Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2003:AK3981

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
14-08-2003
Datum publicatie
17-09-2003
Zaaknummer
02-03820
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de energiepremie met betrekking tot de dakisolatie terecht is afgewezen. Bij de beantwoording van deze vraag houdt partijen verdeeld het doorslaggevende antwoord op de vraag of de dakisolatie en de spouwmuurisolatie van belanghebbendes woningen is aan te merken als één project zodat de aanvraag van de energiepremie in één keer voor beide voorzieningen tezamen kon plaatsvinden.

Wetsverwijzingen
Wet belastingen op milieugrondslag 36a
Wet belastingen op milieugrondslag 36p
Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag 8n
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

Eerste meervoudige belastingkamer

nummer 02/03820 (energiepremies)

U i t s p r a a k

op het beroep van Woningstichting [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Belastingdienst Grote Ondernemingen [P/Team Energiepremies] op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aanvraag energiepremies.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

1.1. Belanghebbende heeft op 25 januari 2002 bij Energiebedrijf [A] energiepremie als bedoeld in artikel 36p van de Wet belastingen op milieugrondslag aangevraagd wegens het aanbrengen van energiebesparende voorzieningen (spouwmuur- en dakisolatie) aan een aantal van haar woningen. De aanvraag, door [A] ontvangen op 30 januari 2002, is door [A] bij brief d.d. 22 maart 2002 gedeeltelijk afgewezen. Bij verzoekschrift d.d. 5 april 2002 heeft belanghebbende een verzoek om heroverweging van de beslissing van [A] ingediend bij de Inspecteur. De Inspecteur heeft het verzoek bij beschikking d.d. 4 juni 2002, kenmerk Verz.nr. [01], afgewezen.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de afwijzende beschikking bezwaar gemaakt en is op bezwaar gehoord. De Inspecteur heeft de beschikking bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend, de Inspecteur een conclusie van dupliek.

1.4. Partijen hebben het Hof schriftelijk toestemming gegeven zonder mondelinge behandeling van de zaak uitspraak te doen. Het Hof heeft het onderzoek vervolgens op de voet van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht gesloten.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende heeft in 2001 in een aantal van haar woningen dakisolatie (in totaal 178,5 m²) en spouwmuurisolatie (in totaal 1044 m²) laten aanbrengen.

2.2. De dakisolatie is geleverd en aangebracht door [aannemer B], de uitvoerder van belanghebbende. De op 21 mei 2001 gedateerde interne factuur met betrekking tot de desbetreffende werkzaamheden die in week 15 en 18 zijn uitgevoerd aan de woningen [a-weg 1-57] te [Z] en [b-weg 58-62 te Q] is op 28 juni 2001 als betaald via verrekening in belanghebbendes grootboek verwerkt.

2.3. De spouwmuurisolatie is geleverd en aangebracht door [C BV te R]. De desbetreffende werkzaamheden zijn blijkens de op 8 oktober 2001, 20 november 2001 en 20 december 2001 gedateerde facturen uitgevoerd op 4 en 5 oktober 2001, in week 45 tot en met week 47 en in week 50 van het jaar 2001. In de onder 1.1 vermelde aanvraag heeft belanghebbende vermeld dat haar laatste betaling aan [C BV] plaatsvond op 20 december 2001.

2.4. Van de aanvraag van energiepremie is een bedrag van f 10.440 (1.044 × f 10) dat betrekking heeft op genoemde spouwmuurisolatie toegewezen en uitgekeerd en is f 3.570 (178,50 × f 20) dat betrekking heeft op genoemde dakisolatie afgewezen.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de energiepremie met betrekking tot de dakisolatie terecht is afgewezen. Bij de beantwoording van deze vraag houdt partijen verdeeld het doorslaggevende antwoord op de vraag of de dakisolatie en de spouwmuurisolatie van belanghebbendes woningen is aan te merken als één project zodat de aanvraag van de energiepremie in één keer voor beide voorzieningen tezamen kon plaatsvinden.

3.2. Belanghebbende beantwoordt die vraag bevestigend en de inspecteur ontkennend. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en toewijzing van energiepremie met betrekking tot de dakisolatie. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De apparaten en voorzieningen waarvoor energiepremie kan worden aangevraagd zijn vermeld in de Uitvoeringsregeling energiepremies, die haar grondslag vindt in artikel 36a, lid 1, onderdeel j, van de Wet belastingen op milieugrondslag (hierna: Wbm)

4.2. De voorwaarden voor toekenning van een verzoek om energiepremie zijn geregeld in artikel 8n van de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag (hierna: Ubm), welke regeling haar grondslag vindt in artikel 36p van de Wbm. In het eerste en tweede lid van artikel 8n van de Ubm - voorzover hier van belang - is bepaald dat een verzoek om toekenning van energiepremie moet worden gedaan bij het energiebedrijf dat aardgas of elektriciteit levert aan de woning ten behoeve waarvan de voorziening is aangeschaft en dat het verzoek wordt gedaan nadat de voorziening is aangebracht doch ten hoogste dertien weken na aanschaf van de voorziening.

4.3. De dakisolatie is in week 15 en 18 van het jaar 2001 aangebracht door belanghebbendes uitvoerder [aannemer B] en op 28 juni 2001 via verrekening betaald. De spouwmuurisolatie is een aantal maanden later, te weten op 4 en 5 oktober 2001, in week 45 tot en met week 47 en in week 50 van het jaar 2001 aangebracht door het bedrijf [C BV]. De laatste betaling voor deze voorziening heeft op 20 december 2001 plaatsgevonden.

4.4. Nu de dak- en spouwmuurinstallatie ook onafhankelijk van elkaar kunnen worden aangebracht, de beide isolaties door twee verschillende uitvoerders zijn aangebracht en ook rechtstreeks door belanghebbende aan die twee uitvoerders zijn betaald, verwerpt het Hof het betoog van belanghebbende inhoudende dat er in dezen slechts sprake is van één voorziening in de zin van de Energiepremieregeling.

4.5. Nu de dakisolatie kennelijk in de weken 15 en 18 is aangebracht en dus uiterlijk eind april/begin mei is aangeschaft en de kosten van de dakisolatie op 28 juni 2001 via verrekening zijn betaald komt het Hof tot de conclusie dat de aanvraag van energiepremie voor de dakisolatie niet binnen de termijn van dertien weken heeft plaatsgevonden en de energiepremie voor deze voorziening derhalve terecht is geweigerd.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan te Arnhem op 14 augustus 2003 door mr. N.E. Haas, vice-president, voorzitter, mr. drs. F.J.P.M. Haas en mr. J.A. Monsma, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr J.L.M. Egberts als griffier.

De griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.

(N.E. Haas)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 14 augustus 2003

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.