Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2003:AF8772

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
06-01-2003
Datum publicatie
08-08-2006
Zaaknummer
2002/746
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onverantwoorde ondernemersrisico's leiden tot schulden niet te goeder trouw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof te Arnhem

Arrest

in de zaak van:

B,

wonende te Lunteren,

appellant,

procureur: mr. P.C. Plochg.

1. Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van de rechtbank te Arnhem van 18 november 2002 is het verzoek van appellant (hierna te noemen: B) tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen.

Het hof verwijst naar laatstgenoemd vonnis, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij ter griffie van het hof op 25 november 2002 per fax en op 26 november 2002 per gewone post ingekomen verzoekschrift is B in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis en heeft hij het hof verzocht het voormelde vonnis te vernietigen en alsnog het verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling toe te wijzen.

2.2 Het hof heeft kennisgenomen van de bij het verzoekschrift behorende stukken.

2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 december 2002, waarbij B is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. B.H.M. Harbers, advocaat te Doetinchem, die de zaak aan de hand van pleitnotities heeft bepleit. B is verzocht de jaarstukken van zijn onderneming over 2000 en 2001 nog aan het hof te doen toekomen.

Na de behandeling ter zitting is op 23 december 2002 een fax van mr. Harbers ter griffie van het hof ontvangen en zijn op 31 december 2002 ontvangen de jaarstukken over 2000 tot en met 2002.

3. De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 Het hoger beroep is tijdig ingesteld.

3.2 De totale schuldenlast van B bedraagt € 136.624,93. Het grootste deel van deze schuldenlast betreft schulden die zijn ontstaan in het kader van de uitoefening van de eenmanszaak van B, BDM Entertainment. Deze onderneming verzorgde en organiseerde evenementen en verkocht en verhuurde audiovisuele middelen. Met ingang van 1 augustus 2002 is de eenmanszaak opgeheven. Een aanzienlijk deel van de schuldenlast is het (in)directe gevolg van een door B h.o.d.n. BDM Entertainment georganiseerd dance-evenement op Koninginnedag 2002 in Lunteren. Het was de eerste keer dat B een dergelijk groot evenement in de open lucht organiseerde en hij was een betrekkelijk onervaren organisator. Eerder was hij enige malen betrokken geweest bij de organisatie van kleinere indoor evenementen.

3.3 Beoordeeld dient te worden of B ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van voornoemde schulden niet te goeder trouw is geweest. B heeft in dit verband aangevoerd dat hij er alles aan heeft gedaan om de ondernemingsrisico’s van het Koninginnedagevenement te minimaliseren. Zo heeft hij geïnformeerd naar de weersverwachting op Koninginnedag, heeft hij een regenverzekering afgesloten, alsmede een bedrijfsaansprakelijkheids-verzekering. Volgens B was het niet mogelijk om een verzekering voor overige onvoorziene weersomstandigheden - anders dan regen - af te sluiten. B stelt dat hij er alles aan heeft gedaan om de ondernemingsrisico’s zo klein mogelijk te houden, maar dat hij desondanks werd geconfronteerd met hem niet toe te rekenen onvoorziene omstandigheden, waardoor uiteindelijk de kosten van het evenement hoger waren dan de opbrengsten. Volgens B betreft het hier een normaal ondernemersrisico en kan niet worden geconcludeerd dat hij niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van de hieruit voortvloeiende schulden die het grootste deel van zijn schuldenlast vormen.

3.4 Het hof is van oordeel dat B ten aanzien van het ontstaan van het grootste deel van de schuldenlast niet te goeder trouw is geweest. Dit oordeel is gebaseerd op de volgende feiten en omstandigheden.

B heeft een begroting betreffende het Koninginnedagevenement overgelegd, waaruit blijkt dat hij is uitgegaan van het volgens de verleende vergunning toegestane maximale aantal bezoekers van 1000. B heeft in deze begroting de totale kosten van het evenement berekend op een bedrag van € 49.563,50 inclusief BTW en heeft een totaal aan inkomsten berekend van € 49.700,- inclusief BTW. De door hem begrote winst bedroeg netto

€ 110,57 in totaal. Ter terechtzitting van het hof heeft B desgevraagd verklaard dat bij circa 800 bezoekers de kosten en opbrengsten van het evenement gelijk zouden zijn en dat er 900 à 1000 bezoekers benodigd waren om winst te maken. Uit de begroting blijkt evenwel dat de netto winst bij 1000 bezoekers slechts € 110,57 zou bedragen. Uit de begroting blijkt dat het grootste deel van de omzet afkomstig zou zijn uit sponsorgelden (€ 20.000,-) en drankverkoop (€ 20.000,-). Van de begrote sponsorgelden werd uiteindelijk slechts € 4.000,- gerealiseerd. Ter terechtzitting van het hof is gebleken dat B een maand voor Koninginnedag nog maar een klein deel van begrote sponsorgelden binnen had. Desondanks heeft hij het evenement doorgezet.

Ook is B in de begroting er van uitgegaan dat het maximale aantal van 1000 kaartjes zou worden verkocht à € 7,50 per stuk. Voorts blijkt uit de begroting dat er geen rekening is gehouden met onvoorziene kosten, hoewel B ter zitting van het hof heeft verklaard dat bij het opstellen van de begroting rekening is gehouden met een post onvoorziene kosten/omstandigheden. Nu deze post niet uit de begroting blijkt en deze stelling door B niet nader is onderbouwd, concludeert het hof dat er geen rekening is gehouden met onvoorziene omstandigheden/kosten.

B heeft ter zitting van het hof verklaard dat hij € 4.000,- extra kosten had in verband met de huur van een kraan en dat hij circa € 7.000,- extra kosten heeft moeten maken wegens het inhuren van ander beveiligingspersoneel, nadat het reeds door hem ingehuurde personeel op last van de politie was weggestuurd. In de begroting blijkt evenwel niet van begrote kosten voor beveiligingspersoneel. In de begroting staat enkel vermeld personeel beveiliging 4 x, met aan kosten 0 vermeld. In de begroting had B een post onvoorzien moeten reserveren.

Uiteindelijk heeft B slechts 256 kaartjes voor het evenement verkocht in plaats van 1000 en werd ook de begrote drankomzet niet gehaald. B werd geconfronteerd met een aantal onvoorziene omstandigheden, mede waardoor de kosten van het evenement de baten verre overstegen.

3.5 Gelet op voormelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat B onverantwoorde ondernemersrisico’s heeft genomen. B heeft zelf ter zitting van het hof verklaard dat de door hem benaderde ABN AMRO Bank en de RABO Bank geen krediet wilden verstrekken omdat zij de onderneming te riskant vonden. Desondanks heeft B toch de organisatie van het evenement doorgezet, zonder enige financiële reserves. B heeft in zijn begroting geen rekening gehouden met onvoorziene kosten/omstandigheden. Daar doet niet aan af dat door hem is getracht een deel van de risico’s af te dekken door een regenverzekering af te sluiten en dergelijke. Er kan immers altijd sprake zijn van andere onvoorziene omstandigheden, zoals de omstandigheden dat potentiële sponsors en bezoekers onvoldoende interesse tonen of dat het weer tegenvalt.

Hoewel de sponsorgelden een maand voor Koninginnedag nog niet rond waren en hoewel B slechts 200 kaarten in de voorverkoop had verkocht, heeft B toch het evenement doorgezet. Hij heeft hiermee een onverantwoord risico genomen, nu de sponsorgelden waren begroot op ongeveer de helft van de omzet. Voorts heeft B slechts een minimale marge begroot, terwijl hij wel is uitgegaan van het maximale aantal bezoekers volgens de verleende vergunning, welke bezoekers volgens de begroting op het evenement geacht werden een aanzienlijk aantal consumpties te nuttigen. Deze handelwijze brengt dermate grote financiële risico’s met zich, dat naar het oordeel van het hof geen sprake is geweest van het ondervinden van normale tegenslagen in de onderneming, maar moet worden geoordeeld dat B zijn ondernemerschap onverantwoord heeft uitgeoefend. Dit klemt des te meer, nu uit de na de zitting ontvangen jaarstukken blijkt dat B reeds tekorten had opgebouwd in de jaren 2000 en 2001. Uit de balans 2001 blijkt een negatief eigen vermogen van BDM Entertainment van f 58.010,- ( € 26.323,79).

B heeft aangevoerd en het blijkt ook uit zijn begroting, dat voor hem niet de winst belangrijk was, maar het vestigen van een goede naam. Wat hier ook van zij, deze keuze neemt niet weg dat B onverantwoord heeft gehandeld.

3.6 Er is onvoldoende gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan B desondanks tot de schuldsaneringsregeling zou moeten worden toegelaten. B heeft wel aangevoerd dat hij met alle schuldeisers contact heeft opgenomen om tot een minnelijke regeling te komen en dat hij daarvoor alles in het werk wil stellen, maar hoewel hij vroeger een opleiding MTS electro heeft gevolgd is hij, met weinig succes, doorgegaan met verzorging van audiovisuele media, in plaats van (in loondienst) aan het werk te gaan. Hij heeft slechts twee sollicitaties lopen. Concrete afbetalingen heeft hij niet gesteld, laat staan aangetoond.

Het hoger beroep faalt, zodat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4. De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Arnhem van 18 november 2002.

Dit arrest is gewezen door mrs. Houtman, Steeg en De Vries in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 januari 2003.