Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2003:AH9301

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
27-06-2003
Datum publicatie
07-07-2003
Zaaknummer
02-02499
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of bij het vaststellen van de voorlopige aanslag terecht heffingsrente in rekening is gebracht. (..)

5.1 Op grond van artikel 30f, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) wordt met betrekking tot onder meer de inkomstenbelasting heffingsrente berekend ingeval een voorlopige aanslag, een aanslag of een navorderingsaanslag wordt vastgesteld. Artikel 30f, derde lid, van de AWR bepaalt dat met betrekking tot de inkomstenbelasting heffingsrente wordt berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag na het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag van de dagtekening van het aanslagbiljet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 1264
FutD 2003-1323

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

Vijfde enkelvoudige belastingkamer

nummer 02/2499 (inkomstenbelasting)

U i t s p r a a k

op het beroep van mevrouw [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/ Particulieren [P] op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende de beschikking heffingsrente begrepen in de na te melden aan haar opgelegde voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1999 (aanslagnummer […H.90])

1. Beschikking en bezwaar

1.1 Voormelde voorlopige aanslag is aan belanghebbende opgelegd met dagtekening 5 maart 2002. De bij de bestreden beschikking aan belanghebbende in rekening gebrachte heffingsrente bedraagt ƒ 710.

1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak van 24 mei 2002 het bezwaar afgewezen en de beschikking gehandhaafd.

2. Geding voor het Hof

2.1 Het beroepschrift is ter griffie ontvangen op 4 juni 2002.

2.2 Tot de stukken van het geding behoren het verweerschrift en de daarin genoemde bijlagen, alsmede de conclusies van re- en dupliek.

2.3 Met schriftelijke toestemming van partijen heeft geen mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden.

3. De vaststaande feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet weersproken, de volgende feiten vast.

3.1 In een brief van 14 maart 2000 aan de Belastingdienst/Particulieren Buitenland te [Q] deelt de echtgenoot van belanghebbende mede dat - als gevolg van het duurzaam gescheiden gaan leven - belanghebbende over de periode 1 september 1999 tot en met 31 december 1999 zelfstandig aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen zal doen.

3.2 In haar brieven van 1 november 2000 en 20 februari 2001 aan de Belastingdienst/Particulieren [P] deelt belanghebbende mede nog geen aangiftebiljet over het jaar 1999 te hebben ontvangen.

3.3 Belanghebbende stelt vervolgens diverse malen telefonisch contact te hebben gehad met de Belastingdienst over het uitblijven van toezending van een aangiftebiljet. Dit resulteerde echter niet in de toezending van een (juist) aangiftebiljet door de Belastingdienst.

3.4 In een per aangetekende post verzonden brief van 28 september 2001 gericht aan de Directie van de Belastingdienst/Particulieren [P] verzoekt belanghebbende opnieuw om toezending van een aangiftebiljet over 1999.

3.5 Naar aanleiding van deze brief wordt aan belanghebbende op 26 oktober 2001 een aangiftebiljet toegezonden.

3.6 Belanghebbende stuurde het aangiftebiljet op 7 december 2001 ingevuld retour.

3.7 De voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1999 is gedagtekend op 5 maart 2002. Het belastbaar inkomen bedraagt ƒ 31.590. Voorts wordt ƒ 710 heffingsrente in rekening gebracht.

3.8 Belanghebbende heeft op 2 maart 2002 een bezwaarschrift ingediend tegen de in de aanslag begrepen heffingsrente.

3.9 In een brief van 6 mei 2002 deelt de Inspecteur aan belanghebbende mede dat hij voornemens is het bezwaar af te wijzen. In deze brief merkt de Inspecteur op dat "de procedure met betrekking tot de verstrekking van het aangiftebiljet erg slecht is verlopen waarvoor ik mijn excuses aanbied."

4. Het geschil en standpunten van partijen

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of bij het vaststellen van de voorlopige aanslag terecht heffingsrente in rekening is gebracht. Deze vraag wordt door de Inspecteur bevestigend en door belanghebbende ontkennend beantwoord op de gronden zoals vermeld in de van hen afkomstige stukken.

5. Beoordeling van het geschil

5.1 Op grond van artikel 30f, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) wordt met betrekking tot onder meer de inkomstenbelasting heffingsrente berekend ingeval een voorlopige aanslag, een aanslag of een navorderingsaanslag wordt vastgesteld. Artikel 30f, derde lid, van de AWR bepaalt dat met betrekking tot de inkomstenbelasting heffingsrente wordt berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag na het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag van de dagtekening van het aanslagbiljet.

5.2 De strekking van de regeling van de heffingsrente is blijkens de wetsgeschiedenis dat het moment van de vaststelling van de belastingschuld zoveel mogelijk dient aan te sluiten bij het moment van ontstaan van de belastingschuld. Wanneer heffingsrente in rekening wordt gebracht heeft een belastingplichtige gedurende de periode waarover heffingsrente is berekend de mogelijkheid gehad om over dat geld rente te ontvangen bij een bank. Ter compensatie van het tijdelijk gemis van rente door de schatkist wordt heffingsrente in rekening gebracht aan de belastingplichtige. Het in rekening brengen van heffingsrente is uitdrukkelijk niet bedoeld als een sanctie.

5.3 Dientengevolge staat aan de berekening van heffingsrente in beginsel niet in de weg de omstandigheid dat het niet aan de schuld van belanghebbende is te wijten dat een aanslag pas op een zeer laat tijdstip wordt opgelegd waardoor heffingsrente in rekening is gebracht.

5.4 In zijn arrest van 28 maart 2001, nr. 35.968 (BNB 2001/297), heeft de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.3. evenwel geoordeeld:

"Slechts indien en voorzover voldoening uit eigen beweging om bij de belastingdienst gelegen redenen niet mogelijk is of door de belastingdienst niet wordt gewenst, brengt het zorgvuldigheidsbeginsel mee dat geen heffingsrente in rekening mag worden gebracht."

5.5 In dit geval heeft de Belastingdienst het verzoek van belanghebbende om toezending van een aangiftebiljet niet met de normale zorgvuldigheid behandeld. Immers, de brieven van belanghebbende van 1 november 2000 en 20 februari 2001 kunnen na kennisneming en beoordeling daarvan slechts uitgelegd worden als een verzoek om toezending van een aangiftebiljet. Hieraan is door de Belastingdienst ten onrechte geen gehoor gegeven. De Inspecteur heeft ook toegegeven dat op zijn eenheid slordig is gehandeld door de toezending van een aangiftebiljet achterwege te laten.

5.6 De Inspecteur heeft in het verweerschrift betoogd dat belanghebbende had moeten verzoeken om het opleggen van een voorlopige aanslag in plaats van een aangiftebiljet en dat alleen voor dat geval berekening van heffingsrente achterwege kan blijven. Het Hof verwerpt dit standpunt van de Inspecteur. Dat belanghebbende, zoals zij stelt, niet wist dat zij om berekening van heffingsrente te voorkomen aan de Belastingdienst had moet verzoeken om het opleggen van een voorlopige aanslag, kan haar evenwel redelijkerwijs niet worden tegengeworpen.

5.7 Voorts komt betekenis toe aan het gegeven dat anders dan in het arrest BNB 2001/297 in het onderhavige geval niet sprake is van een aangiftebelasting maar van een aanslagbelasting. Kenmerk van deze laatste belasting is dat niet de belastingplichtige de verschuldigde belasting zelfstandig berekent en daarna voldoet, maar dat voor het kunnen voldoen van de verschuldigde belasting is vereist dat deze door middel van het opleggen van een aanslag door de Inspecteur wordt vastgesteld.

5.8 Het Hof komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat om bij de Belastingdienst gelegen redenen aan belanghebbende ter zake van de voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1999 over een langere periode heffingsrente in rekening is gebracht dan bij een normale en zorgvuldige uitoefening van haar werkzaamheden door de Belastingdienst in rekening gebracht hoefde te worden. Nu belanghebbende over 1999 reeds bij brief van 1 november 2000 om toezending van een aangiftebiljet heeft verzocht vindt het Hof aanleiding de berekening van heffingsrente te beperken tot de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000.

5.9 Het beroep van belanghebbende is gedeeltelijk gegrond.

6. Proceskosten

Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is in dit geding niet gebleken.

7. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep van belanghebbende gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- vermindert de in de aanslag begrepen heffingsrente tot rente over de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000;

- gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van € 29.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken te Arnhem op 27 juni 2003 door mr. J.B.H. Röben, vice-president, lid van de vijfde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.F. Geerling als griffier.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(A.M.F. Geerling) (J.B.H. Röben)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 27 juni 2003

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.