Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2003:AG0225

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
22-05-2003
Datum publicatie
19-06-2003
Zaaknummer
00-00829
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is of een voordeel behaald met de aan- en verkoop van een pand belast is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 1116
V-N 2003/31.3.5
V-N 2003/42.17

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

derde meervoudige belastingkamer

nr. 00/00829 (inkomstenbelasting)

U i t s p r a a k

op het beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen [P] op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen voor het jaar 1994.

1. Navorderingsaanslag en bezwaar

1.1. De aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag is berekend naar een belastbaar inkomen van f 163.662, met inachtneming van een belastingvrije som van f 11.850 en zonder verhoging. Aan heffingsrente is f 5.652 berekend.

1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak van 21 maart 2000 het bezwaar afgewezen.

2. Geding voor het Hof

2.1. Het beroepschrift is ter griffie ontvangen op 21 april 2000 en aangevuld op 18 mei 2000, waarbij bijlagen zijn overgelegd.

2.2. Tot de stukken van het geding behoren het verweerschrift en de daarin genoemde bijlagen.

2.3. Bij de mondelinge behandeling op 3 oktober 2002 te Arnhem zijn gehoord, [belanghebbende vergezeld door zijn gemachtigden A en B, alsmede de Inspecteur].

2.4. De notities van de pleidooien die de gemachtigde van belanghebbende en de Inspecteur bij de mondelinge behandeling hebben gehouden worden als hier herhaald en ingelast beschouwd.

3. De vaststaande feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet weersproken, de volgende feiten vast.

3.1. Belanghebbende, die is geboren in 1963, is gehuwd. Hij is werkzaam in dienstbetrekking.

3.2. In 1980 zijn de ouders van belanghebbende gescheiden. Belanghebbende was nog minderjarig en enig kind. Tot de huwelijksgemeenschap van de ouders behoorde het in het centrum van [Q] gelegen pand [a-weg 1] (hierna: het pand). Op verzoek van de ouders is bij het echtscheidingsvonnis de onverdeelde eigendom van dit pand tussen hen in stand gelaten. In het aan de rechtbank gerichte verzoekschrift was daartoe vermeld:

'verzoekers zullen de scheiding en deling ten aanzien van dit onroerend goed thans niet doen plaats vinden, doch het onverdeeld laten tot het tijdstip, waarop de voormelde minderjarige meerderjarig zal zijn geworden;

alsdan zullen verzoekers de eigendom van het onroerend goed geheel overdragen aan die minderjarige op een te zijner tijd nader te bepalen wijze;'

3.3. Op 20 juli 1994 is in opdracht van belanghebbende het pand getaxeerd door [C], Expert bedrijfs o.g., Erkend veilinghouder, Beëdigd taxateur schepen. Het pand bestaat op de begane grond uit een garage/magazijn en op de eerste en tweede etage uit woonunits. Ten tijde van de taxatie stond de woonunit op de eerste etage leeg en was alleen de woonunit op de tweede (zolder)etage verhuurd. De taxateur heeft de onderhandse verkoopwaarde 'in de huidige verhuurde staat' bepaald op f 108.000.

3.4. Bij koopovereenkomst van 8 augustus 1994 koopt belanghebbende het pand van zijn ouders voor het bedrag van f 108.000. In de overeenkomst is onder meer het volgende bepaald:

Artikel 1

De voor de overdracht vereiste akte van levering zal worden verleden (…) op één augustus negentienhonderdvijfennegentig of zoveel eerder of later als partijen nader zullen overeenkomen.

Artikel 12, eerste lid

Het verkochte komt eerst voor risico van de koper, zodra de notariële akte van levering is ondertekend.

3.5. Op 20 augustus 1994 is aan [D] Makelaardij o.g. te [Q] de opdracht verstrekt het pand te verkopen. Daarbij is de vraagprijs bepaald op f 225.000. Op 10 september 1994 adverteert de makelaar met het pand in het [lokale dagblad].

3.6. Bij koopovereenkomst, gedagtekend 31 oktober 1994, hebben belanghebbende en een (derde) koper verklaard, dat zij op 20 oktober 1994 een koopovereenkomst hebben gesloten, waarbij de koopprijs is bepaald op f 210.000.

3.7. In één, op 2 december 1994 opgemaakte notariële akte wordt het pand achtereenvolgens geleverd door de ouders aan belanghebbende voor de koopsom van f 108.000 en door belanghebbende aan de derde voor de koopsom van f 210.000. Van de koopsom ten bedrage van f 108.000 hebben de ouders bij dezelfde akte aan belanghebbende kwijtschelding verleend tot een bedrag van f 63.325,44. Van deze kwijtschelding is aangifte gedaan voor het recht van schenking.

3.8. Na aftrek van kosten beloopt het netto-resultaat van de aan- en verkoop van het pand voor belanghebbende een bedrag van f 97.240. Ter zake van dit bedrag heeft de Inspecteur de onderhavige navorderingsaanslag vastgesteld.

4. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

4.1. Partijen houdt verdeeld of het door belanghebbende bij de aan en verkoop van het pand behaalde voordeel van f 97.240 bij hem is belast op grond van artikel 22, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet).

4.2. Belanghebbende beantwoordt de vraag ontkennend. Hij is primair van mening dat de eerste transactie, de aankoop van het pand van zijn ouders, geen transactie is die heeft plaatsgevonden in het economische verkeer maar een transactie in de familiesfeer. Hij heeft het voordeel behaald omdat zijn ouders hebben hem bij die eerste transactie hebben willen bevoordelen. Subsidiair is belanghebbende van mening, dat het voordeel is behaald in de speculatieve sfeer.

4.3. De Inspecteur beantwoordt de vraag bevestigend. Hij is van mening dat met betrekking tot het door belanghebbende gerealiseerde voordeel is voldaan aan de criteria gesteld in artikel 22, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet. Hij bestrijdt dat, afgezien van de kwijtschelding van een deel van de koopsom, bij de ouders een verdere bedoeling tot bevoordeling aanwezig was.

4.4. Partijen hebben de voor hun respectievelijke standpunten aangevoerde gronden vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan is ter zitting toegevoegd:

Door de gemachtigde van belanghebbende:

De ouders van belanghebbende hebben de stijging van de waarde van het pand willen schenken, zeker nu het pand eerst ongeveer tien jaar na de meerderjarigheid van belanghebbende aan hem is overgedragen. Aan de Inspecteur is bij wijze van compromis aangeboden om een aanvullende aangifte recht van schenking te doen.

Door de Inspecteur:

Belanghebbende heeft alle acties ondernomen waardoor wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 22, eerste lid, onderdeel b, van de Wet.

4.4. Belanghebbende verzoekt vernietiging van de bestreden uitspraak en van de navorderingsaanslag.

4.5. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Het voordeel behaald door middel van aan- en verkoop van een onroerende zaak kan een voordeel uit niet in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden zijn, met name indien de aankoop is geschied met het oogmerk om door wederverkoop een voordeel te behalen en dit voordeel bij de aankoop redelijkerwijs voorzienbaar was.

5.2. In het geval evenwel, dat een belastingplichtige een onroerende zaak ten gevolge van vrijgevigheid van de verkoper koopt voor een prijs beneden de verkoopwaarde, kan het bij wederverkoop behaalde voordeel, voorzover dit een gevolg van die vrijgevigheid is geweest, niet aan de arbeid van de belastingplichtige worden toegerekend en daarom ook in zoverre niet worden aangemerkt als een voordeel uit niet in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden.

5.3. Het Hof is van oordeel dat het in 5.2. beschreven geval zich in de onderhavige zaak voordoet. Daarbij neemt het Hof het volgende in aanmerking:

- belanghebbende koopt op 8 augustus 1994 het pand van zijn ouders tegen een koopsom die is bepaald door een taxateur die, waarop ook de Inspecteur heeft gewezen, niet is een beëdigd makelaar in onroerende zaken;

- belanghebbende heeft gesteld en het Hof acht aannemelijk dat het in zakelijke verhoudingen tussen derden ongebruikelijk is dat de verkoper van een pand de keuze van de taxateur zonder enig voorbehoud overlaat aan de koper en vervolgens, zonder zelf een makelaar of taxateur te raadplegen, zonder slag of stoot instemt met de uitkomst van een taxatie die bovendien niet is opgesteld door een beëdigd makelaar taxateur in onroerende zaken;

- blijkens de koopovereenkomst van 8 augustus 1994 loopt belanghebbende met betrekking tot het pand tot aan het moment van de levering geen enkel risico, hetgeen niet gebruikelijk is;

- belanghebbende heeft gesteld dat zijn ouders hem een groot deel van de waardestijging van het pand uit vrijgevigheid wilden doen toekomen omdat, anders dan destijds bij de echtscheiding was bepaald, het pand eerst tien jaar na het tijdstip van zijn meerderjarigheid aan hem is overgedragen en de waardestijging van het pand met name aan dit tijdsverloop is toe te schrijven; anders dan de Inspecteur acht het Hof deze stelling aannemelijk; de Inspecteur heeft geen bewijs geleverd voor zijn stelling dat de ouders er wel van uitgingen dat de op f 108.000 getaxeerde waarde een juiste waarde was; de Inspecteur heeft ook niet gevraagd om de ouders van belanghebbende hieromtrent als getuigen te horen; aan de omstandigheid dat ter zake van het gerealiseerde voordeel geen (aanvullende) aangifte van het recht van schenking is gedaan kent het Hof, anders dan de Inspecteur kennelijk verdedigt, geen doorslaggevende betekenis toe;

- bij de opdracht tot verkoop aan [D] Makelaardij o.g. op 20 augustus 1994 is de vraagprijs voor het pand bepaald op het veel hogere bedrag van f 225.000; dit geeft steun aan de stellingen van belanghebbende dat zijn ouders zich ervan bewust waren dat zij met de kort daarvóór overeengekomen verkoopprijs van f 108.000 een te lage prijs realiseerden en dat daaruit kan worden afgeleid dat zij hun zoon uit vrijgevigheid hebben willen bevoordelen;

- door de Inspecteur is niet gesteld en het Hof acht onaannemelijk dat het door belanghebbende bij de verkoop van het pand gerealiseerde voordeel is ontstaan door het tijdsverloop tussen 8 augustus 1994 en 20 oktober 1994, zijnde de laatste datum de datum waarop de koopovereenkomst tussen belanghebbende en de koper;

- de omstandigheid dat de ouders van belanghebbende partij waren bij de notariële akte van 2 december 1994 wijst op de kennelijke instemming van de ouders van belanghebbende met de gang van zaken en ondersteunt de stelling van belanghebbende dat de ouders uit vrijgevigheid hebben ingestemd met de lage verkoopprijs van f 108.000 bij de overdracht van het pand aan belanghebbende.

5.4. Het geen de Inspecteur overigens heeft aangevoerd leidt het Hof niet tot een ander oordeel.

6. Slotsom

Het beroep van belanghebbende is gegrond.

7. Proceskosten

Het Hof berekent belanghebbendes proceskosten op [2 (beroepschrift en verschijnen ter zitting) × € 322 × 1,5 (gewicht van de zaak)] € 966.

8. Beslissing

Het Gerechtshof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

- vernietigt de navorderingsaanslag;

- gelast vergoeding door de Staat der Nederlanden van het door belanghebbende ter zake van het instellen van beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 27,33;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van € 966, te betalen door de Staat der Nederlanden.

Aldus gedaan op 22 mei 2003 door mr Röben, vice-president, als voorzitter, mr De Kroon en mr Ettema, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr Gankema, als griffier.

De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.

De voorzitter,

(J.B.H. Röben)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 22 mei 2003

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.