Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2003:AI1629

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-07-2003
Datum publicatie
01-09-2003
Zaaknummer
01-00915
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Met ingang van 1 januari 2000 zijn in de Wet belastingen op milieugrondslag (hierna: Wbm) ten behoeve van besparing op energie positieve prikkels voor huishoudens ingevoerd in de vorm van energiepremies. Huishoudens kunnen deze premies verwerven indien een energiezuinig apparaat wordt aangeschaft of een energiebesparende maatregel aan de woning wordt aangebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 1515
FutD 2003-1610

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

vierde enkelvoudige belastingkamer

nummer 01/00915 (energiepremie)

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : [X]

te : [Z]

verweerder : de Inspecteur van de Belastingdienst/Grote Ondernemingen [P/Team Energiepremies]

aangevallen beslissing : uitspraak d.d. 9 februari 2001 op bezwaar

betreft : beschikking energiepremie

nummer : [01]

mondelinge behandeling : op 31 juli 2002 en 3 juli 2003 door mr. Matthijssen, raadsheer en mevrouw Vermeulen-Post,

waarbij verschenen : op 31 juli 2002 belanghebbende en [de Inspecteur]

waarbij niet verschenen : op 3 juli 2003 partijen met kennisgeving aan het Hof

gronden:

1. Met ingang van 1 januari 2000 zijn in de Wet belastingen op milieugrondslag (hierna: Wbm) ten behoeve van besparing op energie positieve prikkels voor huishoudens ingevoerd in de vorm van energiepremies. Huishoudens kunnen deze premies verwerven indien een energiezuinig apparaat wordt aangeschaft of een energiebesparende maatregel aan de woning wordt aangebracht.

2. De apparaten en voorzieningen waarvoor energiepremie kan worden aangevraagd zijn vermeld in de Uitvoeringsregeling energiepremies, die haar grondslag vindt in artikel 36a, lid 1, onderdeel j, van de Wbm.

3. De voorwaarden voor toekenning van een verzoek om energiepremie zijn geregeld in artikel 8n van de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag (hierna: Ubm), welke regeling haar grondslag vindt in artikel 36p van de Wbm. In het eerste lid van artikel 8n van de Ubm is bepaald dat een verzoek om toekenning van energiepremie moet worden gedaan bij het energiebedrijf dat aardgas of elektriciteit levert aan de woning ten behoeve waarvan het apparaat of de voorziening is aangeschaft. In het tweede lid van genoemd artikel 8n is bepaald dat het verzoek moet worden gedaan nadat de voorziening is aangebracht of het apparaat in gebruik is genomen doch ten hoogste dertien weken na aanschaf van de voorziening of het apparaat.

4. Ten behoeve van eigenaren/bewoners, huurders, woningverhuurders en woningcorporaties zijn in opdracht van EnergieNed Federatie van energiebedrijven met het oog op het aanvragen van energiepremie uitgegeven een aanvraagformulier en een brochure "Energiepremie 2001, De regeling". Op het aanvraagformulier is onder het kopje "Premievoorwaarden" vermeld:

"De exacte premievoorwaarden en een overzicht van de apparaten en maatregelen die onder de nieuwe Energiepremieregeling vallen staan in de speciale brochure "Energiepremie, de Regeling". U kunt naar deze gratis brochure vragen in winkel en bouwmarkt, of bij uw installatie-, isolatie- of aannemersbedrijf. Aanvragen bij uw energiebedrijf kan ook."

5. In artikel 1, onder B, van de Uitvoeringsregeling Energiepremies 2001 (hierna: de Regeling), die onderdeel uitmaakt van de onder 4. vermelde brochure, wordt aangegeven dat als apparaten en voorzieningen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie als bedoeld in artikel 36a, eerste lid, onderdeel j, van de wet worden aangewezen: de apparaten en voorzieningen opgenomen in bijlage I bij deze regeling.

6. In bijlage I wordt onder het hoofd "2001 Vloerisolatie"onder vloerisolatie verstaan: het isoleren van de onderzijde van de begane grondvloer van een woning, waarbij de voorziening is aangebracht en geleverd door een derde, zijnde een ondernemer, bestaande uit:

a. een laag isolatiemateriaal, welke niet uit in situ gespoten polyurethaan bestaat, met een warmteweerstand ( R ) van tenminste 1,3 m². K/W, of

b. een in situ gespoten laag HCFK vrije polyurethaan, voorzien van een certificaat waaruit blijkt dat de laag voldoet aan de beoordelingsrichtlijn 1332/02 van het BKB, met een warmteweerstand ( R ) van tenminste 1,3 m².K/W.

7. Belanghebbende stelt dat hij de vloer in zijn woning van bovenaf heeft geïsoleerd. Hij woont boven een garage. Een aan de onderzijde van deze vloer aangebrachte isolatie zou geen effect hebben, mede gezien het feit dat het pand wordt verwarmd door middel van elektriciteit. Op de bestaande betonvloer is isolatie aangebracht door middel van een zwevende vloer, waarna het geheel van muur tot muur is afgedicht door rubber.

8. Op grond van het onder 6 vermelde is het Hof van oordeel dat een wezenlijke voorwaarde voor toekenning van de energiepremie is dat de vloerisolatie wordt aangebracht aan de onderzijde van de vloer.

9. De definitie van het begrip vloerisolatie in Bijlage I, onder 2001, geeft geen steun aan belanghebbendes standpunt.

10. Belanghebbende had deze beperkende voorwaarde kunnen kennen indien hij zich voor het aanbrengen van de vloerisolatie in de details van de geldende regelingen had verdiept.

11. In de loop van dit geding zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de conclusie rechtvaardigen dat de Inspecteur in vergelijkbare gevallen een ander beleid of andere gedragslijn heeft gevolgd.

12. Het beroep van belanghebbende is niet gegrond.

proceskosten:

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

beslissing:

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan op 17 juli 2003 door mr. T.J. Matthijssen, lid van de vierde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van I.B. Vermeulen-Post als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(I.B. Vermeulen-Post) (T.J. Matthijssen)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 22 juli 2003

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het Gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.