Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2003:AI0332

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
24-06-2003
Datum publicatie
24-07-2003
Zaaknummer
01-01320
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft bij brief (..) een verzoek ingediend als bedoeld in artikel 20i, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. De Inspecteur heeft (..) te kennen gegeven niet aan het verzoek tegemoet te kunnen komen.

Na daartegen door belanghebbende bij brief van 17 april 2001 gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur (..) aan belanghebbende bericht dat hij de brief van 17 april 2001 niet als een bezwaarschrift aanmerkt omdat zijn brief (..) naar zijn mening niet is aan te merken als een voor bezwaar vatbare beschikking. Tussen partijen is in geschil of belanghebbende ontvankelijk is in zijn beroep en, zo ja, of de Inspecteur terecht geen beschikking heeft gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2003/541
V-N 2003/56.5 met annotatie van Redactie
FutD 2003-1374
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

derde meervoudige belastingkamer

nummer 01/01320 (inkomstenbelasting)

U i t s p r a a k

op het beroep van [X] te [Z], (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren [P] (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende de weigering van de Inspecteur een beschikking te geven als bedoeld in artikel 20i, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst vanaf 1 januari 1997; hierna: de Wet)

1. Bezwaar en geding voor het Hof

1.1. Belanghebbende heeft bij brief van 6 april 2001 een verzoek ingediend als bedoeld in artikel 20i, tweede lid, van de Wet. De Inspecteur heeft bij brief van 12 april 2001 te kennen gegeven niet aan het verzoek tegemoet te kunnen komen.

1.2. Na daartegen door belanghebbende bij brief van 17 april 2001 gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij brief van 1 mei 2001 aan belanghebbende bericht dat hij de brief van 17 april 2001 niet als een bezwaarschrift aanmerkt omdat zijn brief van 12 april 2001 naar zijn mening niet is aan te merken als een voor bezwaar vatbare beschikking.

1.3. Belanghebbende is hiertegen in beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 1 mei 2003 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord [belanghebbende, vergezeld door zijn gemachtigde, alsmede de Inspecteur].

1.5. Partijen hebben, voorafgaand aan de zitting, het Hof en de wederpartij een pleitnota, die van de Inspecteur met bijlagen, toegezonden. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting zijn pleitnota voorgedragen. De Inspecteur wordt geacht zijn pleitnota te hebben voorgedragen. De inhoud van deze pleitnota's moet als hier ingelast worden aangemerkt.

1.6. Tijdens de mondelinge behandeling is tevens behandeld het beroepschrift van belanghebbende met het rolnummer 01-01162. Hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is opgemerkt wordt geacht op beide zaken betrekking te hebben tenzij uit het zinsverband het tegendeel blijkt.

2. Feiten

2.1. Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.2. Belanghebbende was op 1 januari 1997 houder van 3.000 aandelen van nominaal ƒ 10 in A BV]. Deze aandelen zijn op die datum tot een aanmerkelijk belang gaan behoren als bedoeld in de Wet. De Inspecteur heeft de verkrijgingsprijs van die aandelen, met toepassing van artikel 70c van de Wet, bij voor bezwaar vatbare beschikking vastgesteld op ƒ 440.000. Belanghebbende heeft tegen die beschikking geen bezwaar gemaakt.

2.3. In 1997 heeft belanghebbende 1.000 van de in 2.2. bedoelde aandelen verkocht voor ƒ 42.165. Belanghebbende en de Inspecteur hebben met betrekking tot die verkoop gestreden over het antwoord op de vraag of die verkoop heeft geleid tot een op voet van artikel 60 van de Wet in aanmerking te nemen verlies. Belanghebbende heeft dit verlies berekend op (afgerond) ƒ 104.500 (ƒ 42.165 minus 1/3 gedeelte van ƒ 440.000).

2.4. De Inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat de in 2.3. bedoelde verkoop niet heeft geleid tot een verlies uit aanmerkelijk belang. Als reactie op dat standpunt heeft belanghebbende onder meer de stelling betrokken dat alsdan de verkrijgingsprijs van de hem resterende 2.000 aandelen [A BV] moet worden vastgesteld op (2/3 x ƒ 440.000 =) ƒ 293.333 plus ƒ 104.500, ofwel op (afgerond) ƒ 397.835. Belanghebbende heeft de Inspecteur verzocht de verkrijgingsprijs van de hem resterende aandelen [A BV], met toepassing van artikel 20i van de Wet, vast te stellen op laatstgenoemd bedrag.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil of belanghebbende ontvankelijk is in zijn beroep en, zo ja, of de Inspecteur terecht geen beschikking heeft gegeven.

3.2. Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag bevestigend en de tweede ontkennend. De Inspecteur is de tegengestelde mening toegedaan.

3.3. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Daaraan is ter zitting door de Inspecteur nog het volgende toegevoegd:

Hij is ervan uitgegaan dat er al een beschikking is afgegeven. De verkrijgingsprijs staat al onherroepelijk vast. Aanpassen kan alleen met toepassing van het tweede lid van artikel 20i van de Wet.

3.5. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak. De Inspecteur concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Op grond van artikel 20i, eerste lid, van de Wet kan - voor zover hier van belang - de verkrijgingsprijs op enig moment van aandelen die tot een aanmerkelijk belang behoren, al dan niet op verzoek, door de Inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking worden vastgesteld.

4.3. Nu sedert 1 januari 1997, de datum waarnaar de beschikking van de Inspecteur op grond van artikel 70c van de Wet was afgegeven, zich een, althans in de ogen van belanghebbende, relevante wijziging in het aandelenpakket en de daarvoor geldende verkrijgingsprijs had voorgedaan stond niets aan belanghebbende in de weg een verzoek als bedoeld in artikel 20i, eerste lid, van de Wet te doen. Evenmin stond iets er de Inspecteur aan in de weg aan het verzoek tegemoet te komen en de gevraagde beschikking te geven met daarin de, volgens de Inspecteur, op het resterende gedeelte van het aandelenpakket betrekking hebbende verkrijgingsprijs.

4.4. De schriftelijke weigering van de Inspecteur moet met een besluit worden gelijk gesteld (artikel 6:2 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb). Die bepaling en de inhoud van artikel 20i, eerste lid van de Wet, leiden er naar het oordeel van het Hof toe dat de Inspecteur ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat geen bezwaar mogelijk was tegen zijn beslissing van 12 april 2001. Het Hof leest de brief van de Inspecteur van 1 mei 2001, met belanghebbende, dan ook als een uitspraak op een rechtsgeldig ingediend bezwaarschrift. Nu aan alle daarvoor gestelde eisen is voldaan is belanghebbende ontvankelijk in zijn beroep.

4.5. Artikel 6:2 van de Awb heeft een processuele functie en heeft niet de functie te komen tot een inhoudelijke beoordeling van het geschil (vergelijk Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State, 3 december 1998, nr. H01.97.1411, AB 1999/107).

4.6. Gelet op het vorenstaande is het Hof van oordeel dat de Inspecteur de gevraagde beschikking niet had mogen weigeren. Het Hof zal derhalve uitspreken dat de Inspecteur zulks alsnog moet doen. Nu niet is te verwachten dat de Inspecteur daaraan geen gevolg zal geven ziet het Hof geen aanleiding aan die last een dwangsom te verbinden.

4.7. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het gelijk aan belanghebbende is. Het beroep is gegrond.

5. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van zijn beroep voor het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten vast op 2 punten maal € 322 maal wegingsfactor 1 in verband met het belang, ofwel op € 644.

6. Beslissing

Het Gerechtshof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op het bezwaarschrift;

- verstaat dat de Inspecteur binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze uitspraak alsnog aan belanghebbende een beschikking geeft als bedoeld in artikel 20i, eerste lid, van de Wet;

- gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze betaalde griffierecht van € 27,23 (ƒ 60);

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 644 en wijst de Staat aan als de rechtpersoon die de kosten moet vergoeden.

Aldus gedaan te Arnhem op 24 juni 2003 door mr. P.M. van Schie, vice-president, mr. M.C.M. de Kroon en mr. J.P.M. Kooijmans, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Gankema als griffier.

(J.J. Gankema) (P.M. van Schie)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 11 juli 2003

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien u na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.