Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2003:AF8775

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
16-01-2003
Datum publicatie
08-08-2006
Zaaknummer
2002/806
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het (nog) niet verleend zijn van een toevoeging is onvoldoende reden om af te wijken van in de schuldsaneringsregeling geldende strikte wettelijke termijnen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

Arrest

in de zaak van:

Z,

wonende te Nijverdal,

appellant,

procureur: mr. W.D. Huizinga.

1. Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van de rechtbank te Almelo van 10 december 2002 is het verzoek van appellant (hierna te noemen: Z) tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen.

Het hof verwijst naar voornoemd vonnis, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij ter griffie van het hof op 17 december 2002 ingekomen verzoekschrift is Z in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis en heeft hij het hof verzocht het voormelde vonnis te vernietigen en alsnog het verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling toe te wijzen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

2.2 Op 6 januari 2003 is ter griffie van het hof per fax ontvangen een brief van mr. Huizinga met als bijlage een brief d.d. 5 januari 2003 van mr. F. Vortman te Hardenberg, advocaat van Z, waarin wordt verzocht een nieuwe datum voor de behandeling van het hoger beroep te bepalen omdat de aangevraagde toevoeging door de raad voor rechtsbijstand nog niet is verstrekt. Mr. Vortman meldt in voornoemde brief van 5 januari 2003 dat Z niet kan riskeren dat hij zijn advocaat voor diens werkzaamheden zal moeten betalen, terwijl daarbij komt dat mr. Vortman zelf het risico van een niet tot betalen in staat zijnde cliënt niet wenst te dragen.

Een medewerker van de griffie van het gerechtshof heeft namens de kamervoorzitter aan mr. Huizinga op 7 januari 2003 telefonisch medegedeeld dat het hof het verzoek om aanhouding niet inwilligt.

Op 8 januari 2003 heeft de secretaresse van mr. Huizinga met de griffie van het gerechtshof gebeld om namens mr. Vortman nogmaals te verzoeken om aanhouding van de behandeling, om voornoemde redenen. Dit verzoek is door het hof wederom niet gehonoreerd.

Op 8 januari 2003 is om 23.50 uur ter griffie van het hof ontvangen een faxbericht van mr. Vortman, waarin hij mededeelt niet ter zitting te zullen verschijnen omdat hij de zaak niet heeft kunnen voorbereiden. Voorts verzoekt mr. Vortman om de gelegenheid te krijgen alsnog aan het hof te mogen overleggen de stukken waarom het hof heeft verzocht in de zittingsoproep d.d. 20 december 2002.

2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 januari 2002. Er is niemand verschenen.

Het hof heeft arrest bepaald op heden.

3. De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 Het hoger beroep is tijdig ingesteld.

3.2 Ten aanzien van de verzoeken van Z om aanhouding van de behandeling van de zaak ter zitting overweegt het hof als volgt.

Het hof heeft in de omstandigheid dat de aangevraagde toevoeging nog niet is verleend onvoldoende reden gezien om de behandeling van de zaak ter zitting aan te houden. In de procedure tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling gelden strikte termijnen waaraan zoveel mogelijk de hand dient te worden gehouden teneinde de onzekerheid, ook uit het oogpunt van de crediteuren, zo kort mogelijk te doen zijn. Het (nog) niet verleend zijn van een toevoeging is naar het oordeel van het hof onvoldoende reden om af te wijken van de wettelijke termijnen. Mr. Vortman heeft de zaak aangenomen en een verzoekschrift in hoger beroep ingediend, waarmee de zaak in hoger beroep een aanvang heeft genomen. Hij heeft zich hiermee aan zijn cliënt gecommitteerd. Dat mr. Vortman vervolgens de zaak niet verder wenst te behandelen voordat de toevoeging is verleend - en daarom kennelijk ook nog niets had ondernomen om de reeds bij de oproep van het hof van 20 december 2002 verzochte stukken te vergaren of in te zenden - is voor het hof geen reden tot aanhouding van de behandeling. Het hof ziet derhalve evenmin aanleiding om de zaak aan te houden zodat de verzochte stukken alsnog in het geding kunnen worden gebracht, nu daarvoor reeds voldoende tijd en gelegenheid is geweest en zulks tot niet gerechtvaardigd uitstel van de beslissing zou leiden.

3.3 Vervolgens zal het hof het verzoek inhoudelijk beoordelen. Hierbij wordt uitgegaan van de juistheid van de feiten en omstandigheden als vermeld in het vonnis waarvan beroep, voor zover daartegen geen grief is gericht.

Gebleken is dat de totale schuldenlast van Z van circa € 19.846,- is ontstaan ten gevolge van zijn drugsverslaving. De gehele schuldenlast is recent ontstaan, namelijk in en na 2000. Z heeft zelfs geld geleend om in zijn druggebruik te kunnen voorzien. Z heeft namelijk op 3 maart 2000

f 25.000,- geleend bij de RVS financiële diensten. Van dit bedrag heeft Z f 8.600,- betaald aan de SNS Bank en f 3.000,- aan Wehkamp. Het resterende deel van de lening (f 13.400,-) is door Z aan drugs besteed.

3.4 Z heeft in hoger beroep aangevoerd dat zijn schulden niet verwijtbaar zijn ontstaan, omdat er sprake was van wilsonafhankelijke omstandigheden (zijn drugverslaving) die hem niet de vrijheid lieten om andere beslissingen te nemen dan die welke gericht waren op het verkrijgen van verslavende middelen.

Het hof is een ander oordeel toegedaan. Immers, aan de stap om drugs te gaan gebruiken ligt een keuzemoment ten grondslag. Door deze keuze is en blijft iemand verantwoordelijk voor het feit dat hij verslaafd raakt en verslaafd blijft. Ook tijdens de verslaving is iemand niet volstrekt willoos aan zijn verslaving overgeleverd. Daarmee is tevens de eigen verantwoordelijkheid gegeven voor de (financiële) gevolgen die uit deze verslaving voortvloeien en is Z ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schuldenlast niet te goeder trouw.

3.5 Z heeft omstandigheden aangevoerd op grond waarvan hij desondanks tot de schuldsaneringsregeling zou moeten worden toegelaten. Zo stelt Z een opleiding te volgen om zijn kansen op de arbeidsmarkt te vergroten en stelt hij dat hij f 1.500,- heeft afgelost aan Edon en momenteel € 45,- aan de woningstichting aflost (naar het hof aanneemt per maand). Voorts stelt Z dat hij geen verslaafd gedrag meer vertoont en in staat is om zijn wil weer zelf te bepalen.

Het hof is van oordeel dat voornoemde omstandigheden onvoldoende concreet zijn, bij gebrek aan informatie. Niet duidelijk is hoelang Z aan drugs verslaafd is geweest, wanneer hij is afgekickt en hoe lang hij niet meer gebruikt. De door het hof aan Z verzochte verklaring van het Johannes Wierhuis die op dit punt duidelijkheid had kunnen verschaffen, is niet ontvangen. Voorts is het hof niet bekend wat voor opleiding Z volgt en sedert wanneer en hoe lang deze opleiding duurt, terwijl evenmin bekend is wat de perspectieven op werk zijn en of hij reeds thans inkomsten uit arbeid had kunnen genereren. Mede gelet op de aard en de omvang van de schulden en op de omstandigheid dat deze recent zijn ontstaan, legt de omstandigheid dat door Z is en wordt afgelost op de schulden hier tegenover onvoldoende gewicht in de schaal.

3.6 Alle feiten en omstandigheden in onderling verband bezien faalt het hoger beroep. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4. De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

wijst af het verzoek om aanhouding van de behandeling van de zaak;

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Almelo van 10 december 2002.

Dit arrest is gewezen door mr. Steeg, Van der Kwaak en Hilverda en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 januari 2003.