Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2003:AM2820

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
14-10-2003
Datum publicatie
23-10-2003
Zaaknummer
03/113
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar ’s hofs oordeel geldt ook voor de uitleg van exoneratiebedingen in algemene voorwaarden (beide partijen gaan er gelet op hun posita – terecht – vanuit dat artikel 17 van het reglement van SIDN als een eenzijdig opgesteld beding in algemene voorwaarden is te kwalificeren) de Haviltex-maatstaf zoals geformuleerd in HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635. Bij de uitleg van het onderhavige exoneratiebeding komt het mitsdien aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan dat beding mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, waarbij mede van belang kan zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2003, 91
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 oktober 2003

eerste civiele kamer

rolnummer 2003/113

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

h.o.d.n. [F.P.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr. J.S. Wurfbain,

tegen:

de stichting

Stichting Internet Domeinregistratie Nederland,

gevestigd te Arnhem,

geïntimeerde,

procureur: mr. J.C.N.B. Kaal.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1 De rechtbank Arnhem heeft op 21 juni 2001 in het geschil tussen appellant, hierna te noemen [appellant], als eiser in conventie en verweerder in reconventie met betrekking tot de tegenvordering van [T.] c.s. en geïntimeerde, hierna te noemen SIDN, als gedaagde sub 1 en de vennootschap onder firma [T.] v.o.f., alsmede haar vennoten [S. van H.] en [T.J.], gevestigd respectievelijk wonende te Rotterdam, als gedaagden sub 2 in conventie en eisers in reconventie een tussenvonnis gewezen.

1.2 Op 15 november 2001 heeft die rechtbank in de zaak tussen [appellant] en[T.] c.s. in conventie en in reconventie een eindvonnis gewezen waarin [T.] c.s. zijn veroordeeld om, indien [appellant] heeft voldaan aan zijn verbintenis tot betaling van f 200.000,-- inclusief BTW, binnen vijf dagen na de datum van dat vonnis door toezending van een deugdelijk ondertekend overdrachtsformulier aan [appellant] over te dragen de domeinnamen financiering.nl, krediet.nl en lening.nl. In de zaak tussen [appellant] en SIDN heeft de rechtbank bij dezelfde uitspraak een tussenvonnis gewezen.

1.3 Bij vonnis van 19 december 2002 heeft de rechtbank Arnhem de vordering van [appellant] tegen SIDN afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

1.4 De vermelde vonnissen zijn in kopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij exploot van 17 januari 2003 heeft [appellant] SIDN aangezegd in hoger beroep te komen van het vermelde vonnis van de rechtbank Arnhem van 19 december 2002, met gelijktijdige dagvaarding van SIDN voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] zes grieven tegen het vonnis waarvan beroep aangevoerd en toegelicht, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, dat vonnis van 19 december 2002 zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, SIDN zal veroordelen tot betaling aan [appellant] van een bedrag van f 238.000,--/€ 107.999,69, dan wel tot betaling van enig ander bedrag, door het hof in goede justitie te bepalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 31 oktober 2001 tot de dag der algehele voldoening, en met veroordeling van SIDN in de kosten van beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft SIDN de grieven van [appellant] bestreden, een aantal producties in het geding gebracht, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen en [appellant] zal veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

2.4 Ter zitting van dit hof van 22 september 2003 hebben partijen hun zaak doen bepleiten, [appellant] bij monde van mr. C.J. van Dijk, advocaat te Barneveld, en SIDN bij monde van mr. N.A.J. Purcell, advocaat te Amsterdam, beiden aan de hand van pleitnotities. Mr. Purcell heeft ter gelegenheid van het pleidooi nog een productie, houdende een sterk verkleind overzicht van de als productie 3 bij memorie van antwoord overgelegde brongegevens, getoond en overgelegd.

2.5 Daarna hebben partijen de stukken aan het hof overgelegd en arrest gevraagd.

3 De vaststaande feiten

Tegen de door de rechtbank in het vonnis waarvan beroep onder 2.1 tot en met 2.10 vastgestelde feiten is geen grief gericht, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan, met dien verstande dat, zoals SIDN bij memorie van antwoord onder 5 onweersproken heeft aangevoerd, in de eerste regel van rov. 2.9 van dat vonnis achter het woord ‘[appellant]’ moet worden ingelast ‘via zijn internetprovider BIT’. Bovendien heeft SIDN in aanvulling op het in dat vonnis onder 2.2 vastgestelde t.a.p. onweersproken gesteld dat in juli 2003 meer dan 900.000 domeinnamen bij haar waren geregistreerd, terwijl ten pleidooie dienaangaande is gesproken over een miljoen domeinnamen.

4 De beoordeling van het geschil in hoger beroep

4.1 Het hof gaat er, gelet op de hierna te melden oordelen, veronderstellenderwijs van uit dat de door [appellant] aan SIDN verweten fout een aan SIDN toerekenbare tekortkoming jegens [appellant] oplevert. Het betreft de fout, zoals de rechtbank, in hoger beroep op zichzelf niet bestreden, in rov. 3.1 van het vonnis waarvan beroep heeft geformuleerd, te weten dat SIDN heeft verzuimd om [appellant] op de hoogte te brengen van het feit dat de domeinnamen financiering.nl, krediet.nl en lening.nl vrijgegeven zouden gaan worden, dat [appellant] daarom als eerste aanvrager niet in de gelegenheid is gesteld om die drie domeinnamen met voorrang opnieuw aan te vragen, dat die domeinnamen in handen van derden ([T.] c.s.) zijn geraakt, alsmede dat [appellant] schade heeft geleden ter hoogte van de aankoopsom die hij alsnog (aan [T.] c.s.) voor die namen heeft moeten betalen.

4.2 De regels met betrekking tot de uitgifte en registratie van domeinnamen door SIDN zijn opgenomen in een Reglement voor Registratie van Domeinnamen (NL), hierna te noemen het reglement. Het reglement dat op 14 oktober 1996 in werking was getreden (zie productie 1 bij conclusie van antwoord) is per 1 april 1999 vervangen door een nieuw reglement (zie productie 2 bij conclusie van antwoord). In het eerstvermelde reglement bepaalt artikel 17 als volgt:

‘De Stichting is niet aansprakelijk voor enige schade die de aanvrager, de houder, een deelnemende provider of enige andere derde lijdt als gevolg van of in verband met de uitvoering of wijziging van dit Reglement’.

Artikel 17 van het laatstvermelde reglement luidt als volgt:

‘De Stichting is niet aansprakelijk voor enige schade die de Aanvrager, de Houder, een Deelnemer of enige andere derde lijdt als gevolg van, of in verband met, de uitvoering of wijziging van dit Reglement’.

Gesteld noch gebleken is dat met de kleine tekstuele wijzigingen in de ‘nieuwe’ ten opzichte van de ‘oude’ tekst van dit artikel 17 enige inhoudelijke wijziging van dit exoneratiebeding is beoogd. Partijen citeren in hun processtukken willekeurig beide teksten.

4.3 De rechtbank heeft in rov. 4.3 van het vonnis waarvan beroep, in hoger beroep niet bestreden, overwogen dat niet in geschil is dat het reglement van SIDN van toepassing is op de relatie tussen partijen, alsmede dat gesteld noch gebleken is dat het exoneratiebeding in het reglement nietig is, zodat het beding in beginsel tussen partijen geldt.

4.4 In grief I komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank (in rov. 4.5 van het vonnis waarvan beroep) dat de handelingen die SIDN in het kader van de wijziging van het reglement per 1 april 1999 heeft verricht, vallen onder de formulering en derhalve onder de reikwijdte van het exoneratiebeding.

4.5 Aan de orde is hiermee de uitleg van het litigieuze exoneratiebeding.

4.6 In de toelichting bij grief I stelt [appellant] zich op het standpunt dat het door SIDN in haar reglementen opgenomen exoneratiebeding zeer kritisch moet worden bejegend en zeer restrictief moet worden uitgelegd. Bovendien dient volgens [appellant] dat exoneratiebeding grammaticaal te worden uitgelegd en is te dien aanzien voor toepassing van de Haviltex-maatstaf geen plaats. [appellant] onderbouwt zijn standpunt ten aanzien van de door hem gewenste zeer restrictieve uitleg met de stelling dat SIDN met betrekking tot de registratie van nl.domeinnamen in wezen een soortgelijke functie vervult als het Kadaster met betrekking tot de registratie van eigendommen van hypotheken en onroerende zaken, dat het Kadaster voor vergissingen e.d. krachtens de Kadasterwet aansprakelijk is, alsmede dat het litigieuze exoneratiebeding van SIDN een inbreuk vormt op het systeem van de wettelijke aansprakelijkheid, waar toch de bedoeling van SIDN met dat beding is om haar aansprakelijkheid vergaand te beperken.

4.7 Naar ’s hofs oordeel geldt ook voor de uitleg van exoneratiebedingen in algemene voorwaarden (beide partijen gaan er gelet op hun posita – terecht – vanuit dat artikel 17 van het reglement van SIDN als een eenzijdig opgesteld beding in algemene voorwaarden is te kwalificeren) de Haviltex-maatstaf zoals geformuleerd in HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635. Bij de uitleg van het onderhavige exoneratiebeding komt het mitsdien aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan dat beding mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, waarbij mede van belang kan zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.

4.8 [appellant] heeft naar ’s hofs oordeel als professionele domeinnaamhandelaar de tekst van artikel 17 uit het reglement van SIDN – ook bij een restrictieve uitleg - redelijkerwijs niet anders kunnen begrijpen dan dat SIDN daarin alle aansprakelijkheid uitsluit jegens alle in dat artikel genoemde partijen (aanvrager, houder, etc) voor het handelen van SIDN – gelet op de woorden in dat artikel 17 ‘als gevolg van of in verband met de uitvoering of wijziging van dit Reglement’: in de meest ruime zin – als uitvoerder van het reglement in het algemeen.

4.9 De onderhavige fout van SIDN kan niet los worden gezien van de op grond van de beleidswijziging van SIDN, namelijk om de uitgifte van domeinnamen te liberaliseren en meer ruimte te bieden voor de uitgifte van generieke (beschrijvende) domeinnamen, door SIDN doorgevoerde wijziging van haar reglement op het punt van de weigeringsgronden (zie rov. 2.5 van het vonnis waarvan beroep). Het is immers in verband dáármee dat SIDN een voorregistratieprocedure heeft bedacht, in het kader van de uitvoering waarvan aan de zijde van SIDN de litigieuze fout is gemaakt. Die fout staat dan ook in direct verband met de vermelde wijziging van het reglement van SIDN per 1 april 1999. Dat SIDN die voorregistratieprocedure zelf heeft bedacht en niet expliciet in het reglement heeft opgenomen doet hieraan niet af.

4.10 Daarmee valt de schade waarvan [appellant] vergoeding van SIDN vordert onder de schade waarvan SIDN haar aansprakelijkheid in het exoneratiebeding van artikel 17 van het reglement heeft uitgesloten.

4.11 Ook bij een andere uitlegmethode van het litigieuze exoneratiebeding dan aan de hand van de Haviltex-maatstaf, namelijk bij een door [appellant] bepleite strikt grammaticale en restrictieve uitleg van dat exoneratiebeding, al dan niet (ook) in de zin van uitleg ten nadele van SIDN als opsteller van dat beding of uitleg ten gunste van [appellant] als wederpartij, dan wel bij een (objectieve) redelijke uitleg daarvan indien de Haviltex-maatstaf geen toepassing zou kunnen vinden vanwege het feit dat dat exoneratiebeding eenzijdig door SIDN is opgesteld zonder voorafgaand overleg dienaangaande met [appellant], in welk geval toepassing van de Haviltex-maatstaf als gekunsteld zou kunnen worden aangemerkt, kan het hof, in verband het hierboven onder rov. 4.9 overwogene, tot geen andere uitkomst komen dat die als vermeld in rov. 4.10.

4.12 Ter gelegenheid van het pleidooi heeft [appellant] nog aangevoerd dat - indien de Haviltex-maatstaf zou worden toegepast - de zin die [appellant] onder de gegeven omstandigheden aan het exoneratiebeding mocht toekennen, deze is dat ‘SIDN niet aansprakelijk wil zijn als zij haar taak naar behoren uitoefent’, dat SIDN niet betrokken wilde worden in disputen tussen domeinnaamhouders en derden die rechten op (onderdelen van) een domeinnaam claimen, alsmede dat SIDN niet wilde dat zij aansprakelijk gehouden zou kunnen worden voor merkinbreuken door domeinnaamhouders. In dit verband heeft [appellant] een beroep gedaan op de tekst van de vrijwaringsverklaring die aanvragers van een domeinnaam dienen te ondertekenen. Die vrijwaringsverklaring (geciteerd in de pleitnotitie van mr. Van Dijk) komt er kort gezegd op neer dat de aanvrager van een domeinnaam SIDN heeft te vrijwaren voor de schadelijke gevolgen van aanspraken van derden gegrond op de stelling dat de domeinnaam inbreuk maakt op de rechten van die derden.

4.13 Het hof verwerpt dit betoog van [appellant]. Uit de vrijwaringsverklaring mag inderdaad worden afgeleid dat SIDN, zoals [appellant] het formuleert, ‘niet aansprakelijk wil zijn als zij haar taak naar behoren uitoefent’, maar dan wel toegespitst op een mogelijke aansprakelijkheid van SIDN jegens derden als gevolg van een inbreuk op de rechten van derden door de registratie van domeinnamen. Te dezer zake wenst SIDN, blijkens de vrijwaringsverklaring, door de aanvrager van een domeinnaam gevrijwaard te worden. De aard en inhoud van deze vrijwaringsverklaring brengt mede dat zij los staat van het exoneratiebeding in het reglement van SIDN, welke exoneratie slaat op eigen fouten van SIDN in haar relatie met aanvragers, houders etc. De inhoud van de vrijwaringsverklaring kan dan ook niet mede redengevend zijn voor de uitleg van het exoneratiebeding.

4.14 Voor het overige heeft [appellant] geen feiten of omstandigheden gesteld die het hof tot een ander oordeel zouden kunnen brengen.

4.15 Uit het vorenoverwogene volgt dat grief I tevergeefs is voorgedragen.

4.16 [appellant] heeft tegen het beroep van SIDN op het exoneratiebeding als bepaald in artikel 17 van haar reglement als verweer aangevoerd dat dat exoneratiebeding buiten toepassing moet blijven, omdat toepassing ervan jegens [appellant] in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

4.17 In het licht van dat verweer heeft [appellant] in het bijzonder aangevoerd dat de fout van SIDN eenvoudig had kunnen worden vermeden als SIDN een behoorlijke controle had toegepast. Nu die controle achterwege is gebleven, is er volgens [appellant] sprake van grove onachtzaamheid aan de zijde van SIDN.

4.18 De rechtbank is in de rov. 4.6–4.9 van het vonnis waarvan beroep tot de conclusie gekomen dat van grove onzorgvuldigheid of onachtzaamheid aan de zijde van SIDN geen sprake is. [appellant] komt hiertegen op in zijn grieven II tot en met V.

4.19 Vaststaat dat SIDN op diverse manieren heeft bericht over de wijziging van het reglement en de daarmee verband houdende opheffing van de blokkade van een aantal domeinnamen met de bijbehorende voorrangsregeling. SIDN heeft dit gedaan door middel van een persbericht en berichtgeving (met een lijst van de betrokken domeinnamen) op haar website, terwijl de betrokken deelnemers (eerste aanvragers van de tot dan toe geblokkeerde domeinnamen) bovendien door middel van een brief op de hoogte zijn gebracht. In de opsomming van domeinnamen in de brief van 14 juli 1999 aan [appellant] (productie 15 bij conclusie van eis) kwamen de domeinnamen financiering.nl, krediet.nl en lening.nl niet voor, hoewel [appellant] de eerste aanvrager was van deze namen en deze namen onder het nieuwe reglement ook voor uitgifte in aanmerking kwamen. Die drie namen stonden wel in de lijst die SIDN op haar website had geplaatst.

4.20 SIDN heeft nader onderzocht wat de oorzaak is geweest van het ‘missen’ van de drie bewuste domeinnamen in de aan [appellant] verzonden brief van 14 juli 1999. Zij heeft daarvan uitvoerig en goed gedocumenteerd verslag gedaan in de memorie van antwoord onder 7-12. Het hof verwijst daarnaar. [appellant] heeft die weergave niet bestreden.

4.21 Kort gezegd komt het neer op het volgende. Een medewerker van SIDN heeft een lijst samengesteld van alle domeinnamen waarvan zij het verzoek tot registratie sinds augustus 1997 op grond van het oude reglement had afgewezen. Het bestuur van SIDN heeft op een print van die lijst handmatig aangegeven welke domeinnamen voor vrijgave in aanmerking kwamen. Daarna bleef een lijst over van de 1715 per 1 september 1999 vrij te geven domeinnamen. Een databasemedewerker van de facilitaire IT-afdeling van KEMA, aan welke organisatie SIDN toentertijd de meeste van haar operationele bezigheden uitbesteedde, heeft ten behoeve van de mailing een databaseprogramma opgestart, waarmee mailings kunnen worden gegenereerd. Door dit programma werden bij alle 1715 domeinnamen de gegevens van de oorspronkelijke aanvragers opgevraagd uit het historische registratiesysteem en gerangschikt. Bij het openen van een nieuw bestand, zoals in casu, in dat databaseprogramma diende de KEMA-medewerker o.m. de dimensioneringen van de velden te definiëren. Eenvoudiger gezegd: hij bepaalde de voor de te verwerken teksten beschikbare ruimte in de mailings (het tekstveld). Nadat het databaseprogramma de voor de mailing noodzakelijke gegevens had verzameld en geordend, is aan het programma opdracht gegeven de gehele mailing uit te printen. De uitgeprinte brieven (circa 1470) zijn handmatig verwerkt. Het probleem blijkt hierin te hebben bestaan dat het tekstveld (beperkt tot 254 karakters) niet de gehele tekst (die meer dan 254 karakters bevatte) betreffende door [appellant] aangevraagde domeinnamen heeft kunnen ‘meenemen’. Daardoor eindigt de brief aan [appellant] in het veld bestemd voor de domeinnamen met ‘financieelplanburo.’, zonder vermelding van ‘nl’ en zonder vermelding van de resterende (13) domeinnamen waaronder de drie welke in deze procedure in geschil zijn.

4.22 Van de circa 1470 oorspronkelijke aanvragers die de mailing ontvingen is [appellant] de enige bij wie door de beperking van het tekstveld een aantal domeinnamen niet in de brief werd afgedrukt. SIDN heeft mede aan de hand van producties inzichtelijk gemaakt dat [appellant] zo veel méér domeinnamen dan de andere oorspronkelijke aanvragers had aangevraagd dat hij wat dat betreft als een extreme ‘uitschieter’ heeft te gelden.

4.23 Gelet op de vermelde gegevens is het duidelijk dat de KEMA-medewerker een foutieve inschatting heeft gemaakt van het voor het in de mailings vermelden van de domeinnamen benodigde tekstveld. Naar ‘s hofs oordeel is deze fout ten aanzien van die KEMA-medewerker als een lichte fout te kwalificeren. Alle van de circa 1470 oorspronkelijke aanvragers minus één, namelijk [appellant], werden immers wel goed bediend. Dat vervolgens bij het handmatig verzenden van de uitgeprinte brieven de omissie in de brief aan [appellant] onbemerkt is gebleven, is, hoezeer op zichzelf ook weer fout, niet zodanig ernstig dat van een ernstiger schuldvorm dan een lichte fout dient te worden gesproken. SIDN heeft er terecht op gewezen dat kennelijk niemand – tot in de procedure in hoger beroep, waar SIDN de vermelde verklaring heeft gegeven – deze oorzaak heeft ontdekt, hoewel door het niet vermelden van ‘nl’ achter de laatste wèl vermelde domeinnaam in de brief aan [appellant], namelijk ‘financieelplanburo.’ al het vermoeden had kunnen ontstaan dat er in die brief een stuk tekst was weggevallen.

4.24 SIDN is wat betreft de uitgifte en registratie van domeinnamen in het .nl-domein een monopolist. Hierbij hoort een zware zorgplicht (ook) ten aanzien van [appellant]. Desalniettemin is het hof van oordeel dat SIDN te dezen geen grove onachtzaamheid kan worden verweten. Gesteld noch gebleken is immers dat SIDN er op bedacht had moeten zijn dat de KEMA-medewerker de vermelde foutieve inschatting voor het benodigde tekstveld voor het vermelden van de domeinnamen zou kunnen maken.

4.25 Het hof kan en zal in het midden laten wat de rechtbank in de rov. 4.6-4.9 verder nog heeft overwogen ter motivering van haar oordeel dat te dezen geen sprake is van grove onachtzaamheid aan de zijde van SIDN en tegen (onderdelen van) welke overwegingen [appellant] heeft gegriefd. Ook al zouden die grieven in zoverre op zichzelf gegrond zijn, dan doet zulks geen afbreuk aan de conclusie van het hof op grond van het hierboven overwogene, namelijk dat te dezen van grove onachtzaamheid aan de zijde van SIDN geen sprake is.

4.26 [appellant] heeft bewijs door getuigen aangeboden van zijn stelling dat het niet opnemen van de domeinnamen “lening.nl, financiering.nl en krediet.nl” in de mailing van 1999 is te wijten aan grove schuld aan de zijde van SIDN. [appellant] heeft echter geen (andere dan de voormelde ten processe gebleken) feiten en omstandigheden gesteld, die, zo bewezen, tot dat oordeel zouden kunnen leiden, zodat aan zijn bewijsaanbod wordt voorbijgegaan.

4.27 Hieruit volgt dat ook de grieven II tot en met V tevergeefs zijn voorgedragen.

4.28 Het hof zal thans overgaan tot een bespreking van de omstandigheden die partijen over en weer hebben gesteld ter onderbouwing van hun standpunt dat het in rov. 4.16 vermelde verweer wel respectievelijk niet dient te slagen.

4.29 De door partijen over en weer aangevoerde en overigens gebleken omstandigheden zijn de volgende:

a. Het exoneratiebeding in het reglement van SIDN, monopolist wat betreft de uitgifte en registratie van domeinnamen in het .nl-domein, is een eenzijdig opgesteld beding in algemene voorwaarden en behelst een algehele uitsluiting van de aansprakelijkheid van SIDN, en is daarmee een voor [appellant] ‘uiterst nadelig’ beding.

b. [appellant] heeft gesteld dat SIDN ter zake van de door haar uitgesloten aansprakelijkheid een aansprakelijkheidsverzekering zou kunnen afsluiten.

Volgens SIDN is zulks niet anders mogelijk dan tegen een zeer hoge premie. Het hof laat dit verder in het midden, waar toch ten pleidooie is gebleken dat SIDN beschikt over een eigen vermogen van ruim 6 miljoen euro, zodat zij bedrijfseconomisch bezien de onderhavige door [appellant] gevorderde schadevergoeding ad € 107.999,69 zonder problemen zou kunnen voldoen.

c. SIDN is een organisatie zonder winstoogmerk. Zij berekende in 1999 voor een domeinnaamregistratie een bedrag van f 30,-- plus f 20,-- per kwartaal (blijkens akte d.d. 13 december 2001 onder 17 in 2001: € 5,-- voor de registratie plus € 1,75 per kwartaal). Hier staat tegenover dat de litigieuze fout in de organisatie van SIDN heeft geleid tot een schadeclaim aan de zijde van [appellant] van ruim € 100.000,--. Daarmee is een wanverhouding gegeven tussen een lage prijs en grote schade als bedoeld in HR 18 december 1981, NJ 1982, 71 inzake Van Kleef/Monster.

d. De schadeveroorzakende litigieuze fout heeft het karakter van lichte schuld en is gemaakt door een niet-leidinggevende

ondergeschikte (lees:) hulppersoon van SIDN.

e. Met in redelijkheid van [appellant] (en wellicht haar serviceprovider BIT) te verwachten zelfwerkzaamheid zou de fout in de bewuste brief van 14 juli 1999 van SIDN aan [appellant] zijn ontdekt en had de schade kunnen worden voorkomen. [appellant], een professionele domeinnaamhandelaar, wist immers als geen ander welke domeinnamen hij voor registratie bij SIDN had aangemeld. Indien hij die brief met de vereiste alertheid had gelezen, zou hem moeten zijn opgevallen dat achter de in die brief als laatste vermelde domeinnaam ‘financieelplanburo.’ de ‘nl’ ontbrak. Dat had [appellant] op de gedachte kunnen brengen dat de tekst in die brief incompleet was. Bovendien, doch dit ten overvloede, had [appellant] op de website van SIDN vanaf medio juli 1999 van de juiste gegevens kunnen kennis nemen. Aan een en ander doet niet af dat [appellant], zoals hij stelt en SIDN betwist, op dat moment niet wist dat hij de eerste aanvrager van de ontbrekende domeinnamen was.

4.30 Het hof komt thans tot de uiteindelijke afweging van de vermelde omstandigheden. De omstandigheden als vermeld in rov. 4.29 onder (a) en (b) werken in die afweging in het nadeel van SIDN. De omstandigheden t.a.p. onder (c), (d) en (e) werken in het voordeel van SIDN. Naar ’s hofs oordeel wegen in deze finale afweging de omstandigheden onder (c), (d) en (e) zwaarder dan die onder (a) en (b), waarbij van doorslaggevende betekenis is dat in casu slechts sprake is geweest van lichte schuld in de organisatie van SIDN als geformuleerd in de vermelde omstandigheid onder (d). Deze finale afweging valt mitsdien uit in het voordeel van SIDN.

4.31 Hiermee is gegeven dat het hof het verweer van [appellant] als vermeld in rov. 4.16 verwerpt.

4.32 [appellant] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld, die indien bewezen, het hof tot een andere uitkomst zouden kunnen brengen. Om die reden worden ook zijn (overige) bewijsaanbiedingen gepasseerd.

4.33 De slotsom luidt dat de grieven van [appellant] falen. Grief VI mist zelfstandige betekenis en behoeft daarom geen bespreking. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd, met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure in hoger beroep.

5 Beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van deze procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van SIDN begroot op € 2.808,-- voor griffierecht en op € 6.807,-- voor salaris voor de procureur;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Rijken, Smeeïng-van Hees en Rinzema en is uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van 14 oktober 2003.