Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2003:AL1193

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
06-08-2003
Datum publicatie
23-09-2003
Zaaknummer
98-04477
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Partijen houdt verdeeld of de Inspecteur terecht (..) correcties heeft aangebracht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2003/58.1.10
FutD 2003-1782
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

derde meervoudige belastingkamer

nr.98/04477 (inkomstenbelasting)

U i t s p r a a k

op het beroep van [X] te [Z] (BRD) (hierna: belanghebbende) inzake de door de Inspecteur van de Belastingdienst/ondernemingen [P] aan haar opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1994.

1. Aanslag en bezwaar

1.1. De aan belanghebbende opgelegde aanslag, gedagtekend 31 december 1997, is berekend naar een belastbaar inkomen van f 42.845 met inachtneming van een belastingvrije som van f 5.925. Aan heffingsrente is f 50 vergoed.

1.2. Belanghebbende heeft een bezwaarschrift, gedagtekend 21 december 1997, bij de Inspecteur ingediend. Bij uitspraak op bezwaar van 19 oktober 1999 heeft de Inspecteur de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van f 40.931, met inachtneming van dezelfde belastingvrije som en met te vergoeden heffingsrente ten bedrage van f 80.

2. Geding voor het Hof

2.1. In verband met het niet doen van uitspraak binnen één jaar na het indienen van het bezwaarschrift heeft belanghebbende een beroepschrift bij het Hof ingediend dat ter griffie is ontvangen op 20 december 1998, waarbij bijlagen zijn overgelegd.

2.2. Tot de stukken van het geding die vóór de eerste mondelinge behandeling van de zaak zijn ontvangen behoren

- brieven van de griffier aan belanghebbende van 29 december 1998, 12 februari en 29 maart 1999 en brieven van belanghebbende aan de griffier van 2 februari en 10 maart 1999 inzake domiciliekeuze;

- een brief van de Inspecteur van 17 juni 1999 aan de griffier met het verzoek op de voet van artikel 8, eerste lid, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken om uitstel van de behandeling;

- een brief van 22 september 1999 van de griffier aan de Inspecteur waarin aan de Inspecteur het gevraagde uitstel wordt verleend;

- een brief van de Inspecteur van 19 oktober 1999 aan de griffier met als bijlage de op 19 oktober 1999 gedane uitspraak op het bezwaar;

- het op 31 januari 2000 ingekomen aanvullende, op 25 januari 2000 gedagtekende beroepschrift van belanghebbende, voorzien van bijlagen;

- het verweerschrift van de Inspecteur met bijlagen;

- de op 16 mei 2000 ontvangen conclusie van repliek van belanghebbende; de bij deze conclusie van repliek behorende bijlagen zijn op 24 mei 2000 per fax ter griffie ontvangen;

- een brief van de Inspecteur van 4 juli 2000, waarin hij meedeelt dat hij in de conclusie van repliek geen aanleiding vindt zijn verweerschrift aan te vullen;

- een brief van belanghebbende aan het Hof van 11 september 2000 met bijlagen;

- een brief van de Inspecteur van 27 november 2000 aan het Hof met één bijlage;

- een brief van belanghebbende van 19 oktober 2000 aan het Hof, waarin belanghebbende verzoekt om een mondelinge behandeling van de zaak.

Al deze stukken zijn over en weer ter kennis van partijen gebracht.

2.3. De eerste mondelinge behandeling heeft plaatsgehad op 16 april 2002 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord [belanghebbende en haar gemachtigde, bijgestaan door belanghebbendes partner, alsmede de Inspecteur, bijgestaan door een kantoorgenoot].

2.4. De notities van het pleidooi dat de gemachtigde van belanghebbende bij deze mondelinge behandeling heeft gehouden, worden als hier herhaald en ingelast beschouwd.

2.5. Tot de stukken die na de eerste mondelinge behandeling zijn ontvangen behoren:

- een brief van 18 april 2002 van de griffier aan de Inspecteur met door het Hof in de eerste zitting geformuleerde vragen;

- een brief van de Inspecteur van 31 mei 2002 aan het Hof met één bijlage;

- een brief van de gemachtigde van belanghebbende van 30 augustus 2002 aan het Hof, met onder meer een berekening van het belastbaar inkomen over het onderhavige jaar; een afschrift van deze berekening is aan deze uitspraak gehecht;

- een brief van 14 februari 2003 van de Inspecteur aan het Hof.

Al deze stukken zijn over en weer ter kennis van partijen gebracht.

2.6. De tweede mondelinge behandeling heeft plaatsgehad op 25 februari 2003 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord [belanghebbende en haar gemachtigde, bijgestaan door belanghebbendes partner, alsmede de Inspecteur].

2.7. De notities van het pleidooi dat de gemachtigde van belanghebbende bij deze tweede mondelinge behandeling heeft gehouden (een pleitnota, met twee bijlagen tegen de overlegging waarvan de Inspecteur geen bezwaar heeft gemaakt, alsmede een stuk met dagtekening 24 februari 2003), worden als hier herhaald en ingelast beschouwd.

2.8. In beide gehouden zittingen zijn met toestemming van partijen de navolgende zaken ten name van belanghebbende met de daarbij genoemde hofnummers gelijktijdig behandeld:

- inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1994; hofnummer 98/04477

- inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1995; hofnummer 00/01212

- inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1996; hofnummer 00/01213

- inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997; hofnummer 00/01214.

3. De vaststaande feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet bestreden dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet weersproken, de volgende feiten vast.

3.1. Belanghebbende, geboren in 1955, was in 1994 werkzaam bij [A GmbH te Q] Na een conflict met [A GmbH] heeft zij op gezag van [A GmbH] de werkzaamheden eind april 1994 moeten beëindigen. Daarna heeft belanghebbende zich beschikbaar gehouden de werkzaamheden voort te zetten. Na het voeren van gerechtelijke procedures voor de kantonrechter en de rechtbank te [R] is [A GmbH] veroordeeld tot doorbetaling gedurende een aantal maanden van het salaris van belanghebbende en tot betaling en/of vergoeding van haar kosten.

3.2. Blijkens de aangifte over het onderhavige jaar genoot belanghebbende daarna inkomsten van het GAK en vanaf 1 juli 1994 van [een uitzendbureau]. In de tweede helft van 1994 is zij gestart met werkzaamheden voor het Ministerie van Justitie in het kader van asielaanvragen. Begin 1997 heeft zij bij die werkgever een vaste aanstelling gekregen.

3.3. In de jaren negentig woonde belanghebbende samen met [haar partner]. [Belanghebbendes partner] genoot een uitkering van de gemeente [S], vanaf 1 september 1993 een RWW-uitkering en vanaf 1 oktober 1996 een ABW-uitkering. Na ontvangen informatie van de Belastingdienst te [P] inzake mogelijke samenloop van de uitkering met genoten winst uit onderneming(en) onder de naam [B] is [belanghebbendes partner] in juli 1997 aangehouden en verhoord. Het onderzoek inzake de uitkering (hierna: het opsporingsonderzoek), de aanhouding en de verhoren zijn neergelegd in een op ambtseed door ambtenaren bijzondere controle van het Intergemeentelijk Orgaan [aa te S] opgemaakt proces-verbaal van 26 augustus 1997.

Blijkens opgave van de gemeente [S] aan de Belastingdienst heeft [belanghebbendes partner] de volgende bedragen aan uitkeringen genoten:

1994 f 23 146

1995 f 22 184

1996 f 23 024

1997 f 10 791.

3.4. Blijkens genoemd proces-verbaal stond belanghebbende volgens de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente [S] in de jaren 1994 tot en met 1997 als volgt ingeschreven:

van 12 juli 1991 tot 27 januari 1994 [a-weg 1 te T];

op 27 januari 1994 geëmigreerd naar [b-weg 2 te U], België;

van 30 maart 1994 tot 17 juli 1995 [a-weg 1 te T];

op 17 juli 1995 geëmigreerd naar [b-weg 3 te U], België;

vanaf 2 augustus 1995 [a-weg 1 te T] met als postadres [Postbus 3 te V].

Ook belanghebbende is in juli 1997 aangehouden en verhoord en wel ter zake van de verdenking van heling.

3.5. Omtrent haar woon- of verblijfplaats heeft belanghebbende tegenover de opsporingsambtenaren blijkens het proces-verbaal in een verhoor op 23 juli 1997 het hierna volgende - zakelijk weergegeven - verklaard, waarna zij haar verklaring heeft ondertekend:

Zij huurde de woning [a-weg 1 te T] en heeft daar gewoond tot augustus 1995. Op een gegeven moment had zij een baan in [Q]. Zij heeft toen een kamer gehuurd in te [R]. Zij verbleef daar gedurende de werkweek en in de weekenden verbleef zij in [T]. [Belanghebbendes partner] is bij haar in [T] komen inwonen. In juni 1995 heeft zij de woning [c-weg 4] in Z] in Duitsland gekocht. In augustus 1995 is zij in die woning getrokken. De woning is deels betaald uit een erfenis en de rest is geleend. Belanghebbendes partner] is daar toen ook direct gaan wonen. Zij leefden daar als man en vrouw. [Belanghebbendes partner] en zij hebben in de tijd dat zij in [Q] werkte ook nog enkele maanden aan de [arbeidsplaats] in [QQ] in België gewoond. Zij huurden daar een woning. In de tijd dat zij in [QQ] woonden heeft zij de Peugeot gekocht. Na het dienstverband in [Q] zijn zij weer in [T] gaan wonen.

Het bedrijf [B-1] is eind 1993 opgericht is eerst op haar naam gestart omdat dat beter zou zijn omdat [belanghebbendes partner] een uitkering had. Dat bedrijf was het bedrijf van [belanghebbendes partner]. Over het feit dat het bedrijf in 1996 op naam van [haar partner] is gezet weet zij niet zo veel. Zij bemoeide zich niet met de zaak van [haar partner]. [Belanghebbendes partner] startte de bedrijven [B-2 en B-3].

In [Z] zijn zij op het Nederlandse telefoonnet aangesloten. [Belanghebbendes partner] heeft dat geregeld. Zij maken gebruik van [Postbus 3 te V].

3.6. Belanghebbende heeft over het onderhavige jaar aangifte gedaan van een belastbaar inkomen van f 13.444 en toepassing van tariefgroep 3. De Inspecteur heeft, omdat de uitkomsten van het opsporingsonderzoek nog niet beschikbaar waren, naar zijn zeggen te behoud van rechten, de aanslag over 1994 als volgt vastgesteld:

belastbaar inkomen aangifte f 13.444

bij:

voorshands arbeidskostenforfait (f 2.086) in plaats

van aftrekbare kosten volgens aangifte (f 25.757) - 23.671

telfout - 4.000

voorshands geen verlies uit onderneming - 303

door hogere drempel geen buitengewone lasten - 1.427 vastgesteld belastbaar inkomen f 42.845

De Inspecteur heeft tariefgroep 2 toegepast omdat naar zijn mening [belanghebbendes partner], met wie belanghebbende in het onderhavige jaar samenwoonde, een hoger inkomen dan de basisaftrek genoot.

3.7. Bij de uitspraak op het bezwaarschrift heeft de Inspecteur alsnog als aftrekbare kosten een bedrag van f 4.000 geaccepteerd, waardoor het belastbaar inkomen nader is vastgesteld op f 40.931.

4. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

4.1. Partijen houdt verdeeld of de Inspecteur terecht voormelde correcties heeft aangebracht.

Voorts heeft belanghebbende het Hof verzocht om

- de Belastingdienst op te dragen alle correspondentie met het opsporingsorgaan over te leggen;

- het strafrechtelijk optreden van de Belastingdienst tegen haar en [haar partner] te beoordelen en daaraan consequenties te verbinden;

- een extra aftrekpost van f 6.000 toe te kennen wegens, naar het Hof begrijpt, het optreden van de Belastingdienst en het disfunctioneren van de politie bij gelegenheid van een inbraak in haar woning;

- veroordeling van de Belastingdienst in de kosten die zij moest maken in verband met de boekenonderzoeken.

4.2. Partijen hebben de voor hun respectievelijke standpunten aangevoerde gronden vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan is ter zitting toegevoegd:

In de eerste zitting

Namens belanghebbende

Niet in geschil is dat, anders dan in haar aangiften is vermeld, de winst uit de verschillende ondernemingen is genoten door [belanghebbendes partner] en bij hem in de belastingheffing moet worden betrokken. Er wordt op gewezen dat de Belastingdienst een onderzoeksplicht en een motiveringsplicht heeft.

Door de Inspecteur

Voor de jaren 1994 tot en met 1997 heeft hij f 4.000 per jaar aftrekbare kosten toegestaan. Dit bedrag berust op een schatting nadat belanghebbende heeft geweigerd de door hem gevraagde inlichtingen omtrent de in aftrek gebrachte kosten te verstrekken. Hij verwijst naar zijn vragenbrief aan belanghebbende van 28 september 1999 en het antwoord van belanghebbende van 30 september 1999 (bijlagen 12 en 14 bij zijn verweerschrift).

In de tweede zitting

Namens belanghebbende

Zij stemt in met het thans niet behandelen van de zaak betreffende de inkomstenbelasting 1998.

Ingezien wordt dat sommige posten, zoals afschrijving bureau e.d. fiscaal niet mogelijk zijn, zoals de voorzitter meedeelt.

De inkomens van [belanghebbendes partner] zoals de Inspecteur die opgeeft worden bestreden. Omdat [belanghebbendes partner] geen aangifte kon doen omdat hem geen aangiftebiljet is uitgereikt, kon hij de lagere inkomens door verlies uit onderneming niet aantonen.

De Belastingdienst overschrijdt steeds termijnen en houdt zich niet aan afspraken.

Het verzoek aan het Hof inzake het toekennen van een BTW-nummer voor [B] wordt ingetrokken. De andere verzoeken aan het Hof worden gehandhaafd.

Er was te weinig tijd om op de brief van de Inspecteur die op 14 februari 2003 bij het Hof is binnengekomen te reageren.

Zij is van mening dat alle relevante stukken en bewijzen zijn overgelegd.

Door de Inspecteur

Hij stemt in met het thans niet behandelen van de zaak betreffende de inkomstenbelasting 1998.

Het is onjuist dat [belanghebbendes partner] geen aangifte kon doen van andere inkomsten of verliezen dan de genoten uitkering. Aangifte doen door middel van een T-biljet is altijd mogelijk.

Hij heeft alle stukken die belanghebbende bij de aangifte heeft meegezonden ook aan het Hof overgelegd.

4.3. Belanghebbende verzoekt vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van het door de Inspecteur vastgestelde belastbaar inkomen. In voormelde brief van 30 augustus 2002 heeft de gemachtigde van belanghebbende het belastbaar inkomen over het onderhavige jaar nader berekend op f 6.817. Tevens verzoekt belanghebbende de Inspecteur te veroordelen in kosten gemaakt tijdens de fase van bezwaar.

4.4. De Inspecteur concludeert in zijn brief aan het Hof van 14 februari 2003 nader tot een belastbaar inkomen van f 36.457.

5. Beoordeling van het geschil

met betrekking tot de procedure

5.1. In de van haar afkomstige stukken heeft belanghebbende herhaald bezwaar gemaakt tegen het verstrekken door de eenheid van de Inspecteur van inlichtingen aan een opsporingsinstantie belast met de opsporing van oneigenlijk gebruik van uitkeringen. Om die reden is belanghebbende weigerachtig gebleven vragen van de Inspecteur inzake haar aangifte te beantwoorden.

5.2. In artikel 67, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) is bepaald dat de Minister van Financiën ontheffing kan verlenen van de in het eerste lid van dat artikel beschreven geheimhoudingsplicht. De mogelijkheid tot ontheffing is nader beschreven in het Voorschrift informatieverstrekking 1993, gegeven bij Resolutie van de staatssecretaris van Financiën van 14 december 1992, Stcrt. 1992, 251, zoals nader gewijzigd. In dit Voorschrift is voorzien in verstrekking door de Belastingdienst van gegeven aan gemeentelijke sociale diensten en uitvoeringsinstellingen sociale verzekeringen. De klacht van belanghebbende te dezen treft derhalve geen doel.

5.3. Voor het overige is het Hof voor dit geding niet gebleken dat de Inspecteur in strijd met een goede procesorde of op enig onrechtmatige wijze stukken of gegevens heeft ingebracht. Het Hof ziet daarom geen belang of aanleiding de Inspecteur op te dragen alle correspondentie tussen hem en de opsporingsdienst betreffende belanghebbende of [haar partner] in het geding te brengen, een en ander daargelaten dat de aangelegenheden [belanghebbendes partner] betreffende betekenis missen voor de beoordeling van de in dit geding aan de orde zijnde punten van geschil.

5.4. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat in casu omkering van de bewijslast aan de orde is omdat belanghebbende door hem gestelde vragen niet heeft beantwoord.

5.5. Uit de stukken van het geding komt naar voren dat de door belanghebbende aanvankelijk niet beantwoorde vragen van de Inspecteur nagenoeg allemaal betrekking hadden op de onder de naam B] gedreven onderneming(en), met betrekking tot welke onderneming(en) partijen het er nader over eens zijn dat die vanaf de aanvang niet voor rekening en risico van belanghebbende maar van [haar partner] werd(en) gedreven. Wel moet daarbij worden opgemerkt dat belanghebbende zelf mede oorzaak is van de vraagstelling van de Inspecteur bij het in 1997 gehouden boekenonderzoek en daarna in brieven, nu zij in haar aangiften over 1994 en daarop volgende jaren opgave deed van het resultaat van [B].

5.6. Na de indiening van het beroepschrift heeft de Inspecteur bij brief van 28 september 1999 vragen gesteld over een aantal van door belanghebbende in haar aangifte opgevoerde aftrekbare kosten. Anders dan de Inspecteur in het verweerschrift stelt, kan het niet onmiddellijk beantwoorden van die vragen door belanghebbende niet leiden tot omkering van de bewijslast. In het arrest HR 10 februari 1988, nr. 23 925, BNB 1988/160, heeft de Hoge Raad immers beslist dat in de fase van beroep bij de rechter de Inspecteur niet buiten de rechter om gebruik mag maken van de hem ten dienste staande dwangmiddelen. Nu belanghebbende in de procedure bij het Hof de met toestemming van het Hof door de Inspecteur bij zijn brief van 31 mei 2002 gestelde andere vragen inzake haar aangiften over de jaren 1994 tot en met 1997 heeft beantwoord, vindt het Hof geen aanleiding de bewijslast om te keren. Het Hof zal mitsdien de normale, in de fiscale procedure geldende bewijsregels toepassen, hetgeen inhoudt dat belanghebbende bij een gemotiveerde bestrijding door de Inspecteur de door haar gestelde voor aftrek in aanmerking komende uitgaven en indeling in de door haar voorgestane tariefgroep aannemelijk zal moeten maken.

5.7. Het behoort niet tot de taak van de rechter in belastingzaken een oordeel uit te spreken over een strafrechtelijk optreden tegen een belastingplichtige.

5.8. In de tweede zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende gesteld dat de termijn voor reactie op de laatste brief van de Inspecteur van 14 februari 2003 te kort zou zijn. De brief van de Inspecteur is bij het Hof ingekomen 11 dagen voor de tweede zitting en aan belanghebbende ter kennisneming toegezonden. Hoewel artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht op de onderhavig procedure niet van toepassing is, is het Hof van oordeel dat de brief van de Inspecteur zonder bezwaar tot de stukken van het geding kan worden gerekend. De brief van de Inspecteur bevat geen nieuwe stellingnames en is niet anders dan een korte reactie op de uitgebreide en (deels) nadere stellingnames van belanghebbende in de brief van haar gemachtigde van 30 augustus 2002. Het Hof acht belanghebbende niet in haar procespositie geschaad.

met betrekking tot de correcties

algemeen

5.9. Belanghebbende heeft in de brief van haar gemachtigde van 30 augustus 2002, mede naar aanleiding van vragen van het Hof, na de eerste zitting een nadere en herziene opgave verstrekt van de berekening van haar belastbaar inkomen over het onderhavige jaar. Daarbij heeft zij een opsomming gegeven van alle naar haar mening voor aftrek in aanmerking komende uitgaven. De Inspecteur heeft bij brief van 14 februari 2003 gereageerd. Het Hof zal deze correspondentie met betrekking tot de becijferingen in aanmerking nemen bij de navolgende beoordeling.

afschrijving bureauartikelen

5.10. De kosten van kantoorruimte, de inrichting daaronder begrepen, kunnen ingevolge artikel 36, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) onder voorwaarden in aftrek komen. Belanghebbende, die in haar in het onderhavige jaar vervulde dienstbetrekkingen buitenshuis werkte, heeft gesteld noch aannemelijk gemaakt dat zij aan de in dit artikelonderdeel gestelde voorwaarden heeft voldaan. Voor afschrijvingen bureau, boekenkast en bureaustoel is mitsdien geen plaats.

Uitgaven voor koffers kunnen zonder nadere onderbouwing niet tot de aftrekbare kosten als bedoeld in artikel 35 van de Wet worden gerekend.

Resteert de door de Inspecteur in de stukken niet bestreden afschrijving op de rekenmachine, schrijfmachine, facsimile, computer en modem, tezamen f 3.016. Dit bedrag te verminderen met de drempel van f 800 voor privé-gebruik leidt tot een als aftrekbare kosten aan te merken afschrijving van f 2.216.

vakliteratuur, -bladen en lidmaatschappen

5.11. Partijen zijn het eens over een bedrag van f 449 aan aftrekbare kosten.

vaktraining

5.12. Belanghebbende stelt dat zij in verband met toenemende werkzaamheden van juridische aard vanaf september 1994 studies is gaan volgen aan [universiteiten in RR en Z]. Tezamen met kosten van reizen bedragen de uitgaven hiervoor f 4.188. De Inspecteur stelt in zijn brief van 14 februari 2003 dat met betrekking tot deze uitgaven enkel sprake kan zijn van als studiekosten aan te merken buitengewone lasten.

Het aanvangen van een academisch gerichte studie geschiedt in het algemeen niet met het oog op het op peil houden van bepaalde vaardigheden voor reeds verrichte arbeid, maar veeleer met het oog op uitbreiding van kennis om in de toekomst positieverbetering te bereiken. Het karakter studie of opleiding voor een beroep staat daarbij voorop. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in haar geval anders is. Met inachtneming van de in artikel 46, eerste lid, onderdeel c, van de Wet genoemde drempel van f 800 zijn deze uitgaven als buitengewone lasten aftrekbaar van het onzuiver inkomen. Daarbij heeft te gelden dat ingevolge artikel 14 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1999 (tekst 1994) voor reiskosten een bedrag van f 0,31 aftrekbaar is.

Vooraftrek als buitengewone lasten komt in aanmerking:

kosten studie f 3.295

reiskosten 16 x f 47,3 km x 2 x f 0,31 - 469

f 3.764.

proceskosten aangevochten ontslag

5.13. Belanghebbende wil volgens de opstelling van het inkomen in de brief van 30 augustus 2002 als aftrekbare kosten op het inkomen in mindering brengen f 3.494 advocaatkosten, f 200 griffiekosten en f 195 kosten [fotograaf].

De Inspecteur stemt in met de advocaatkosten ad f 3.493,05 maar is van mening dat de door de Kantonrechter te te R] in zijn vonnis van 15 maart 1994 aan belanghebbende toegekende vergoeding van f 845,75 ten laste van [A GmbH] daarop in mindering moet worden gebracht. Belanghebbende stelt dat zij van het innen van de vergoeding heeft afgezien omdat dit een nieuwe juridische procedure zou vergen. Zij heeft tegenover de bestrijding door de Inspecteur voor die stelling evenwel geen enkel bewijs geleverd en het Hof acht ook niet aannemelijk dat belanghebbende zonder meer van het innen van dit bedrag heeft afgezien. Het hof houdt het er daarom voor dat in zoverre de advocaatkosten niet op belanghebbende drukten. Een en ander leidt het Hof tot het oordeel dat de advocaatkosten voor aftrek in aanmerking komen tot een bedrag van (f 3.493,05 - f 845,75) f 2.648 (afgerond).

Op pagina 3 van de brief van 30 augustus 2002 van de gemachtigde wordt geconcludeerd dat de griffiekosten van f 200 ten onrechte in dit verband zijn opgevoerd. Aftrek van dit bedrag is daarom niet aan de orde.

Met betrekking tot de kosten [fotograaf] heeft de gemachtigde van belanghebbende in de tweede zitting gesteld dat zij foto's heeft gemaakt om als bewijsstukken te dienen in de procedure tegen [A GmbH] en dat de Inspecteur de notulen van de zitting te te [R] had kunnen opvragen om dit te verifiëren. De bewijslast met betrekking tot aftrekbare kosten rust evenwel op belanghebbende. Met betrekking tot deze kosten heeft zij tegenover de bestrijding door de Inspecteur geen bewijs geleverd. Aftrek van deze gestelde kosten is daarom niet mogelijk.

reiskosten sollicitaties en bezoek aan advocaat en bijwonen zittingen

5.14. Belanghebbende stelt ter zake van sollicitaties te [SS] (BRD) en [TT] (BRD) 461 respectievelijk 673 km te hebben gereden. Daarnaast stelt zij nog 1739 km te hebben gereden in verband met bezoeken aan de advocaat en het gerechtsgebouw. De Inspecteur heeft niet bestreden dat deze kosten zijn gemaakt. Het Hof acht de stelling van belanghebbende niet onaannemelijk. Het bedrag van de gestelde kosten ( 2873 km x f 0,57) f 1.638 kan daarom als aftrekbare kosten worden aanvaard.

telefoonkosten

5.15. Belanghebbende stelt in het kader van de ontslagprocedure veelvuldig telefonisch met haar advocaat te hebben overlegd en dat de kosten daarvan f 3.420,85 bedragen. De Inspecteur meent dat dit bedrag buitensporig hoog is en aanvaardt ter zake een bedrag van f 500.

Met het enkel overleggen van telefoonnota's levert belanghebbende niet het van haar te verlangen bewijs dat de gestelde telefoonkosten hun oorzaak vinden in de door haar geschetste omstandigheden. Zonder nader bewijs van de zijde van belanghebbende vormt een schatting van f 500 naar het oordeel van het Hof een redelijke benadering van deze kosten. Mitsdien kan ter zake f 500 als aftrekbare kosten worden aanvaard.

reiskosten [T] verblijfplaats te [R]

5.16. De kosten van reizen tussen de woonplaats waar zich het centrum van het sociale leven van de belastingplichtige bevindt en de woning of verblijfplaats van waaruit de belastingplichtige dagelijks naar zijn arbeidsplaats reist kunnen in beginsel als aftrekbare kosten worden aangemerkt.

Belanghebbende stelt in de berekening van haar inkomen in de brief van 30 augustus 2002 17.250 km te hebben gereden tussen [T] en te [R]. Voor het reizen tussen te [R] en [Q] heeft zij het reiskostenforfait in aftrek gebracht. Op pagina 4 van dezelfde brief wordt evenwel gesteld dat belanghebbende in 1994 tot 1 juli heeft gewoond in [QQ] in België en vanaf 1 juli 1994 tot 1 januari 1995 op een gehuurde kamer te [R]. In deze laatste periode was zij grotendeels via een uitzendbureau werkzaam in de omgeving van [UU]. Uit de onder 3.4. vermelde gegevens uit de basisadministratie van de gemeente [S] komt naar voren dat zij van 27 januari tot 30 maart 1994 gewoond zou hebben te [U (België)]. Zoals weergegeven onder 3.5. heeft belanghebbende tegenover de opsporingsambtenaren verklaard dat zij gedurende de werkweek verbleef te te [R] en in de weekenden te [T].

De Inspecteur stelt dat naast de Peugeot, waarvan de kosten ten laste van de onderneming [B] werden gebracht, uit niets blijkt dat belanghebbende nog afzonderlijk beschikte over een andere auto.

Uit het vonnis in de ontslagprocedure met [A GmbH] blijkt dat belanghebbende tot eind april werkzaam is geweest in [Q] en dat haar daarna de toegang tot het bedrijf is ontzegd. Belanghebbende stelt dat zij zich daarna regelmatig bij [A GmbH] heeft gemeld om haar werkbereidheid te tonen.

Het vorenstaande overziend heeft belanghebbende geen eenduidig beeld gegeven omtrent haar woon- of verblijfplaats tot mei 1994 gedurende haar dienstverband te [Q]. Zij verklaart tegenstrijdig over perioden van verblijf te [QQ, België] dan wel te te [R]. Daarnaast is er de inschrijving met als woonplaats [U (België)] en stelt zij nog in te [R] te wonen terwijl zij via een uitzendbureau werkzaam is in de omgeving van [UU].

Het Hof wil aannemen dat belanghebbende vanwege de afgelegen arbeidsplaats te [Q] extra reiskosten heeft gemaakt tussen [T] en een verblijfplaats dichter bij haar werk die niet onder het reiskostenforfait vallen. De stellingen dienaangaande van belanghebbende acht het Hof evenwel onvoldoende onderbouwd. Gelet op de onduidelijkheid die belanghebbende door haar verklaringen en opgaven heeft geschapen ziet het Hof reden om de uitgaven wegens reiskosten in goede justitie te bepalen op f 2.000.

verhuiskosten te [R] - [T]

5.17. Belanghebbende heeft ter zake een bedrag van f 2.500 op het aangegeven inkomen in mindering gebracht. Zij voert aan dat zij zich, gelet op het voorzienbaar einde van de arbeidsovereenkomst met [A GmbH], zag genoodzaakt om de verblijfplaats te [R] op te geven. De Inspecteur bestrijdt dat sprake is geweest van een verhuizing en/of dat uitgaven zijn gedaan ter zake van een zodanige verhuizing.

Tegenover de bestrijding door de Inspecteur maakt belanghebbende op geen enkele wijze aannemelijk dat in verband met een door haar gestelde verhuizing uitgaven zijn gedaan.

kantoorbenodigdheden

5.18 Ter zake van kopieerkosten, schrijfmaterialen en porti heeft belanghebbende een bedrag van f 1.119 opgevoerd. Zij stelt dat in verband met de door haar gevoerde procedures deze kosten hoog zijn opgelopen.

De Inspecteur acht zonder nader bewijs aftrek van een bedrag van f 200 meer dan redelijk. Het Hof maakt te dezen het standpunt van de Inspecteur tot het zijne. Ook het Hof acht de gestelde uitgaven onwaarschijnlijk hoog. De bij de aangifte overgelegde nota's van het postkantoor vormen bovendien geen bewijs dat ter zake van de dienstbetrekking of met de dienstbetrekking samenhangende procedures tot het gestelde bedrag uitgaven zijn gedaan.

kosten wanprestatie overheid

5.19. Belanghebbende wil als buitengewone lasten in aftrek brengen een bedrag van f 6.000 wegens wanprestatie van de overheid. Zij heeft toegelicht dat zij deze aftrekpost claimt in verband met het disfunctioneren van de Belastingdienst en de politie.

De Wet voorziet niet in enige aftrekmogelijkheid van het door belanghebbende gestelde bedrag.

tariefgroep

5.20. De Inspecteur heeft gemotiveerd gesteld dat de in de jaren 1994 tot en met 1997 door [belanghebbendes partner] genoten uitkering ruimschoots hoger waren dan het bedrag van de basisaftrek. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat [haar partner] over die jaren een belastbaar inkomen had dat lager was dan de basisaftrek.

Onder deze omstandigheden heeft de Inspecteur belanghebbende terecht ingedeeld in tariefgroep 2. De Inspecteur heeft terecht aangevoerd dat [belanghebbendes partner], door het eenvoudig inzenden van bijvoorbeeld een zogenaamd T-biljet de mogelijkheid had om aangifte over de genoemde jaren te doen.

Bij de stelling van belanghebbende dat [haar partner] geen aangifte over de jaren 1994 en volgende kon doen omdat aan hem geen aangiftebiljet was uit gereikt, merkt het Hof het volgende op. Belanghebbende en [haar partner] hebben er voor gekozen om in strijd met de waarheid het te doen voorkomen dat de resultaten van de onder de naam [B] gedreven onderneming(en) belanghebbende aangingen door deze op te nemen aan de aangifte van belanghebbende. Aldus bestond er voor de Belastingdienst gedurende die jaren geen reden om aan [belanghebbendes partner], die enkel te boek stond als genieter van een uitkering, een aangiftebiljet uit te reiken. Het Hof verwerpt de grief van belanghebbende inzake het niet toepassen van tariefgroep 3.

Ten overvloede wijst het Hof erop, dat indien een in enig jaar genoten bedrag aan inkomsten in een later jaar als ten onrechte genoten moet worden terugbetaald, die terugbetaling eventueel in dat latere jaar kan leiden tot een aftrekpost.

vaststelling belastbaar inkomen

5.21 Al het vorenstaande leidt tot de volgende berekening van het belastbaar inkomen met toepassing van een belastingvrije som van f 5.925.

loon minus reiskostenforfait f 44.930

af: beroepskosten

afschrijvingen f 2.216

vakliteratuur enz. - 449

proceskosten - 2.648

reiskosten sollicitaties/advocaat - 1.638

telefoonkosten - 500

reiskosten [T] -verblijfplaats - 2.000

kantoorbenodigdheden - 200

- 9.651

onzuiver inkomen f 35.279

af: buitengewone lasten

ziektekosten f 4.159

af: drempel

12,2 % x f 35.279 - 4.304

f 0

studiekosten - 3.764

- 3.764

belastbaar inkomen f 31.515.

6. Slotsom

Het beroep van belanghebbende is gedeeltelijk gegrond.

7. Kosten

De gemachtigde van belanghebbende heeft in de brief van 30 augustus 2002 in de eerste plaats verzocht om vergoeding van een bedrag van f 7.273 aan kosten gemaakt door inschakeling van adviseurs ter begeleiding van het door de Belastingdienst in 1997, voor het instellen van de beroepen, gehouden boekenonderzoek inzake de onderneming(en) [B]. Gesteld wordt dat reeds tijdig in 1997 was meegedeeld dat de inkomsten met betrekking tot [B] niet belanghebbende maar haar partner aangingen.

Indien een ambtenaar een besluit neemt en handhaaft dat naderhand door de rechter wordt vernietigd, begaat de ambtenaar een onrechtmatige daad jegens de belastingplichtige. Ook indien de ambtenaar geen verwijt treft, moet worden aangenomen dat deze onrechtmatige daad voor rekening van de ambtenaar komt, behoudens in het geval zich bijzondere omstandigheden voordoen. Het Hof is van oordeel dat deze laatste uitzondering in deze zaak en in de gelijktijdig met deze zaak behandelde zaken zich voordoet.

In dit geding is vastgesteld dat belanghebbende in strijd met de werkelijkheid over de jaren 1994 tot en met 1997 de resultaten van de onderneming(en) [B] in haar aangifte heeft opgegeven en/of ten onrechte het bedrag van de zelfstandigenaftrek op haar inkomen in mindering heeft gebracht. Dit laatste ook nog in de aangifte over 1997, nadat door haar in de loop van 1997 was toegegeven dat de onderneming [B] niet voor haar rekening en risico werd gedreven maar voor rekening en risico van [belanghebbendes partner]. In dat licht heeft de Inspecteur niet onredelijk of onrechtmatig gehandeld door, gelet op het bepaalde in de artikelen 47 en 52 AWR, van belanghebbende medewerking te verlangen bij de uitvoering van het onderzoek. Voorts verdient opmerking dat de Inspecteur heeft laten weten dat hij voornemens is aan [belanghebbendes partner] ter zake van de onderneming(en) [B] navorderingsaanslagen op te leggen en dat de door belanghebbende gestelde kosten in wezen in hoofdzaak betrekking hebben op het vaststellen van de eventuele belastingverplichting van [belanghebbendes partner].

Het Hof vindt in het voorgaande aanleiding dit verzoek van belanghebbende af te wijzen.

Belanghebbende heeft voorts verzocht om vergoeding van de in de bezwaarfase gemaakte kosten van verkrijging en verzending van diverse stukken tot een totaal bedrag van f 1.006,70.

Ook ten aanzien van deze door belanghebbende gestelde kosten is het Hof van oordeel dat de Inspecteur, gelet op de wijze van aangifte doen door belanghebbende in de vorm van onjuiste opgaven en vele stelposten dan wel onbewezen uitgaven, niet onredelijk of onrechtmatig heeft gehandeld door van belanghebbende gegevens en/of bescheiden te verlangen die konden bijdragen tot een juiste beoordeling van de door belanghebbende in haar aangiften opgevoerde bedragen.

Het Hof wijst ook dit verzoek van belanghebbende af.

Het Hof berekent belanghebbendes proceskosten ter zake van de in 2.8. genoemde vier procedures met toepassing van het Besluit proceskosten fiscale procedures/Besluit proceskosten bestuursrecht op:

inschakeling gemachtigde

beroepschrift 1

conclusie van repliek 0,5

bijwonen twee zittingen 2

schriftelijke inlichtingen 0,5

(4 x f 710) f 2.840

x 1,5 (gewicht van de zaak)

op f 4.260.

8. Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van € 14.300,88 (f 31.515), met inachtneming van en belastingvrije som van € 2.688,65 (f 5.925) en met toepassing van de wettelijke bepalingen inzake heffingsrente;

- gelast de Staat der Nederlanden aan belanghebbende het door haar gestorte griffierecht van € 36,30 (f 80) te vergoeden;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van € 1.933,10 (f 4.260) en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de proceskosten dient te vergoeden.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2003 door mr Röben, vice-president, als voorzitter, mr De Kroon en mr Kooijmans, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr Van der Waerden, als griffier.

De griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.

De voorzitter,

J.B.H. Röben

Afschriften van de uitspraak zijn aangetekend per post verzonden op 6 augustus 2003

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.