Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2003:AI0168

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
21-07-2003
Datum publicatie
21-07-2003
Zaaknummer
2002/144
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof neemt echter ook rekenschap van het gegeven dat de terbeschikkinggestelde reeds tientallen jaren terbeschikking is gesteld. Rekening houdend met de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit is het hof van oordeel dat bij een afweging tussen de belangen van de terbeschikkinggestelde en van de maatschappij, het belang van de terbeschikkinggestelde steeds zwaarder dient te wegen. Het hof stelt uitdrukkelijk dat dit gezien de ernst van de pathologie en de onverminderde delictgevaarlijkheid in de huidige situatie, niet dient te leiden tot opheffing van de terbeschikkingstelling, maar dat wel naar mogelijkheden dient te worden gezocht die optimaal recht doen aan de belangen van de terbeschikkinggestelde. Het hof oordeelt dan ook dat het in dit geval in de rede zou liggen dat overleg geopend zou worden tussen de advocaat van de terbeschikkinggestelde en het ministerie van justitie, teneinde een passend alternatief te vinden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 37
Wetboek van Strafrecht 37b
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 509o
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2003, 374
NBSTRAF 2003/374
NJ 2003, 582

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

TBS 2002\144

Beslissing d.d. 21 juli 2003

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvende in [kliniek].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 10 juli 2002, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

? de uitspraak van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 6 december 1967, waarbij de terbeschikkingstelling met bevel tot dwangverpleging van overheidswege werd opgelegd terzake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen;

? de vordering van de officier van justitie van 13 mei 2002, ingekomen ter griffie van bovenvermelde rechtbank op 13 mei 2002 en strekkende tot verlenging van de terbeschikkingstelling van betrokkene met een termijn van twee jaar;

? het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg hetwelk heeft geleid tot de uitspraak waarvan beroep;

? de beslissing waarvan beroep;

? de akte van hoger beroep van de terbeschikkinggestelde d.d. 12 juli 2002;

? het op 9 april 2002 op grond van artikel 509o, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering uitgebrachte advies van [kliniek], strekkende tot verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar, alsmede de in dat artikel bedoelde aantekeningen;

? de tussenbeslissing van dit hof van 14 oktober 2002;

? het op 2 mei 2003 door M.D. van Ekeren, psychiater en vast gerechtelijk deskundige, en C.M. van Deutekom, psycholoog en vast gerechtelijk deskundige, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum te Utrecht uitgebrachte advies;

? het door de advocaat-generaal opgestelde overzicht betrekking hebbende op Begeleid Wonen Projecten in Nederland;

? het proces-verbaal van het onderzoek van dit hof op 12 mei 2003;

? de brief - met bijlagen - van de advocaat van de terbeschikkinggestelde d.d. 3 juli 2003.

Het hof heeft in raadkamer van 7 juli 2003 de behandeling van de zaak hervat in de stand waarin het zich op het tijdstip van de schorsing ter terechtzitting van 12 mei 2003 bevond, en gehoord:

? De terbeschikkinggestelde die daarbij -zakelijk weergegeven- onder meer het volgende heeft verklaard:

Ik hoop op een alternatieve oplossing in het kader van de terbeschikkingstelling.

? De getuige-deskundige C.M. van Deutekom, als psycholoog en vast gerechtelijk deskundige verbonden aan het Pieter Baan Centrum te Utrecht, die daarbij, onder het verband van de door haar op 12 mei 2003 bij dit hof afgelegde belofte, -zakelijk weergegeven- onder meer het volgende heeft verklaard:

Mijn standpunt, zoals ik dat heb weergegeven op de zitting van dit hof van 12 mei 2003, is ongewijzigd.

? De getuige deskundige M. Vriezendaal, als psycholoog verbonden aan [kliniek], die daarbij, na te zijn beëdigd, -zakelijk weergegeven- onder meer het volgende heeft verklaard:

Het standpunt van de [kliniek], zoals dat door mijn collega Feringa op de zitting van dit hof van 12 mei 2003 is weergegen, is ongewijzigd. Na 12 mei 2003 zijn er geen nieuwe contacten meer gelegd met [mogelijk toekomstige kliniek]. Op aanraden van het ministerie van justitie wachten we hiermee tot dit hof een beslissing heeft gegeven.

? De advocaat van de terbeschikkinggestelde mr W. Anker, advocaat te Leeuwarden, die daarbij -zakelijk weergegeven- onder meer het volgende heeft verklaard:

Ik verzoek het hof – nu een verlenging met een termijn van een jaar niet meer tot de mogelijkheden behoort – de terbeschikkingstelling te verlengen met een termijn van twee jaar. Voorts vraag ik het hof daarbij ten overvloede een extra overweging te wijden aan onderhavige problematiek, die recht doet aan de omstandigheden van dit uitzonderlijke geval en waarmee tevens een signaal afgegeven wordt aan het ministerie van justitie, die een beslissing dient te geven omtrent de overplaatsing van betrokkene naar een alternatieve setting.

? De advocaat-generaal bij dit hof, die heeft geconcludeerd de terbeschikkingstelling te verlengen met een termijn van twee jaar.

Overwegingen:

? Het hof stelt vast dat zowel het Pieter Baan Centrum te Utrecht, als [de kliniek], de terbeschikkinggestelde beschrijven als een sterk gehospitaliseerde 60-jarige man bij wie onverminderd sprake is van pedoseksualiteit en een ernstige persoonlijkheidsstoornis met overwegend narcistische maar ook antisociale trekken. Voorts achtten de rapporteurs de terbeschikkinggestelde onverminderd delictgevaarlijk.

Het hof is gelet op de ernst van de pathologie en de onverminderde delictgevaarlijkheid dan ook van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de terbeschikkingstelling eist als in de hierna te vermelden beslissing vervat.

? Het hof neemt echter ook rekenschap van het gegeven dat de terbeschikkinggestelde reeds tientallen jaren terbeschikking is gesteld. Rekening houdend met de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit is het hof van oordeel dat bij een afweging tussen de belangen van de terbeschikkinggestelde en van de maatschappij, het belang van de terbeschikkinggestelde steeds zwaarder dient te wegen. Het hof stelt uitdrukkelijk dat dit gezien de ernst van de pathologie en de onverminderde delictgevaarlijkheid in de huidige situatie, niet dient te leiden tot opheffing van de terbeschikkingstelling, maar dat wel naar mogelijkheden dient te worden gezocht die optimaal recht doen aan de belangen van de terbeschikkinggestelde. Het hof oordeelt dan ook dat het in dit geval in de rede zou liggen dat overleg geopend zou worden tussen de advocaat van de terbeschikkinggestelde en het ministerie van justitie, teneinde een passend alternatief te vinden.

Beslissing:

Het hof:

Vernietigt de beslissing van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 10 juli 2002 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde.

Verlengt de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar.

Aldus gedaan door

mr Otte als voorzitter,

mrs Rutgers van der Loeff en Lauwaars als raadsheren,

en drs Mensing en drs Harmsen als raden,

in tegenwoordigheid van Robroek als griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2003.

Mr Lauwaars en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.