Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2003:AI0330

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
02-07-2003
Datum publicatie
24-07-2003
Zaaknummer
02-01243
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De ambtenaar heeft belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar. Ter onderbouwing (..) voert de Ambtenaar aan dat (..) belanghebbende het bezwaarschrift niet heeft voorzien van een motivering en hij voorts geen gebruik heeft gemaakt van de hem geboden gelegenheid een nadere toelichting c.q. een motivering van het bezwaar te verstrekken. (..) Nu in de onderhavige WOZ-beschikking slechts de vastgestelde waarde wordt genoemd en daarin geen onderbouwing van die waarde is opgenomen, en voorts noch is gesteld noch aannemelijk is geworden dat daarover voorafgaand aan het nemen van de beschikking correspondentie tussen partijen heeft plaatsgevonden, heeft belanghebbende (..)zijn bezwaar tegen die beschikking voldoende gemotiveerd als bedoeld in artikel 6:5 van de Awb (..)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 1299
FutD 2003-1399
Belastingblad 2003/1378

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

elfde enkelvoudige belastingkamer

nummer 02/01243

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : [X]

te : [Z]

verweerder : de heffingsambtenaar van de gemeente Renkum (hierna: de Ambtenaar)

aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar

betreft : beschikking waardevaststelling ingevolge de Wet waardering onroerende zaken (hierna: WOZ) voor het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004

nummer : [01]

mondelinge behandeling : op 18 juni 2003 te Arnhem

waarbij verschenen : belanghebbende, alsmede [de Ambtenaar]

gronden:

1. Op 29 juni 2001 heeft de Ambtenaar een ten name van belanghebbende gestelde beschikking in de zin van artikel 22, eerste lid, van de WOZ genomen. De inhoud van de beschikking luidt als volgt:

Betreft: Beschikking Waardering Onroerende Zaken

[Q], 29-06-2001

Op 1 januari 1995 is de Wet Waardering Onroerende Zaken (WOZ) in werking getreden. De Wet WOZ heeft tot gevolg dat gemeenten de waarde van onroerende zaken vaststellen. Deze waarde wordt vervolgens ook gehanteerd door de belastingdienst en waterschappen.

Het bekendmaken van de WOZ-waarde is een soort vooraankondiging van de aanslagen die de gemeente (onroerendezaakbelastingen), waterschap (waterschapsheffing) en Belastingdienst (inkomstenbelasting en vermogensbelasting) op basis van die waarde opleggen. Middels deze beschikking wordt aan iedere belanghebbende (eigenaar en/of gebruiker) de waarde van de onroerende zaak bekendgemaakt.

SPECIFICATIE

Waardepeildatum : 1 januari 1999

Tijdvak beschikking : 1-1-2001 t/m 31-12-2004

Jaar Object Waarde

2001 [a-weg 1 te Z] € 563.595

Eigenaar

2001 [a-weg 1 te Z] € 563.595

Gebruiker

2. Bij de onder 1. bedoelde beschikking zijn geen bijlagen, zoals een taxatieverslag, gevoegd.

3. Met dagtekening 21 juli 2001 heeft belanghebbende een zogenaamd "REACTIEFORMULIER WOZ", aan de gemeente Renkum verzonden, welk formulier blijkens een daarop geplaatste stempel door de gemeente is ontvangen op 24 juli 2001, derhalve binnen de in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb) bedoelde termijn van zes weken. Op het formulier zijn vier mogelijke grieven tegen de beschikking vermeld. Vóór de tekst van elke grief is een hokje geplaatst dat kan worden aangekruist. Belanghebbende heeft het hokje aangekruist met daarachter de tekst: "Ik maak pro forma bezwaar tegen de waarde. Na ontvangst van het taxatieverslag zal ik mijn bezwaar binnen drie weken nader toelichten" en het formulier voorzien van een dag- en handtekening.

4. Belanghebbende heeft enige tijd later een taxatieverslag ontvangen de dato 29 juni 2001. Met dagtekening 21 september 2001 heeft de Ambtenaar aan belanghebbende een herinneringsbrief verzonden, waarin onder meer is vermeld:

"Mocht u nog geen nadere motivering hebben ingediend, dan heeft u nog één week na dagtekening van deze brief de tijd om uw verzuim te herstellen."

Belanghebbende heeft zijn bezwaar nadien niet aangevuld.

5. Op 2 februari 2002 heeft de Ambtenaar belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar. Ter onderbouwing van zijn standpunt voert de Ambtenaar in beroep aan dat niet is voldaan aan de eisen van artikel 6:5 van de Awb, omdat belanghebbende het bezwaarschrift niet heeft voorzien van een motivering en hij voorts geen gebruik heeft gemaakt van de hem geboden gelegenheid een nadere toelichting c.q. een motivering van het bezwaar te verstrekken.

6. In de Memorie van Toelichting bij de Awb is inzake artikel 6:5 opgemerkt: "Het bezwaar- of beroepschrift dient uiteraard de gronden voor het bezwaar of beroep te bevatten. De eisen die in dit opzicht kunnen worden gesteld, zullen onder meer samenhangen met de aard van de motivering die het bestuursorgaan voor zijn bestreden besluit heeft gegeven. Is deze summier of ontbreekt zij geheel (...) dan zal ook het bezwaar- of beroepschrift summier gemotiveerd kunnen zijn" (Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 122).

7. Nu in de onderhavige WOZ-beschikking slechts de vastgestelde waarde wordt genoemd en daarin geen onderbouwing van die waarde is opgenomen, en voorts noch is gesteld noch aannemelijk is geworden dat daarover voorafgaand aan het nemen van de beschikking correspondentie tussen partijen heeft plaatsgevonden, heeft belanghebbende met de onder 2. weergeven zinsnede zijn bezwaar tegen die beschikking voldoende gemotiveerd als bedoeld in artikel 6:5 van de Awb (vergelijk onder meer Hoge Raad 29 september 1999, nr. 34 821, VN 2002/29.7). Hieraan doet niet af dat in de vorenbedoelde zinsnede de term "pro forma bezwaar" wordt gebruikt. Hieraan doet evenmin af dat in het bezwaarschrift een nadere motivering wordt aangekondigd en dat belanghebbende die aangekondigde motivering in de bezwaarfase niet heeft gegeven. Laatstgenoemde omstandigheden kunnen immers niet bewerkstelligen dat het bezwaarschrift, dat ten tijde van de indiening voldeed aan de eisen van artikel 6:5 van de Awb, daaraan nadien niet meer voldeed (vergelijk Hoge Raad 25 juli 2000, nr. 34 990, BNB 2000/333).

8. De Ambtenaar heeft belanghebbende derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

9. In beroep betoogt belanghebbende onder meer dat bij de waardering van zijn woning onvoldoende rekening is gehouden met achterstallig onderhoud en met de status van de woning als gemeentemonument. Voorts is de vergelijking met een drietal referentiepanden naar zijn mening niet correct. Belanghebbende heeft niet aangegeven welke waarde hij wel voorstaat. Nu de Ambtenaar in zijn verweerschrift en ter zitting uitsluitend is ingegaan op de ontvankelijkheidsvraag, terwijl noch de Ambtenaar noch belanghebbende een taxatierapport heeft overgelegd, zal het Hof niet zelf in de zaak voorzien. Het Hof wijst de zaak ingevolge artikel 8:72, vierde lid, van de Awb terug naar de Ambtenaar om met inachtneming van deze uitspraak van het Hof en met inachtneming van de door belanghebbende in beroep aangevoerde grieven een nieuwe uitspraak te doen op het bezwaar van belanghebbende.

proceskosten:

Belanghebbenden proceskosten zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op € 5 voor reis - en verblijfkosten.

beslissing:

Het Gerechtshof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

- verklaart belanghebbende ontvankelijk in zijn bezwaar;

- wijst de zaak terug naar de Ambtenaar om met inachtneming van deze uitspraak van het Hof een nieuwe uitspraak te doen op het bezwaar van belanghebbende;

- gelast dat de gemeente Renkum aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht van € 29;

- veroordeelt de Ambtenaar in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van € 5 en wijst de gemeente Renkum aan als rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Aldus gedaan op 2 juli 2003 door mr. C.M. Ettema, lid van de elfde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. K. van der Leij als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(K. van der Leij) (C.M. Ettema)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 14 juli 2003

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het Gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.