Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2003:AL1461

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
13-08-2003
Datum publicatie
23-09-2003
Zaaknummer
02-03808
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aan belanghebbende is de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd ten bedrage van € 500, uitsluitend bestaande uit een op de voet van artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Algemene wet) opgelegde verzuimboete.

Het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna: het Besluit) vermeldt in paragraaf 23, lid 4, dat bij een tweede verzuim de inspecteur een boete oplegt van 1% van de niet tijdig betaalde belasting, met een maximum van € 1.134.

De boete is bij uitspraak bezwaar verminderd naar € 100.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2003/48.3.4
FutD 2003-1752
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

zesde enkelvoudige belastingkamer

nummer 02/03808 (dividendbelasting)

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : X BV]

te : [Z]

verweerder : de Inspecteur van de Belastingdienst/Grote ondernemingen [P]

aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar

betreft : naheffingsaanslag dividendbelasting 2002

Nummer : [01]

mondelinge behandeling : op 30 juli 2003 te Arnhem

waarbij verschenen : [belanghebbende directeur, alsmede de Inspecteur]

gronden:

1. Op 31 mei 2002 is een bedrag van € 200.000 aan dividend ten gunste van belanghebbende geboekt in rekening-courant.

2. De directeur van belanghebbende heeft op 22 juni 2002 van de terbeschikkingstelling van dit dividend aangifte gedaan. Op diezelfde dag heeft hij via het internetprogramma van de [a-bank] die bank opdracht gegeven om de verschuldigde dividendbelasting (€ 50.000) op zondag 30 juni 2002 over te schrijven naar de bankrekening van de belastingdienst.

3. De betaling is op 1 juli 2002 bijgeschreven op de rekening van de ontvanger.

Aan belanghebbende is vervolgens de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd ten bedrage van € 500, uitsluitend bestaande uit een op de voet van artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Algemene wet) opgelegde verzuimboete.

Het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna: het Besluit) vermeldt in paragraaf 23, lid 4, dat bij een tweede verzuim de inspecteur een boete oplegt van 1% van de niet tijdig betaalde belasting, met een maximum van € 1.134.

De boete is bij uitspraak bezwaar verminderd naar € 100.

4. De bank vermeldt in een tot de gedingstukken behorende folder dat op zaterdag of, naar het Hof uit het voorbeeld begrijpt, op zondag uit te voeren opdrachten pas op maandag kunnen worden gedaan, omdat de banken eerst dan de binnenlandse betalingen bij Interpay ter verevening bij de Nederlandsche Bank kunnen aanbieden. De bank boekt het bedrag dan op maandag van de rekening van de opdrachtgever en op diezelfde dag komt het geld ter beschikking van de bank van de begunstigde. Nog dezelfde dag boekt die bank het bedrag op de rekening van de begunstigde. Er wordt in dat geval aan de opdrachtgever rente vergoed tot zaterdag en de begunstigde ontvangt over het bedrag rente vanaf dinsdag.

5. Belanghebbende meent dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd omdat tijdig is betaald. Die opvatting is onjuist, aangezien volgens vaste jurisprudentie bij betaling door overschrijving op de rekening van de ontvanger deze betaling eerst plaatsvindt op de dag waarop de belasting wordt bijgeschreven op die rekening. In overeenstemming daarmee is in paragraaf 8 van het Besluit voor het onderhavige geval als dag van betaling genoemd de datum van creditering van 's Rijks Schatkist bij de Nederlandsche Bank. Nu vaststaat dat de ontvanger eerst op 1 juli 2002 over het bedrag heeft kunnen beschikken, is het bedrag van de aangifte te laat betaald. In zijn opvatting dat ook in deze gevallen de verzendtheorie van toepassing is zal het Hof belanghebbende niet volgen.

6. Belanghebbende stelt vervolgens dat "het aandeelhoudersbesluit tot dividenduitkering later dan 31 mei is genomen". Belanghebbende heeft in de op 22 juni 2002 gedagtekende aangifte onder vraag 2a ("Op welke datum is de opbrengst beschikbaar gesteld?") geantwoord: 31 mei 2002. Belanghebbende mag, nu haar verdere gedrag met dat antwoord in overeenstemming is geweest, in beginsel aan die mededeling worden gehouden. Indien belanghebbende thans beweert dat de beschikbaarstelling later dan 31 mei 2002 heeft plaatsgevonden, rust, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, op haar de last dit aannemelijk te maken. Belanghebbende is daarin niet geslaagd.

7. Belanghebbendes directeur, die de aangifte heeft gedaan en de betalingsopdracht heeft gegeven, is belastingadviseur bij Deloitte & Touche. In die hoedanigheid is hij ervan op de hoogte, althans had hij ervan op de hoogte moeten zijn, dat de bank op zondag geen opdrachten uitvoert en de betaling derhalve eerst op maandag op de rekening van de ontvanger zou worden bijgeschreven. De omstandigheid dat de directeur van belanghebbende dit volgens zijn verklaring, naar het oordeel van het Hof verwijtbaar, niet wist levert voor belanghebbende, gelet op de omstandigheden van dit geval, geen afwezigheid van alle schuld op. De naheffingsaanslag is derhalve terecht opgelegd.

8. De stelling dat de eerdere aangifte onjuist was omdat het besluit tot dividenduitkering pas na 4 januari 2002 is genomen kan belanghebbende in deze zaak niet baten, aangezien voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een tweede verzuim wordt aangesloten bij de niet in bezwaar en beroep bestreden afdracht op aangifte waarbij het verzuim heeft plaatsgevonden.

9. Bij het doen van die aangifte is uitgegaan van een verplichting tot inhouding van dividendbelasting op 31 december 2001. De ontvanger heeft de toen verschuldigde belasting eerst op 4 februari 2002 en derhalve te laat ontvangen. Er is toen evenwel, kennelijk met toepassing van paragraaf 23, de leden 2 en 4, van het Besluit, geen boete opgelegd. Belanghebbende is bij brief van 22 februari 2002 van het verzuim op de hoogte gebracht. Belanghebbende heeft ook daarop niet gereageerd. De Inspecteur concludeert derhalve terecht dat in het onderhavige geval sprake is van een tweede verzuim. De slechts uit een, nadien verminderde, boete bestaande naheffingsaanslag is derhalve tot het juiste bedrag opgelegd. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat geen omstandigheden zijn gebleken die nopen tot een verdere verlaging van de boete.

10. Belanghebbendes opmerking dat de resterende boete ver uitgaat boven het door de belastingdienst voor die ene dag geleden renteverlies is, gemakshalve er van uitgaande dat door die dienst geen andere kosten zijn gemaakt als gevolg van het verzuim, op zichzelf juist doch dit tast de hiervoor in 7. en 9. vermelde oordelen niet aan.

11. Belanghebbendes verwijt dat hij niet door de Inspecteur is gehoord is juist, doch daaraan kunnen geen gevolgen worden verbonden, nu belanghebbende de Inspecteur niet heeft gevraagd om haar te horen zodat, gelet op artikel 25, lid 4, van de Algemene wet, die verplichting ook niet bestond.

12. Ook de overige klachten kunnen niet tot een andere oordeel leiden. Het beroep is ongegrond.

proceskosten:

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

beslissing:

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan op 13 augustus 2003 door mr. J. Lamens, lid van de zesde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. L.A. Aalbersberg als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(L.A. Aalbersberg) (J. Lamens)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 25 augustus 2003

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het Gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.