Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2003:AH9891

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
04-07-2003
Datum publicatie
16-07-2003
Zaaknummer
02-01382
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aan belanghebbende is ingevolge de Successiewet 1956 (..) een aanslag successierecht opgelegd. Namens belanghebbende is zowel tegen de correctie op aangifte als tegen de berekening van het verschuldigde recht bezwaar gemaakt. In beroep is namens belanghebbende het standpunt ingenomen dat de correctie op aangifte dient te vervallen en dat de berekening van het verschuldigde recht dient plaats te vinden met inachtneming van de vrijstelling behorende bij een 'twee-relatie' (..) en niet met inachtneming van de vrijstelling behorende bij een 'meerrelatie'.

Wetsverwijzingen
Successiewet 1956 21, geldigheid: 2003-07-04
Successiewet 1956 21, geldigheid: 2003-07-04
Successiewet 1956 24, geldigheid: 2003-07-04
Successiewet 1956 32, geldigheid: 2003-07-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 1263
FutD 2003-1332 met annotatie van Fiscaal up to Date
PW 2003, 21659

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

eerste meervoudige belastingkamer

nummer 02/01382 (successierecht)

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

Belanghebbende : [X], erfgenaam van [Y]

Te : [Z]

Verweerder : de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen [P]

Aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar

Betreft : aanslag successierecht

Nummer : […0111]

Mondelinge behandeling : met schriftelijke toestemming van partijen niet gehouden

gronden:

1. Aan belanghebbende is ingevolge de Successiewet 1956 (in de ten tijde van de verkrijging geldende tekst, hierna: Sw) een aanslag successierecht opgelegd van ƒ 673.296. De aanslag is als volgt berekend:

Zuiver saldo van de nalatenschap ƒ 2.512.383

Bij: schenking binnen 180 dagen ƒ 208.200

__________

Totaal ƒ 2.720.583

Bij: correctie op aangifte ƒ 206.800

__________

Totaal ƒ 2.927.383

Over de eerste ƒ 1.678.787 is verschuldigd ƒ 336.175

__________

Over het restant of ƒ 1.248.596 is verschuldigd 27% of ƒ 337.120 ________

Totaal verschuldigd ƒ 673.296.

2. Namens belanghebbende is zowel tegen de correctie op aangifte als tegen de berekening van het verschuldigde recht bezwaar gemaakt.

3. Bij de uitspraak op het bezwaar is de inspecteur gedeeltelijk aan de bezwaren tegemoet gekomen. De aanslag is als volgt nader berekend:

Saldo nalatenschap na correctie ƒ 2.927.383

Vrijgesteld o.g.v. "meerrelatie" ƒ 293.788

__________

Resteert: ƒ 2.633.595

Over de eerste ƒ 1.678.787 is verschuldigd: ƒ 336.175

__________

Over het restant of ƒ 954.808 is verschuldigd 27% of ƒ 257.798

________

Totaal verschuldigd ƒ 593.973

Er was geheven ƒ 673.296 ________

Retour ƒ 79.323

4. In beroep is namens belanghebbende het standpunt ingenomen dat de correctie op aangifte dient te vervallen en dat de berekening van het verschuldigde recht dient plaats te vinden met inachtneming van de vrijstelling behorende bij een "twee-relatie" (art. 32, eerste lid, ten vierde, onderdeel e, in verbinding met art. 24, tweede lid, onderdeel a, Sw) en niet met inachtneming van de vrijstelling behorende bij een "meerrelatie" (art. 32, eerste lid, ten vierde, onderdeel e, in verbinding met art. 24, tweede lid, onderdeel b, Sw).

5. De correctie op aangifte heeft betrekking op de waardering van een aantal tot het buitenvennootschappelijk vermogen van erflater behorende onroerende zaken, te weten een eigen woning met ondergrond (hierna: de woning) en enkele bedrijfsopstallen met ondergrond en erf (hierna: de bedrijfsobjecten). In de successieaangifte werd voor de waardering van de onderhavige onroerende zaken uitgegaan van de waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming (hierna: WEVAB). Verweerder is van oordeel dat als waarderingsgrondslag niet de WEVAB, maar de waarde in het economische verkeer (hierna: WEV) heeft te gelden.

6. Blijkens een tot de gedingstukken behorend taxatierapport dat in opdracht van partijen bij wege van minnelijke waardering ten behoeve van de afwikkeling van de nalatenschap is opgemaakt door [A], taxateur van de Belastingdienst Ondernemingen te [P], en [B], makelaar in en taxateur van onroerende goederen, kantoorhoudend te [Z], bedraagt naar het prijspeil per de sterfdatum 16 april 2000 van de onderhavige onroerende zaken:

de WEVAB:

Woning ƒ 132.000

Bedrijfsobjecten ƒ 163.000

________

Totaal ƒ 295.000

en de WEV:

Woning ƒ 365.000

Bedrijfsobjecten ƒ 230.000

________

Totaal ƒ 595.000.

7. De correctie op aangifte is door verweerder als volgt berekend:

WEV woning ingevolge art. 21, lid 4, Sw

te stellen op 60 percent van ƒ 365.000 of ƒ 219.000

Aangegeven 60 percent van

WEVAB (ƒ 132.000) of ƒ 79.200

________

Correctie ƒ 139.800

WEV bedrijfsobjecten ƒ 230.000

Aangegeven WEVAB ƒ 163.000

________

Correctie ƒ 67.000

_________

Correctie totaal ƒ 206.800

8. In beroep is namens belanghebbende nader het standpunt ingenomen dat het bepaalde in artikel 21, vijfde lid, Sw met zich meebrengt dat de waarde van de onderhavige onroerende zaken moet worden bepaald als onderdeel van het als eenheid in het economische verkeer te beschouwen totale bedrijfsvermogen en dat de waarde "going-concern" ten hoogste op de WEVAB dient te worden gesteld.

9. Dit standpunt van belanghebbende wordt door het Hof verworpen. Als waarderingsgrondslag heeft blijkens het bepaalde in art. 21, eerste lid, Sw te gelden de waarde welke op het tijdstip van de verkrijging in het economische verkeer aan het verkregene kan worden toegekend (WEV). Het door verweerder gehanteerde uitgangspunt is derhalve juist. Het bepaalde in art. 21, vijfde lid, Sw doet hieraan niet af. Zoals door verweerder terecht is aangevoerd vormt het bepaalde in bedoeld artikellid een aanvulling op en niet een afwijking van het bepaalde in art. 21, eerste lid, Sw.

10. Tussen partijen bestaat kennelijk overeenstemming in die zin dat de onder 6 bedoelde woning met bedrijfsobjecten moeten worden beschouwd als onderdeel van het totale bedrijfsvermogen. Partijen twisten over de waarde die moet worden toegekend aan die objecten (de tot de boerderij behorende opstallen met bijbehorende ondergrond, erf, tuin en cultuurgrond).

11. Het taxatierapport is in opdracht van partijen met het oog op de afwikkeling van de nalatenschap opgemaakt.

12. Volgens het taxatierapport bedraagt de WEV van de meerbedoelde objecten ƒ 595.000.

13. Gelet op het hetgeen is overwogen onder 9 bestaat op zichzelf geen grond voor de objecten een lagere waarde dan de WEV (ƒ 595.000) in aanmerking te nemen.

Belanghebbendes betoog dat met het oog op de door hem gestelde onderrentabiliteit van de onderneming de objecten voor een lager bedrag in aanmerking moeten worden genomen miskent:

a. dat gegeven het doel van de taxatie ("het vaststellen van de waarde van [de] onroerende zaken op basis van situatie en prijspeil per sterfdatum, zulks dienende voor de afwikkeling van de nalatenschap") er van moet worden uitgegaan dat door de opstellers van het taxatierapport rekening is gehouden met de relevante bepalingen van de Sw; en

b. dat indien en voor zover zou moeten worden geoordeeld dat de waarde van het totale bedrijfsvermogen lager is dan de som van de waarden van de afzonderlijke onderdelen daarvan op grond van art. 21, vierde lid, Sw laatst bedoelde som bij de bepaling van het belastbaar bedrag in aanmerking moet worden genomen.

14. Uit het bepaalde in art. 32, eerste lid, ten vierde, onderdeel e, in verbinding met art. 24, tweede lid, onderdeel a, Sw moet worden opgemaakt dat als eis voor toepassing van de maximale vrijstelling een bedrag van ƒ 587.573 behorende bij een "twee-relatie" heeft te gelden dat de verkrijger tot het tijdstip van overlijden samen met de erflater gedurende een aaneengesloten periode van ten minste vijf jaren en met geen ander dan met een of meer kinderen jonger dan 27 jaar van een van hen of van hen beiden, een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd.

15. Aan de onder 14 bedoelde eis is niet voldaan. Tot 18 april 1996 heeft belanghebbende een gemeenschappelijke huishouding gevoerd met erflater en een op genoemde datum overleden broer van erflater. Erflater, met wie belanghebbende sedert de genoemde datum een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd, is overleden op 16 april 2000. Belanghebbende heeft derhalve niet ten minste vijf jaren uitsluitend met erflater een gemeenschappelijke huishouding gevoerd.

16. Aan de in art. 32, eerste lid, ten vierde, onderdeel e, in verbinding met art. 24, tweede lid, onderdeel b, Sw gestelde eisen is wel voldaan. De berekening van het verschuldigde recht heeft derhalve terecht plaats gevonden met inachtneming van de maximale vrijstelling van ƒ 293.788 behorende bij een "meerrelatie".

proceskosten:

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

beslissing:

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan op 4 juli 2003 door mr. drs. F.J.P.M. Haas, mr. drs. A.M. van Amsterdam en mr. J.A. Monsma, in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. Delnooz-Engels als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, De voorzitter,

(J.H.M. Delnooz-Engels) (F.J.P.M. Haas)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 4 juli 2003

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het Gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.