Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2003:AI1080

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
29-07-2003
Datum publicatie
13-08-2003
Zaaknummer
2001/1010
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof heeft in zijn tussenarrest van 12 november 2002 de vraag opgeworpen of de Staat ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding in de verstekprocedure nog wel de bevoegde instantie was om een dergelijke procedure aanhangig te maken. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

29 juli 2003

eerste civiele kamer

rolnummer 2001/1010

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr. J.F.E. van Halder,

tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn & Sport),

zetelende te ’s-Gravenhage,

geïntimeerde,

procureur: mr. T.J. van Veen.

1 Het verdere verloop van het geding

1.1 Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 12 november 2002. Ingevolge dat tussenarrest (rechtsoverweging 4.4.) zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of de Staat ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding in de verstekprocedure nog wel de bevoegde instantie was om een dergelijke procedure aanhangig te maken.

1.2 De Staat heeft ter rolle van 7 januari 2003 een akte uitlating genomen, waarna [appellant] ter rolle van 4 februari 2003 een antwoordakte heeft genomen.

1.3 Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

2 De nadere motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1 Het hof heeft in zijn tussenarrest van 12 november 2002 de vraag opgeworpen of de Staat ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding in de verstekprocedure nog wel de bevoegde instantie was om een dergelijke procedure aanhangig te maken. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten.

2.2 De Staat heeft akte verzocht van het volgende.

Nu de uithuisplaatsing van de minderjarige kinderen van [appellant] volledig valt in de periode vóór de inwerkingtreding van de Wet LBIO en de wijziging van de Wet op de Jeugdhulpverlening van 1 mei 1995, meent de Staat dat het hem is toegestaan deze vordering zelfstandig te innen. Dit klemt temeer nu de Wet op de Jeugdhulpverlening sinds 1 mei 1995 (Wet van 2 februari 1995, Stb. 225, tot wijziging van de Wet op de Jeugdhulpverlening en enige andere wetten) aan het Bureau in artikel 41i de mogelijkheid geeft om bijdragen die verschuldigd zijn op grond van de gewijzigde Wet op de Jeugdhulpverlening en het Besluit bijdragen justitiële kinderbescherming en vrijwillige jeugdhulpverlening (Stb. 226) te innen middels het uitvaardigen van een dwangbevel. Dit geldt echter slechts voor uithuisplaatsingen die zijn aangevangen of voortduren ná 1 mei 1995. Aan de Staat wordt zo de mogelijkheid gelaten om de verschuldigde bijdragen tot 1 mei 1995 in te vorderen.

Naar analogie van het systeem van deze regelgeving heeft de Staat naar zijn mening de mogelijkheid om na 1 januari 1997 zelfstandig de verschuldigde bijdragen in te vorderen indien en voor zover deze bijdragen verschuldigd zijn geworden voor een uithuisplaatsing die is geëindigd vóór 1 mei 1995, hetgeen het geval is geweest bij de uithuisplaatsing van [R.].

2.3 [appellant] heeft in zijn antwoordakte aangevoerd dat uit het systeem van de wet rechtstreeks voortvloeit dat de Staat in casu niet bevoegd was/is. Mede gelet op de wetgeschiedenis en de bedoeling van die wet is er volgens [appellant] geen ruimte voor de analogische interpretatie van de Staat.

2.4 Het hof is van oordeel dat het standpunt van de Staat geen steun vindt in de overgangsregeling van de Wet LBIO. Artikel 38 van de Wet LBIO maakt immers geen uitzondering voor gevallen waarin de bijdragen verschuldigd zijn geworden voor een uithuisplaatsing die is geëindigd vóór 1 mei 1995.

Naast de tekst biedt ook de strekking van de wet geen steun voor de opvatting van de Staat dat er een uitzondering moet worden gemaakt voor uithuisplaatsingen die zijn geëindigd vóór 1 mei 1995.

2.5 Uit het voorgaande volgt dat de Staat ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding in de verstekprocedure niet (meer) de bevoegde instantie was om een dergelijke procedure aanhangig te maken. Dat impliceert dat de rechtbank de Staat niet-ontvankelijk had moeten verklaren in zijn vorderingen.

2.6 De Staat zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de verstekprocedure, de verzetprocedure met uitzondering van de kosten van het uitbrengen van het verzetexploot, en van het hoger beroep.

3 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep van het vonnis van de

rechtbank te Almelo van 26 juli 2000;

vernietigt de vonnissen van de rechtbank te Almelo van 4 november 1998 en van 13 december 2000, telkens voor zover betrekking hebbend op de vordering ten aanzien van [R.] en op alle proceskostenbeslissingen en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

verklaart de Staat niet-ontvankelijk in zijn vordering voor zover betrekking hebbend op de bijdrage voor [R.];

veroordeelt de Staat in de kosten van de verstekprocedure, tot aan de datum van het vonnis van 4 november 1998 aan de zijde van [appellant] begroot op nihil;

veroordeelt de Staat in de kosten van de verzetprocedure in eerste aanleg, tot aan de datum van het vonnis van 13 december 2000 aan de zijde van [appellant] begroot op € 1.160,94, waarvan te voldoen aan de griffier van de rechtbank te Almelo (bankrekeningnummer 19.23.25.744 ten name van DS 532 Ar.Almelo, onder vermelding van het rolnummer en de namen van partijen) het bedrag van

€ 1.118,97 te weten:

- € 125,97 wegens in debet gesteld griffierecht;

- € 993,- wegens salaris van de procureur,

en het restant ad € 41,97 aan de procureur van [appellant] wegens diens eigen aandeel in het griffierecht;

veroordeelt de Staat in de kosten van het hoger beroep, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van [appellant] begroot op € 1.075,10, waarvan te voldoen aan de griffier van het gerechtshof (bankrekeningnummer 1923.25.752 ten name van DS 533 Arrondissement Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem, onder vermelding van het rolnummer en de namen van partijen) het bedrag van € 1.017,47 te weten:

- € 172,89 wegens in debet gesteld griffierecht;

- € 27,08 wegens exploten;

- € 817,50 wegens salaris van de procureur,

en het restant ad € 57,63 aan de procureur van [appellant] wegens diens

eigen aandeel in het griffierecht;

verklaart bovenbedoelde veroordelingen tot betalingen van proceskosten

uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Steeg, Van Wijland-Kalkman en Hilverda en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 juli 2003.