dupliek onder 12), is niet juist. Van algemene bekendheid is dat hoofdletsel zeer ernstige gevolgen kan hebben, leidend tot een meer of minder ernstige mate van invaliditeit of de dood. Niet gezegd kan worden dat het overlijden van [J.K.] als gevolg van haar valpartij of de valpartij tijdens het skeeleren zozeer onvoorzienbaar waren dat dit Eurosportief niet zou kunnen worden toegerekend, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het letsel.

4.13 Daarnaast heeft Eurosportief haar aansprakelijkheid afgewezen met een beroep op het door [J.K.] ondertekende inschrijfformulier, waarin is vermeld dat deelname aan de cursus voor eigen rekening en risico is, waarbij zij dit kennelijk beschouwt als een exoneratie met betrekking tot de onderhavige schade ex artikel 6:108 lid 1 onder d BW. Lid 3 van dat wetsartikel bepaalt dat de aangesprokene hetzelfde verweer kan voeren dat hem tegenover de overledene ten dienste zou hebben gestaan.

Het gaat hier om een cursus voor beginners en niet is gesteld of gebleken dat [J.K.] enige ervaring had in het skeeleren. Eurosportief treft het verwijt dat zij heeft nagelaten om de onervaren cursisten, onder wie [J.K.], expliciet te attenderen op het verhoogde gevaar voor valpartijen en de mogelijkheid van ernstig hoofdletsel en hen - minstgenomen - dringend te adviseren een valhelm te dragen. Deze valhelmen waren naar de eigen stellingen van Eurosportief aanwezig en voor de cursisten beschikbaar. Er stond derhalve niets in de weg aan voldoening door Eurosportief aan de op haar rustende zorgvuldigheidsplicht. Met andere woorden, het was een kleine moeite geweest de cursisten te behoeden voor ernstig hoofdletsel, met buitengewoon ernstige gevolgen, zoals zich hier heeft voorgedaan. Daarbij komt dat Eurosportief als professioneel organisator van skeelercursussen moet worden geacht beter op de hoogte te zijn van de gevaren van het skeeleren (met name de gevaren voor beginnende beoefenaren) dan iemand die voor het eerst een skeelercursus volgt. Mede gelet daarop en op de buitengewoon ernstige gevolgen van het ongeval, de aard en ernst van het verwijt dat Eurosportief treft en de omstandigheid dat Eurosportief tegen aansprakelijkheid is verzekerd, moet geoordeeld worden dat de contractuele uitsluiting van aansprakelijkheid als naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, buiten toepassing moet blijven. Daar komt nog bij dat het eenzijdig door Eurosportief opgestelde beding onduidelijk is in dier voege dat daaruit niet blijkt dat het ook geschreven is voor ernstige schadesoorten als bedoeld in artikel 6:108 BW.

De schade

4.14 De door [appellant] gevorderde schadevergoeding bestaat uit de volgende posten:

a) huishoudelijke hulp tot 1 augustus 2001: f 26.745,38

b) eigen bijdrage thuiszorg: f 1.948,85

c) eigen bijdrage kilometers thuiszorg: f 324,00

d) notariskosten: f 1.807,38

e) makelaarskosten: f 1.076,59

f) eigen bijdrage uitvaartkosten: f 325,54

g) grafverzorging: f 5.510.00

h) bloemen: f 762,70

i) dankbetuiging Tubantia f 410,45

j) boekjes kerkdienst: f 300,00

k) bidprentjes: f 869,50

l) kinderopvang: f 597,65

-Totaal: f 40.708,03

- buitengerechtelijke kosten schaderegelaar: f 3.186,23

De posten onder a (huishoudelijke hulp) en l (kinderopvang) zijn bij conclusie van repliek vermeerderd respectievelijk toegevoegd.

4.15 De posten onder d en e (notaris en makelaar) betreffen de uitvoering van de bij het testament van [J.K.] bepaalde ouderlijke boedelverdeing en zijn derhalve kosten die het gevolg zijn van het ongeval. Deze zijn na de bij repliek door [appellant] gegeven toelichting niet meer betwist en derhalve toewijsbaar.

4.16 De posten onder g, h, i, j en k worden onderbouwd met facturen en zijn in hoger beroep niet langer betwist (“[appellant]” in het begin van de zin onder 41 in de memorie van antwoord is kennelijk een schrijffout). Deze zijn toewijsbaar. Datzelfde geldt voor de eigen bijdrage in de uitvaartkosten (post f). Deze post is niet gemotiveerd bestreden.

4.17 De verschuldigdheid van de buitengerechtelijke incassokosten (gemaakt door inschakeling van de FNV Ledenservice) wordt - deels - betwist. Ervan uitgaande dat de schaderegelaar van de FNV werkzaamheden heeft verricht tot het moment dat de aanspakelijkheid door de verzekeraar van Eurosportief werd ontkend (aldus de stellingen van [appellant] bij conclusie van repliek onder 10), betoogt Eurosportief dat alsdan alleen de periode tot 17 november 1999 in aanmerking komt omdat de verzekeraar op dat moment schriftelijk heeft laten weten geen aansprakelijkheid te erkennen (conclusie van dupliek onder 22). De na deze datum verrichte werkzaamheden worden volgens Eurosportief geacht deel uit te maken van de proceskosten.

De enkele omstandigheid dat de schadebemiddelaar na de eerste afwijzende reactie door de verzekeraar van Eurosportief geeft gepoogd die verzekeraar van gedachten te doen veranderen (zie akte van [appellant] houdende uitlating producties onder 6), brengt naar het oordeel van het hof niet mee dat deze werkzaamheden niet voor vergoeding in aanmerking komen. Het staat de (vertegenwoordiger van de) eisende partij vrij na een aanvankelijke afwijzing van aansprakelijkheid te proberen om de onderhandelingen dienaangaande voort te zetten teneinde de aangesproken partij van standpunt te doen veranderen alvorens tot gerechtelijke stappen te besluiten.

Nu de vordering ook overigens niet overmatig voorkomt en dus redelijk is, komt deze voor toewijzing in aanmerking.

4.18 Ter zake van de gevorderde kosten met betrekking tot de eigen bijdrage thuiszorg (post b) heeft [appellant] aangevoerd dat hij full-time werkt en dat zijn echtgenote het huishouden en de kinderen verzorgde. Ingaande 10 mei 1999 heeft hij huishoudelijke hulp ontvangen via de Thuiszorg Noord-Twente op basis van een indicatiestelling voor 43 uur per week. Vanaf 19 juli 1999 is de huishoudelijke hulp van deze thuiszorgorganisatie beperkt tot 41½ uur per week en vanaf 1 november 1999 tot 31 uur per week. Op 7 januari 2000 is de door de Thuiszorg verleende hulp gestopt. Bij conclusie van eis zijn bankschriften overgelegd ten bewijze van de betaling van de eigen bijdrage thuiszorg (f 58,00 per week). De hierop vermelde bedragen komen in totaal op f 1.944,83 (en niet op f 1.948,85 zoals vermeld in het als productie 2 bij conclusie van eis overgelegde postenoverzicht), zoals [appellant] ook vermeldt bij repliek. Het hof houdt het bedrag van f 1.948,85 dan ook voor een schrijffout en zal uitgaan van f 1.944,83.

Dat [appellant] een eigen bijdrage van f 58,- per week verschuldigd was, blijkt voldoende uit de stukken (zie bijv. de factuur van CAK Bijzondere zorgkosten d.d. 21 maart 2000, overgelegd bij eis). Uit de overgelegde bankafschriften volgt dat deze eigen bijdrage ook daadwerkelijk is voldaan. Het bedrag van f 1.944,83 is daarmee toewijsbaar.

4.19 Voor het doen brengen en ophalen van de kinderen van en naar school door gezinsverzorgenden van de Thuishulp (post c), is [appellant] een bedrag van in totaal f 324,- als kilometervergoeding in rekening gebracht. Daarop betrekking hebbende nota’s over de periode van 17 mei 1999 tot 23 juli 1999 zijn overgelegd bij conclusie van eis. Deze vordering is niet betwist en daarmee toewijsbaar.

4.20 De kosten van het overblijven van de kinderen ad € 1,13 per week per kind zijn in hoger beroep door Eurosportief aanvaard: in totaal € 271,20, zoals vermeerderd bij conclusie van repliek. Omwille van de uniformiteit wordt dit bedrag vooralsnog teruggerekend naar guldens: f 597,65.

4.21 Na beëindiging van de huishoudelijk hulp via de Thuiszorg op 7 januari 2000 heeft [appellant] huishoudelijke hulp gehad van familieleden en kennissen, waarvoor hij een vergoeding betaalde van f 12,75 per uur. Van 10 januari 2000 t/m 1 juni 2001 (in deze periode was [appellant] arbeidsongeschikt) was dat gemiddeld 23,27 uur per week, hetgeen neerkomt op 74 weken x 23,27 = 1.722 uren x f 12,75 = f 21.955,50.

Van 4 juni 2001 t/m 1 augustus 2001 had hij gemiddeld 40 uur per week hulp: in totaal 336 uren x f 12,75 = f 4.284,-. In totaal komt het aantal uren in de periode 10 januari 2001 t/m 1 augustus 2001 uit op (1.722 + 336 =) 2.058 uren ([appellant] zelf gaat uit van een totaal van 2.133 uren: conclusie van repliek. p. 4). Het hiermee gemoeide bedrag is volgens [appellant] in totaal f 26.745,38.

4.22 Eurosportief gaat er vanuit dat de laatste indicatiestelling door Thuiszorg voor huishoudelijke hulp d.d. 1 november 1999 van 31 uur per week bepalend is voor het aantal uren huishoudelijke hulp die hij in rekening kan brengen (memorie van antwoord onder 39). De vordering over de periode van 4 juni 2001 t/m 1 augustus 2001 (uitgaande van 40 uur per week) zou daarom overmatig zijn.

Volgens [appellant] is er slechts één indicatiestelling voor huishoudelijke hulp afgegeven door Thuiszorg, namelijk voor 43 uur per week. Het aantal uren hulp is feitelijk afgebouwd in verband met onzekerheid over de voortduring van de hulpverlening door Thuiszorg (memorie van grieven onder 9).

Het gehanteerde uurtarief van f 12,75 voor de huishoudelijke hulp door kennissen acht Eurosportief op zichzelf niet onredelijk. Bij gebreke van bewijs voor daadwerkelijke betaling van de gestelde bedragen wordt de verschuldigdheid echter betwist (memorie van antwoord onder 42).

4.23 Het hof zal een comparitie van partijen gelasten teneinde deze schadepost (onder 4.14 sub a) nader te bespreken. Indien partijen dienaangaande nieuwe stukken in het geding wensen te brengen, dient dat te geschieden door toezending daarvan uiterlijk één week voor de comparitie. Te denken valt aan een schrijven van het indicatieorgaan, waarin opgave wordt gedaan van de indicatiestelling(en) voor huishoudelijke hulp voor [appellant].

De comparitie zal tevens worden benut om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.

4.24 Alle andere beslissingen worden aangehouden.

Beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bepaalt dat partijen ([appellant] in persoon, Eurosportief vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het geven van de verlangde inlichtingen in staat is en hetzij bevoegd hetzij speciaal schriftelijk gemachtigd is tot het aangaan van een schikking) tezamen met hun raadslieden zullen verschijnen voor het tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr J.J. Makkink, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een nader door deze te bepalen dag en tijdstip, zulks tot het geven van inlichtingen als onder 4.23 aangegeven en opdat kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

bepaalt dat de verhinderdagen van partijen en van hun advocaten zullen worden opgegeven op de rolzitting van 18 november 2003, ambtshalve peremptoir, waarna dag en uur van de verhoren (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld en in beginsel geen uitstel in verband met verhinderingen zal worden verleend;

houdt voor het overige alle beslissingen aan.

Dit arrest is gewezen door mrs Makkink, Rijken en Wesseling-Lubberink en uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van 28 oktober 2003.